De winter moet toch zowat het meest geschikte seizoen zijn om je terug te trekken in je eigen eenzame plekje, knus, warm, afgesloten van de wereld. Het begint al in de herfst, wanneer de dagen donkeren, de avond vroeger start, het buiten al eens durft regenen, hagelen, bliksemen, stormen. Veilig in het nestje kruipen. Geïsoleerd. Ogen en oren dichtstoppen. Al moet ik het, uit eigen prilste ervaring puttend, enigszins weerleggen – of bijsturen. Uit mijn eerste levensjaren weet ik niet meer te putten maar toen we zo rond mijn vijfde levensjaar naar een eigen woning verhuisden (nu ja deze van mijn ouders) kwam ik terecht in een kamertje met roze muren. Eén muur voorzien van Sneeuwwitje en haar mannelijke fans, geschilderd naar het Disneymodel door mijn oudere kunstzinnige broer. Het ideale oord voor een schuilhoekje, weggedoken in mijn kinderbedje. 

Zo herinner ik mij levendig hoe ik mij onder de lakens en het deken verschuilde terwijl regen op het raam kletterde, hagel het glas teisterde. Dat ik luisterde naar en genoot van de donderslagen, hoe ze langzaam naderden, boven mijn hoofd bonkten en ik hen liet wegsterven. Maar ik kon me eveneens op een gelijkaardige wijze in mezelf terugplooien wanneer het zomerde. Het hoefde niet zo’n bars en dreigend weer te zijn. Dagen dat ik in mijn bedje gestopt werd op een uur dat het buiten nog te licht was; tegen de natuur, wie gaat dan al slapen, zijn ogen sluiten? Ik dus blijkbaar. Of toch niet. Heerlijk was het. Ik zonderde mij af. Deels. Want terwijl ik mij knus afschermde van de dag, van al de uren die voorbij waren, van de drukte die mij niet steeds zinde, begon ik te genieten van de stilte in die kamer, van de rust. Versterkt door het besef dat elders in huis het leven, de herrie nog een poos verderging. Wat ik af en toe kon vaststellen, er waren geluiden; uit de keuken, de vaat. Er klonk het gerammel van een emmer op de binnenplaats. De radio, ik herkende Caterina Valente. Steevast het dreunen van de trein op nauwelijks honderdvijftig meters afstand van mijn nog kleine buis van Eustachius. Ik kroop dieper weg in mijn holletje, dat dan gevormd werd met een luchtig lakentje – het zomerde. Zelfs met de overgordijnen gesloten, het laken over mijn hoofd getrokken – in dit gereduceerde wereldje bestond niemand meer, kon niets me nog bedreigen – drong het stervend daglicht nog gefilterd door de tint van het linnen binnen. Toverde mijn cosy hokje om tot een sprookje, ondoordringbaar, bereid om me alle avonturen te laten beleven die ik uit de dag had meegenomen. Zou die drang naar een eigen wereld, naar eenzaamheid de jaren overleven. De puberteit drong zich op. Meer dan het vorderen der seizoenen en jaren: ik palmde een andere kamer in.     

Een echte veroveringstocht was het niet. Mijn broer kwam op de (on)zalige idee het huis te verlaten. Hij had daar voor zichzelf een min of meer grondige reden voor gevonden, de huwelijkse staat. Wat ik met lede ogen aanzag. Het enige goede dat ik uit de brand wist te slepen was dus mijn verhuis naar die andere, beduidend grotere kamer. Die zich aan de straatkant bevond – geen uitzicht meer op binnenplaats en tuin, geen geluiden meer uit keuken, niet meer het gedender van de trein. Wel vreemde (snel identificeerbare, deze van de buren) stemmen, auto’s. Meubilair, een boekenkast, een ruim bureau en vooral: een brede zitbank die omgevormd, ten gepasten tijde (bij voorkeur ’s nachts) een comfortabel bed werd. Zou dit geschikt zijn als nieuwe locatie om te dienen als schuilhoek? Belangrijker, zou mijn relatieve rijpheid het verlangen naar en de mogelijkheid tot het creëren van dergelijk vluchtplaatsje overleefd hebben? Ja hoor, weze het op enigszins andere wijze. Nadat iedere avond de taken vervuld waren, wat deze ook waren, meestal het opgelegde ‘huiswerk’, studeren voor een geplande toets, of kijken naar een leuk programma op de televisie, werd de bank uitgeklapt en kwam het bed tevoorschijn. Quality time! Onder laken of warmer deken duiken, licht uit – een straatlantaarn bood voldoende schijn. Enige gezelschap, een transistorradio merk Grundig, één der eerste die in het land arriveerden. En op welke wijze! Min of meer illegaal. In een vrachtwagen vol decorstukken van de plaatselijke toneelkring, verzegeld door de Belgische Krijgsmacht – l’Armée Belge, kazerne Hittfeld, Duitsland waar men een toneelstukje was gaan presenteren (verbroedering!) – geen douanecontrole dus en die wagen zat volgestouwd met producten die goedkoper waren over de grens, leve de culturele uitwisseling… Daar lag ik dus, knus, de volumeknop niet te ver doorgedraaid (de oudjes dienden geen weet te hebben van dit laatavondlijk vertier hoe onschuldig ook. Het toestelletje dat zo al niet massaal veel decibels produceerde lag genoeglijk te grommen en te brommen op mijn buik. Meestal in het Frans. Afgestemd op de zenders Europe Nr. 1 of France Inter. Die al eerder aan bod kwamen in deze Hoekjes. Inclusief de daar vaak gedraaide iconen, Françoise Hardy, Sylvie Vartan, Johnny Halliday, enfin de hele rits vedetten uit die jaren. Soms dwaalde ik af en werd ik ontrouw, dan luisterde ik op een blauwe maandag of groene woensdag wel een uurtje naar Veronica. Om niet helemaal van de omringende schoolwereld te vervreemden en de Britse pop eens een keertje in de originele versie te beluisteren, want Dick Rivers of Sheila – de klankkleur bleek toch anders. En ‘Si jétais un charpentier’ van Tim Hardin, of ‘Du respect’ van Otis Redding’ en ‘Je veux te graver dans ma vie’ door The Beatles, Hallyday bezit een fraai stemgeluid maar toch… En Richard Anthony die het heeft over ‘La terre promise’ wanneer The Mama’ and the Papa’s ‘California dreamin’ zingen, het is toch een ietsepietsie anders. Maar ja, ik was verslaafd aan ‘Salut les copains’, niks aan te doen. Zodoende heb ik gedurende jaren van mijn puberteit de uren tussen dag en nacht in alle ondoorgrondelijke kuisheid doorgebracht in mijn onbezoedelde nestje, met Franse liedjes, dromend over Françoise, Sylvie, Barbara, Marie Laforêt, France Gall.
Ach een mens wordt ouder. Volwassen naar men zegt. De kans bestaat dat het onheil hem bij de lurven vat. Hij vestigt zich. Hij bindt zich. Huwt bijvoorbeeld. Of niet. In ieder geval verlaat hij op een onbewaakt moment, een ogenblik dat zijn geest alle grenzen van het verstand gesloopt had, dat alle barrières van het nuchtere denken wegvielen, zijn gelukzalige staat van eenzaamheid. Hij is nu met twee. Hij of zij heeft duurzaam gezelschap. Wat aan te vangen met dat zo geliefde en gekoesterde schuilhoekje? Je zal mij hier niet zien fulmineren tegen de huwelijkse staat noch een pleidooi houden voor het vrijgezellenbestaan. Maar het is een feit, de mooiste uren van het leven raak je kwijt. Het in jezelf verkeren, solitair snuffelen in de vierkante centimeters die je omringen, kijken wat in dat hoofd van jou zit terwijl nergens iemand op de loer ligt. Aha, ik zie het u denken, er is een ruil. Een voordelige ruil. Met dat verliefde hoofd zie je het voor je. Het ideaalbeeld. Wat vroeger alleen kon, kan nu met twee. Dubbelop toch. Zo zie je het toch in films, zo wordt het voorgesteld in reclames, in de maatschappij… gaat het er niet bij iedereen zo aan toe. Knusjes samen op de bank, glaasje wijn (of cola), zakje chips (of nootjes), afstandsbediening in de hand, andere hand in een andere hand (de vierde hand grabbelt naar de chips), en uiteraard onder een fleecedeken. Het nieuwe schuilhoekje is gecreëerd. Kan het beter? Vergeet het, dit is helemaal niet wat jij je herinnert van dat fijne op jezelf betrokken hoekje in je geest. Al kan ik er persoonlijk niet veel over spreken. De omstandigheden waren niet gunstig. Vermits ik naast de beroepsbezigheden om den brode ’s avonds steevast de hort op was – stel u geen wilde taferelen voor – zat ik nooit met mijn hand in een zakje paprikachips te graaien. Ik was aan het regisseren of zat theater te kijken om te recenseren of te schrijven – helaas geen gezelschapsdier op de canapé dus.
En wanneer je dan, een twee-eenheid geworden, ’s nachts in bed ligt. Uiteindelijk, enfin ja, is het ogenblik van slapen aangebroken. De sluimer. Deken over oren en ogen. Naast jou voel je de aanwezigheid. Hoor je de ademhaling. Denk je echt dat dit hét ogenblik is om die schuilhoek, een verre herinnering geworden inmiddels, opnieuw te creëren? Natuurlijk niet, uitgeput. En die aanwezigheid is een stoorzender. Bovendien is het echte leven waar jij je hebt ingestort gevuld met zoveel beslommeringen dat ze domineren; allerlei gedachten, platvloerse vragen bestormen je en verhinderen een inkeer tot jezelf, dat knusse naar het ik terugplooien. Het schuilgaan in die andere warme veilige wereld. Nee, de realiteit, het alledaagse is te dwingend. Het verdringt elke poging om weg te kruipen in dat mysterieuze gebied van ooit. Geen nood evenwel, daar is de oude dag die aan de deur klopt en de nefaste avondactiviteiten vallen weg. Ze ruimen eindelijk baan voor die knusse twee-eenheid, die bubbel met de compagne van jaren. Eilaas! Het glaasje wijn werd door de dokter verboden. Net als het vet- en zoutgehalte van de chips. De nootjes? De helft van de tanden zijn fake en dreigen hun territorium te verlaten bij te driest geknabbel, de resterende rammelen er duchtig protesterend op los indien ze tot dergelijke dwangarbeid gesommeerd worden. Het ‘bakske’ is al jaren in handen van de partner en met haar/hem vergroeid, net als de programma’s. En handjes liefdevol vasthouden, die reumaknoken zijn te pijnlijk en laten zich niet dwingen. Nee, schuilen met twee onder die fleece – je hebt er nu bovendien allebei één nodig, kouwelijk als jullie zijn…
Komt er dan een dag dat je – het lot beslist – tenslotte alleen overblijft, en dus de kans schoon ziet om je net als in de verre jonge jaren in je uppie terug te trekken; te genieten van dat schuilplekje in je geest. Dat is nog maar af te wachten. Te betwijfelen. Want dan slaan gemis en ledigheid toe. Dan blijkt plots dat iedere terugkeer naar dat plekje dat zo gekoesterd werd een reis naar een duister oord is. Waar het niet zo rustig, niet zo veilig is. Het nestje is een onherbergzame, koude wereld geworden, waar je met kilte en eenzaamheid geconfronteerd wordt. Dus tracht je op de vlucht te slaan, te ontsnappen. En stel je vast dat je deze keer niet ontkomt. Wat ooit zo genoeglijk was, wat je ooit koesterde, het heeft zich tegen jou gekeerd. Dus strompel je maar verder met de herinnering aan de kinderkamer met de dwergen op de muur en het onweer buiten, aan de radio die Françoise Hardy laat zingen over ‘La maison où j’ai grandi’. In dat huis zoek je nu vruchteloos naar een hoekje om te schuilen, beschutting tegen de pijn.                    

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.