Het is vandaag 125 jaar geleden dat in Utrecht Willem Gerard Brill is overleden. Brill was hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht op het gebied van de Nederlands taalkunde en geschiedenis. Hij wordt in het Nederlandse taalgebied beschouwd als de vader van de zinsontleding. (Wikipedia)

De in het Nederlandse taalgebied gebruikelijke grammaticale ontleding is in de 19e eeuw ontstaan uit de traditie van de schoolgrammatica, waartoe Willem Gerard Brill met zijn Hollandsche Spraakleer (1846) als een der eersten heeft bijgedragen. Decennia later verscheen de Nederlandsche spraakkunst van C.H. den Hertog (1892). Den Hertog verwerkte het tot een systeem van ontleden dat vooral didactisch gemotiveerd was. In navolging van Franz Kern (Deutsche Satzlehre) presenteerde hij de persoonsvorm als het centrale element in de zin.

Grammaticale ontleding of analyse is inderdaad de taalkundige discipline die de woorden en onderdelen binnen een zin onderscheidt en deze benoemt. De kleinere woordgroepen binnen de zin worden ook wel zinsdelen genoemd, de categorieën waarin de woorden afzonderlijk kunnen worden onderverdeeld de woordsoorten. Ontleden geeft inzicht in zinnen en patronen en is daardoor onder meer van belang voor goed taalgebruik. Ook bij het interpreteren van teksten is het kunnen benoemen van zinsdelen van belang. Daarom is het wraakroepend dat in het kader van de taalverloedering in het verlengde van de zogenaamde vereenvoudiging van de spelling (in de praktijk gewoon een loslaten van alle principes) de veronachtzaming van de zinsontleding (b.v. bij het laten verdwijnen van de dt-regel) nog veel erger is dan de principiële luiheid waarbij men uitgaat in het kader van de spellingshervorming. Hier reflecteert de spelling immers bepaalde denkpatronen en als men die laat varen is het hek van de dam. Zoals iemand schreef: er is een groot verschil tussen beschuldigt en beschuldigd!

Maar goed, laten we ervan uitgaan dat er toch nog leerlingen zijn die af en toe eens iets opzoeken over zinsontleding op het internet en dat ze dan bij mij terecht komen. Van wat moeten ze dan steeds uitgaan? Van het vervoegde werkwoord!
De kern van de zin wordt immers gevormd door het onderwerp (subject) en het vervoegde werkwoord.
Ook de voorwerpen zijn vaak noodzakelijke aanvullingen, dat is het geval bij het lijdend, het meewerkend en het voorzetselvoorwerp, maar minder met het handelend voorwerp, dat sommige taalkundigen eerder bestempelen als een bijwoordelijke bepaling van handelende persoon. Bijvoorbeeld:
De vijand beschoot. (Wie? Lijdend voorwerp)
Jan gaf het boek. (Aan wie? Meewerkend voorwerp)
België grenst. (Aan wat? Voorzetselvoorwerp)
De zieke wordt opgegeven. (Door wie? Handelend voorwerp)

1.Lijdend voorwerp of object
Benaming: het LV ondergààt de handeling, vandaar dat het onderwerp wordt in het passief.
Let op met scheidbare werkwoorden. Bijvoorbeeld:
De criticus haalde de schrijver zelf aan. (De schrijver zelf = lijdend voorwerp)
Tip: eigenlijk kan men dit gemakkelijk vaststellen als men de zin in het passief zet.
Let op met uitdrukkingen. In bepaalde uitdrukkingen kunnen onovergankelijke werkwoorden een pseudo-LV hebben. Bijvoorbeeld:
Het sneeuwde confetti.
Het regende pijpestelen.
Waarom pseudo? Kan niet naar het passief worden overgezet.
2.Meewerkend voorwerp
Ingeleid met “aan” of “voor”.
Let wel op voor verwarring met bepaalde voorzetselvoorwerpen. Bijvoorbeeld:
Hij geeft bloemen aan zijn verloofde (MV).
Hij denkt aan haar (VV).
Hij koopt een geschenk voor zijn verloofde (MV).
Hij voelt veel voor haar (VV).
3.Voorzetselvoorwerp
We spreken van een VV in het geval van een vast voorzetsel bij werkwoorden, maar ook bij een koppelwerkwoord plus gezegde. Bijvoorbeeld:
Hij is belust op zijn geld.
Let op (1): werkwoordelijke uitdrukkingen (dit zijn werkwoorden met een niet-werkwoordelijk deel) kunnen verwarring met het voorzetselvoorwerp veroorzaken. Bijvoorbeeld:
De criticus haalde het werk over de hekel (eigenlijk een vlaskam, dus puntig, stekelig).
Hij rijdt reeds lang op ieders tong.
Tip: meestal zijn dergelijke uitdrukkingen figuurlijk.
Als ze letterlijk te nemen zijn, dan spreken we over een bijwoordelijke bepaling van plaats of van richting. (Waarom? Omdat ze geen vast voorzetsel zijn.)
Let op (2): eenzelfde werkwoord kan veschillende “vaste” voorzetsels hebben. Bijvoorbeeld:
Hij wedijvert in vlijt met zijn broer.
Hij lijdt aan zijn maag.
Hij lijdt onder de verdenking.
Hij gelooft aan spoken (het bestaan ervan).
Hij gelooft in zijn vriend (vertrouwen stellen in).
Hij is tevreden over zijn ploeg.
Hij is tevreden met de uitslag.
Let op (3): een VV kan voorkomen nààst een LV. Bijvoorbeeld:
Hij voelt veel (genegenheid, liefde) voor haar.
“Voor haar” is wel degelijk een VV (en geen MV) want “voor” kan in geen enkel geval – zelfs niet door omwisseling met het LV – wegvallen.
Let op (4): een VV kan ook voorkomen bij wederkerende werkwoorden. Bijvoorbeeld:
Hij schaamt zich over zijn misdaden.
Hij schaamt zich voor zijn broer.
Let op (5): men spreekt over een “voorlopig VV” in volgende gevallen:
Ik twijfel eraan of hij wel zal komen.
Let op (6): in het omgekeerde geval spreekt men over een “herhaald VV”:
Of hij komen zal, daaraan twijfel ik.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.