Het is vandaag veertig jaar geleden dat ik ben ingetrokken in mijn appartement in de Keizer Karelstraat (foto uit de beeldbank van de stad Gent). Ik zou jullie graag wat over de geschiedenis van “mijn” straat vertellen, maar daarvoor moet ik eigenaardig genoeg beginnen bij het klooster op de Reep…

In 1699 hadden de Capucinessen ofte Grijze Zusters zich in het voormalige klooster van de spinnessen of linnenspinsters (een kloostergemeenschap zonder vaste kloosterregel) aan de Reep gevestigd (*). Maar onder de keizer-koster Jozef II werd het klooster opgeheven en in 1784 verkocht aan een zekere Van Poppelen om er een stoffenfabriek in onder te brengen. Datzelfde jaar vestigde de familie Lousbergs, afkomstig uit Maastricht, zich in Gent. Kort daarop (op 24 juli 1784) huwde François Xavier Lousbergs met Marie Catharina Villiot, dochter van een der eerste Gentse katoendrukkers/kooplieden, François Villiot, die sinds 1767 in Gent een katoendrukkerij uitbaatte. Met de steun van zijn schoonbroer Charles Villiot stichtte François Xavier een identiek bedrijf in de Sint-Margrietstraat. Er zouden er nog een paar volgen.
In 1790 werden de Grijze Zusters in eer hersteld en namen opnieuw hun pand in. Alweer zes jaar later vlogen ze echter weer aan de deur, deze keer op last van de Franse bezetter, die de gebouwen vernielde. In 1813 werden ze door architect Van de Cappelle heropgetrokken als fabriek voor koopman Gomard Verhegghen.
Ondertussen leden de bedrijven van de familie Lousbergs heel erg onder de crisis van 1810-1811. De oudste zoon, Godefroid, pleegde zelfmoord de dag voor het faillissement van zijn firma werd uitgesproken. Zijn broer Hubert wist amper de katoendrukkerij te redden.
Of het iets met hun Hollandse roots te maken had, weet ik niet, maar het tij keerde alleszins onder het bewind van Willem I. Het dient trouwens gezegd dat de hele Gentse textielindustrie floreerde vanaf 1820 dankzij de stimulansen vanuit het centrale gezag (in 1820 waren er 29 katoenbedrijven in Gent, dat waren er tien jaar later al 63!). Zo kon in 1823 Ferdinand Lousbergs (1799-1859), zoon van Hubert, de fabriek van Verhegghen verwerven. Bovendien kon hij zijn katoenspinnerij uitbreiden met de aanpalende tabaksfabriek.
Zijn familie was al één van de eersten geweest om vanaf 1819 stoommachines aan te schaffen, Ferdinand zelf deed er nog een schepje bovenop door in 1833 als allereerste de weefstoelen “à la Jacquard” in te voeren. Alhoewel het niet denkbeeldig is dat het spotlied “De vier weefgetouwen” van Karel Waeri hierdoor werd geïnspireerd, dient toch ook te worden toegegeven dat Lousbergs bekommerd was over het lot van zijn arbeiders. Hij mag dan nog het voorbeeld geweest zijn van de typische “paternalistische” patron, hij heeft er toch voor gezorgd dat zijn arbeiders de cholera- en tyfusepidemieën, die de negentiende eeuw teisterden, zonder problemen zijn doorgekomen, dankzij “ruime en luchtige” productieruimtes.
Het geld voor die weefgetouwen had Lousbergs bijeengegaard omdat de Algemene Handelsmaatschappij in 1829 een bestelling plaatste bij de Vlaamse katoenfabrikanten voor het leveren van 40.000 stukken katoen. 37.000 daarvan werden toegewezen aan Gentse bedrijven…
Lousbergs, die in een huis van de firma in het Gewad woonde en zo zuinig leefde als zijn Hollandse afkomst laat vermoeden, verwierf ook een immens terrein tussen de Reep en de Lange Boomgaardstraat (**), waardoor de Keizer Karelstraat (de oorspronkelijke naam “Nieuwebrugstraat” is slechts heel kort in voege geweest) werd aangelegd. Van die gelegenheid maakte hij gebruik om voor zichzelf een luxueus herenhuis in de buurt van zijn fabriek op te trekken. Aan de overkant van de straat liet hij een monumentale toegangspoort bouwen, zodat hij op die manier bij wijze van spreken vanuit zijn bed zijn fabriek kon binnenrollen. Achter de fameuze toegangspoort huist nu de basisschool van het Sint-Lievenscollege.
Toch heeft hij niet lang van deze faciliteiten kunnen gebruik maken, want de bouw sleepte aan tot 1855 of 1856 en in 1859 overleed Lousbergs reeds. Hij deed dat kort nadat zijn “onderhuurder”, de drie jaar oudere Emelie Tiquent, een Franse rentenierster, eveneens was overleden. Aangezien men wel vaker hoort dat mensen die een nauwe emotionele band met elkaar hebben, elkaar slechts met enkele maanden overleven, kan men zich de vraag stellen of Emelie inderdaad enkel maar een “onderhuurster” was… (***)
Op het moment dat Lousbergs stierf, stelde het bedrijf 1.500 mensen te werk. Omdat hij geen kinderen had, gingen huis en fabriek naar de aangetrouwde familie de Hemptinne. Wellicht is dit een tak van de prominente familie in Temse, maar op het eerste gezicht geen dichte. De Hemptinnes van Temse waren de laatste eigenaars van de steenbakkerij van Tielrode, waar nu het Waesmeer is. De familie heeft destijds zelf nog de overgang bepaald van steenbakkerij naar recreatiedomein, maar is intussen volledig “verdampt”.
In zijn testament schonk Lousbergs aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (een voorloper van het OCMW) een terrein van 1,3 hectare langs de Visserij, plus de som van 400.000 frank om er een tehuis voor gebrekkige en bejaarde katoenarbeiders op te richten. De familie de Hemptinne probeerde nog het testament aan te vechten (het is de grootste schenking aan de stad Gent ooit), maar ze moesten uiteindelijk capituleren: het tehuis ging eind 1865 open. Er was aanvankelijk plaats voor veertig bejaarden. Uit erkentelijkheid gaf de stad de kaai in 1864 de naam van de schenker.
Door de crisis in de jaren dertig werd de NV Lousbergs in 1933-34 geliquideerd en werd het gebouw opnieuw opgekocht door de Zusters van Liefde, die er de Sint-Bavo Humaniora uitbouwden. Ook nu weer was Lousbergs een innovator, zij het deze keer een trieste, want het was de eerste grote katoenspinnerij die in Gent gesloten werd.
Zijn woonhuis werd daarna vooral bekend eerst als veilinghuis en later als het zogenaamde Huis der Notarissen. Nu is het huis eigendom van de firma Optima.
De laatste bejaarden verlieten het tehuis op de Lousbergskaai begin 1998. Het complex stond lange tijd leeg, maar werd uiteindelijk aangekocht door de Lofting Group en Condominium 99. Men vindt er nu kantoren en lofts.
Rond diezelfde tijd nam Sint-Bavo ook het terrein in van het mineraalwaterbedrijf Gand-Thermal, dat reeds braak lag sedert ik in het begin van de jaren tachtig mijn intrek had genomen in het appartementsgebouw Keizer Karel naast de woning van Lousbergs.
WERELDTENTOONSTELLING
Het gebouwencomplex in het Citadelpark, waarbij dus ook het voormalige Casino, waarin nu het SMAK is gevestigd, is nog een overblijfsel van de Wereldtentoonstelling in Gent in 1913 (net als het vroegere postgebouw op de Korenmarkt trouwens), maar het is geen toeval dat uit datzelfde jaar ook het socialistische feestpaleis Vooruit dateert: de socialisten wilden immers een tegenhanger voor dat burgerlijke symbool, om hun voet naast die van de textielbarons te plaatsen.
Die Wereldtentoonstelling was ook de aanleiding om het Zuidstation te laten verdwijnen ten voordele van het Sint-Pietersstation. Dat betekende ook een grondige wijziging van het stadscentrum. Vroeger was het Zuid immers een prestigieuze uitgaansbuurt met tal van cafés, dancings en bioscopen. Nu begon het verval in te treden dat bij de eeuwwisseling uiteindelijk zou uitmonden in een gigantische kaalslag gevolgd door een reusachtig winkelcomplex van projectontwikkelaar Urbis.
Toch zou het nog tot 1929 duren vooraleer het Zuidstation volledig zou verdwijnen. Op de spoorlijnen werd het Albert I-park aangelegd (met een standbeeld van de vorst door Temsenaar Karel Aubroeck), dat door iedereen evenwel het Zuidpark wordt genoemd. In de jaren zestig werd dit beeld evenwel opnieuw verstoord omdat alles baan moest maken voor Koning Auto. En zo werd de afrit van de E17 tot in het centrum van de stad gebracht.
Op de wereldtentoonstelling in Gent trof men zowel Filippijnen als Senegalezen aan, die elk een primitief dorpje in Gent installeerden. Een zestigtal Filippijnen exposeerden hun primitieve nijverheden en huishouden voor de bezoekers, maar ook oorlogsdansen. Ook het Senegalees dorp maakte een diepe indruk op de bezoekers, maar werd omschreven als een soort kermisattractie. Dat is niet zo verwonderlijk als je weet dat deze ‘inboorlingen’ aan een impressario verbonden waren en de Senegalezen getrainde expobewoners waren. Ze hadden weinig aanpassingsproblemen en organiseerden zelfs een ‘grand bal’. Voor de Filippijnen viel het wat tegen, want op het einde van de Gentse expositie ging hun impressario ervandoor en liet hij de Filippijnen aan hun lot over, waardoor ze na de afloop van de tentoonstelling in Gent al bedelend moesten zien te overleven.
In het paviljoen van Belgisch Kongo troffen we geen Kongolezen aan, maar ditmaal gaf men uiting aan de exotische fascinatie met behulp van optische middelen. Langs een gang in het paviljoen werd de bezoeker naar een klein platform geleid, opgesteld in het midden van een
rotonde. Hierop kon men een panorama bewonderen van 1640m². De twee kunstschilders van dit werk hadden hiervoor speciaal twee maanden in Kongo rondgereisd. Het doek moest een les in de ‘koloniale vooruitgang’ voorstellen. Simplistische tegenstellingen zoals de afbeelding van lianen bruggen naast ijzeren viaducten, hutten naast fabrieken enz., moesten de bezoekers van de vooruitgang door de koloniale ingreep overtuigen.
Net als de wereldtentoonstelling kon ook het variététheater als ‘een wereld in het klein’ beschouwd worden. Artiesten van diverse nationaliteiten stonden op het podium, waar het exotische element vaak het onderwerp van de act was. Zo werden er tal van exotische en folkloristische dansen opgevoerd. Ook illusionistsche acts waarbij men een ‘tour du monde’ presenteerde aan het publiek waren zeer populair. ‘Black Faces’, blanke artiesten die werden zwart geschminkt, waren zeer geliefd. Geleidelijk aan vonden ook ‘des véritables nègres’ hun ingang in het variététheater. Het feit dat zwarte variétéartiesten heel lang opmerkelijk minder vergoed werden voor hun optreden dan hun blanke collega’s bewijst dat hun populariteit de raciale vooroordelen niet kon wegwerken. Naast zwarten verschenen ook andere exotische volkeren op het toneel, zoals Turken en Arabieren. De opvoering van de ‘wilde vrouw’ in dit spektakel kon zoals bij de Turkse of Arabische harems eveneens voor een bijkomend erotisch effect zorgen.
Circus Renz (die zijn naam zou geven aan een bekende virtuoze accordeonmelodie) voerde de pantomime ‘L’Ile de Sumatra’ op. Deze pantomime behandelde ‘Vie, Moeurs et Aventures des habitants de l’île de Sumatra’. Het zondige karakter van de primitieven in deze pantomime stond haaks op de luxueuze uitvoering. Deze bestond uit een ‘ballet au grand complet’, ‘brillants effets de lumière électrique’, ‘costumes somptueux et caractéristiques de la grande maison de Berlin’. Uit de westers klinkende namen van de acteurs leiden we af dat de exotische personages door westerlingen vertolkt werden.
Die Wereldtentoonstelling vormt ook de aanleiding voor commentaren van diverse literatoren. Zo leren we zowel Karel Van de Woestijne als Cyriel Buysse als onvervalste racisten en moralisten (al die exotische toestanden geven aanleiding tot zedenverval) kennen (zie Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap XV, p.86 e.v.). Men zou kunnen aanvoeren: het is de weerspiegeling van de tijdsgeest, maar daar staat tegenover dat iemand als Stijn Streuvels, die nochtans door Buysse himself in diens auto naar de Expo werd gevoerd, zijn commentaar op de journalistieke gewrochten van Buysse over de Wereldtentoonstelling kort en bondig formuleerde als “zeveraar”!
EEN GEDEELDE STAD
Hoe dan ook, “De gedeelde stad” zou als titel dezelfde lading moeten dekken als de slagzin “Gent heeft geen gezicht”, waarmee cultuurfilosoof Bart Verschaffel zijn inleidende bijdrage op het fotoboek aanvat. Geef toe, deze slagzin is enigszins dubbelzinnig (in een pamflet misbruikten de CVP-jongeren hem dan ook als een aanval op het SP-PVV-stadsbestuur) en kwam als titel zeker niet in aanmerking.
Toch zit er een grond van waarheid in die niet eens negatief is, maar juist de charme van Gent uitmaakt. “Brugge houdt zichzelf en anderen het beeld voor van ‘historische stad’,” schrijft Verschaffel, “Antwerpen is een ‘cosmopolitische havenstad’, Leuven is een ‘universiteitsstad’.” Gent eist geen enkele van deze kwalifikaties op en beantwoordt er tegelijk toch aan. Vandaar: “Gent heeft geen (specifiek) gezicht”.
Dit boek wil dus de stad Gent in haar vele verschijningsvormen tonen en meteen ook “de stad” als zodanig. Dit heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis van dit boek.
Aansluitend bij de stedebouwkundige wedstrijd “Pit in de kern” (1988) gaf toenmalig minister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Pede aan de Koning Boudewijnstichting immers de opdracht een concept voor een fotoboek over de kwaliteiten van de stad uit te werken.
Het boek moest meer zijn dan een klassieke, toeristische publicatie, het moest oog hebben voor de levende stad in al haar facetten, voor de mensen en de activiteiten in de stad. De onderliggende bedoeling was het stedelijk wonen en leven te propageren, een halt toeroepen aan de uittocht naar de voorsteden dus, de zogenaamde “suburbanisatie” van onze steden, met vooral in de jaren vijftig en zestig stadsverval, verkrotting en grootschalige vernieuwing als gevolg.
De Koning Boudewijnstichting verkoos dit concept uit te werken voor één stad, om zo de veelzijdigheid van de stad te kunnen tonen. Een synthese van stadsbeelden is immers niet voldoende om een stad te beleven: de contrasten en de samenhang tussen beelden worden pas sprekend als ze betrekking hebben op één reële stad.
Waarom dat dan precies Gent werd, daarover werden op de persvoorstelling wel allerlei grapjes gemaakt (“de Gentse lobby in de Koning Boudewijnstichting”) zonder dat er een echt duidelijk antwoord kwam, maar gezien het veelzijdige karakter van Gent lag dit misschien voor de hand. Hoe dan ook, al wie Gent liefheeft kan met dit boek maar best tevreden zijn.
Na de inleidende beschouwingen van Bart Verschaffel, waaruit o.a. mag blijken dat “door haar uitgestrektheid Gent ingrijpende en soms brutale veranderingen heeft kunnen absorberen en op die manier wonderlijk gaaf is gebleven”, volgen een aantal stedelijke excursies van ingenieur-architect Mil De Kooning. Met oog voor het detail wordt telkens een indringende impressie van een stadsdeel uitgewerkt: het centrum, Gent-Zuid, de Sint-Machariuswijk, de stadsrand, Muide en Meulestede. Telkens verhaalt de auteur het ontstaan en de evolutie, de problemen en de mogelijkheden, de vergissingen en de uitdagingen van elk gebied.
“De stad is een collage,” schrijft De Kooning, “Ze is niet gaaf, niet af. Een stad vraagt om bescherming, om behoud, maar ze vraagt ook om verandering.” In de laatste bijdrage “architectuur en stad” behandelt De Kooning dan ook deze spanning tussen verleden en toekomst. De tekst is een betoog voor goede architectuur, voor “gebouwen die onvervaard en met persoonlijkheid een gesprek kunnen aangaan met zichzelf en met de stad”.
EEN REBELSE STAD
Het boek van het Mercatorfonds daarentegen heeft als ondertitel “Apologie van een rebelse stad” meegekregen en die is waarschijnlijk afkomstig van de samensteller, stadsarchivaris Johan Decavele. Deze heeft in 1984 immers nog een tentoonstelling over Gent in de 16de eeuw opgezet onder de titel “Het einde van een rebelse droom”.
Gent speelde als calvinistische republiek echter niet enkel een leidinggevende rol in de opstand tegen het Spaanse gezag in die tijd, reeds in 1128 werd er hier geschiedenis geschreven toen een woordvoerder van de bevolking de graaf van Vlaanderen ter verantwoording riep voor zijn onrechtmatige beleid. Deze man stelde voor dat vertegenwoordigers van de Gentse bevolking zouden oordelen of de graaf na al zijn schendingen van het geldende recht nog wel verder zou mogen regeren, dan wel of hij verplicht moest worden het land te verlaten, zodat de vertegenwoordigers een betere kandidaat zouden kunnen aanduiden.
Ook in de 13de eeuw, toen Gent uitgroeide tot de belangrijkste industriestad van West-Europa, was de stad een voorloper in het gebruik van de volkstaal in officiële documenten en dat ten nadele van het Frans dat gebruikelijk was bij de elite (met de door Conscience nochtans zo geroemde graven van Vlaanderen op kop) en van het Latijn in kerkelijke middens.
Met de kerkelijke instanties ging Gent in die tijd trouwens meteen ook reeds een “schoolstrijd” aan, aangezien de stedelijke overheid het kerkelijke monopolie op het onderwijs doorbrak. En nog in deze zelfde periode verwierven de ambachtslieden in de naweeën van de Guldensporenslag (die eerder een sociale dan een nationale strijd en zéker geen taalstrijd was) een medezeggenschap in het stadsbestuur dat nergens in Europa werd geëvenaard.
Gent zal trouwens steeds een koppositie blijven innemen wat het industrialiseringsproces betreft, niet alleen op het vlak van modernisering en/of mechanisering (denken we maar aan Lieven Bauwens), maar ook of zelfs vooral op het vlak van de sociale gevolgen die dergelijke veranderingen met zich meebrachten. Zo is Gent ook de bakermat van het socialisme in Vlaanderen.
Dit alles “en nog veel meer” lezen we in het eerste gedeelte van dit majestueuze boekwerk dat de geschiedenis van de stad Gent behandelt. Naast Decavele zelf treffen we als auteurs o.m. ook nog aan: Adriaan Verhulst, Walter Prevenier en Ludo Milis, terwijl de voorgeschiedenis (de prehistorie en de Romeinse periode) uitgebreid en deskundig belicht wordt door Marie Christine Laleman en Hugo Thoen. Op een manier die we eerlijk gezegd niet voor mogelijk hielden, worden hier zowel de verlangens van een groot publiek als van geïnteresseerde wetenschappers vervuld.
Het laatste hoofdstuk van dit deel is voorbehouden voor prof.Herman Balthazar (die zijn bijdrage had toegezegd nog voor hij provinciegoeverneur werd). Het is een erg “kleurrijke” beschrijving geworden, die ons echter wel een beetje op onze honger laat omdat ze reeds in 1940 wordt afgebroken. De echt “hedendaagse” geschiedenis wordt ons dus onthouden, ook al mag Gilbert Temmerman, de eerste socialistische burgemeester van Gent, toch reeds een kleine bijdrage leveren nog voor het “voorwoord” (van prof.Van Caenegem). Gaston Geens zorgt dan met een “nawoord” voor het politieke evenwicht…
Het tweede deel is gewijd aan de kunstgeschiedenis. Elisabeth Dhanens behandelt de plastische kunsten tot 1800 en Robert Hoezee en Bart De Baere (twee medewerkers van Jan Hoet die zelf “geen tijd had”) brengen ons naar de dag van vandaag toe (en deze keer wel heel letterlijk: de allerrecentste ontwikkelingen zijn reeds vertegenwoordigd). Dezelfde scharnierdatum werd gekozen voor de behandeling van de “kunstnijverheid”, resp. door Erik Duverger en door Lieven Daenens, maar bij nader toezien is deze opsplitsing in “echte” en “toegepaste” kunst niet steeds even bruikbaar. Twijfelgevallen zouden op de koop toe eventueel nog terecht kunnen in het vijfde deel, dat gewijd is aan de architectuur en waarvoor Geert Van Doorne tekent als auteur.
Het muziekleven, beschreven door Micheline Lesaffre, is een ontgoochelende oppervlakkige opsomming, waarin dan nog figuren als Karel Waeri of Walter De Buck ontbreken (niet deftig genoeg?) om natuurlijk nog te zwijgen over een eventuele bijdrage over popmuziek!
Professor Van Elslander van zijn kant heeft in zijn goed gedocumenteerd stuk over de literatuur dan weer wél aandacht voor de volkse aspecten, maar net zoals bij prof.Balthazar wordt ook hier de draad veel te vlug afgebroken. Dat de naam van Hugo Claus enkel opduikt in een “kritisch overzicht van de literatuur” (naast een vermelding als plastisch kunstenaar) is toch echt wel onverantwoord.
De voornaamste verdienste van dit werk ligt dus zeker bij het prachtige documentatiemateriaal dat werd verzameld door An Delva en Patrick Viaene. Met zijn bijna 700 prenten is het boek trouwens het rijkst geïllustreerde werk geworden van het Mercatorfonds en dat wil wat zeggen!
De prijs is dan natuurlijk in verhouding, maar anderzijds mag men dit soort boeken niet vergelijken met de manier waarop men zich vlug even een pocket of een bestseller gaat aanschaffen. Als geschenkboek kennen beide boeken echter huns gelijke niet.
Zij het dat het beter is ze te ontvangen dan ze te moeten geven…
KONINKLIJKE ACADEMIE VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE
In 1603 werd in Rome de eerste Academie gesticht. De “Accademia dei Lincei”, letterlijk vertaald: van de lynxogigen, wat stond voor “scherpzinnige onderzoekers”. Het was inderdaad een refleks tegen de verketteringen die wetenschapslui vaak moesten ondergaan. In het midden van de zeventiende eeuw volgden nog de Royal Society of London en de Académie Française. Pas in 1772 was het de beurt aan Brussel. Uiteraard was die eentalig Frans, zodat de eer van de eerste Vlaamse academie te beurt valt aan Gent in 1886 (al zou uiteindelijk enkel de Nederlandse Taal- en Letterkunde er worden beoefend en niet de andere wetenschappen). Toen werd dankzij de steun van eerste minister August Beernaert uiteindelijk toch de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde opgericht, gevestigd in Gent in het rococo-hotel van architect David ’t Kint, gebouwd op de resten van het Dammansteen of het Huis van Oombergen (de middeleeuwse patriciërsfamilie Damman werd in de 16de eeuw de heren van Oombergen) in de huidige Koningstraat 18 (een zijstraat van de Sint-Jacobsnieuwstraat). De Academie bestaat uit 30 leden (10 taalkundigen, 10 literatuurwetenschappers en 10 letterkundigen). Daarnaast zijn er 25 buitenlandse ereleden en een onbeperkt aantal binnenlandse ereleden, die voordien werkend lid zijn geweest. De Academie vergadert iedere derde woensdag van de maand.
Ook dat verwaterde zodat op een bepaald moment de stoel van vaste secretaris voor zeven jaar niet werd ingevuld. Pas eind 1997 werd dit ambt opnieuw opgenomen, door een Antwerpenaar dan nog wel, de linguïst Georges De Schutter. Toch draait de academie nog niet naar behoren. Voor 250 fr. als zitpenning haal je immers b.v. geen Hugo Claus binnen. Met de werkingsgelden wordt bijna uitsluitend aan tekstedities gedaan, b.v. de volledige bibliografie van Louis Paul Boon. Die armoedige toestand is te wijten aan het feit dat toen de academies onttrokken werden aan onderwijs, ze naar wetenschapsbeleid werden overgeheveld, behalve precies de Academie voor Taal- en Letterkunde die op de veel armere cultuurbegroting terechtkwam.

Ronny De Schepper

(*) Terloops dient erop gewezen de Reep of beter gezegd de Nederschelde van de negende tot de elfde eeuw de scheiding heeft gevormd tussen het Franse en het Duitse keizerrijk. Ik zou helaas aan de Duitse kant van de grens hebben gewoond…
(**) Op deze plaats moet ooit het Hof ter Wyngaarde (eigenlijk Wijdenaarde) hebben gelegen, een torenvormig gebouw te midden van een omgrachting. Wellicht gaat het terug tot de dertiende eeuw toen dit gebied (Overschelde) in 1254 bij de stad Gent werd gevoegd.
(***) Het is onduidelijk of Lousbergs er inspraak in had wie er zoal in de Keizer Karelstraat mocht komen wonen, maar alleszins is het een feit dat enkel de “fine fleur” van Gent er terecht kon. Typerend voor die tijd is wel dat naast edellieden (zoals baron Jules de Saint-Genois, tevens schepen en bibliothecaris), professoren (zoals die in nr.53) en industriëlen, er ook plaats werd ingeruimd voor kunstenaars, zoals de bekende architect Louis Minard, maar ook kunstschilder Felix De Vigne, die trouwens eveneens een “onderhuurder” had in de gedaante van een collega-schilder, Lieven de Winne. Honi soit qui mal y pense… Op zijn eigen huisnummer is ook lange tijd mevrouw Françoise Van Monckhoven gedomicilieerd. Zij was als meid opgeklommen tot de betere standen door het feit dat ze de moeder was van een onwettig kind van een (onbekend gebleven) rijke vader (Lousbergs zelf?). Naar deze zoon, Désiré, werd ondertussen zelf ook reeds een straat genoemd, aangezien hij een pionier zou worden op het vlak van de fotografie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.