Daniel Wallace (°Birmingham, Alabama 1959) schreef een achttal romans en meerdere verhalen. Hij is vooral bekend door zijn semi-autobiografisch werk ‘Big Fish: A Novel of Mythic Proportions’ (1998) (‘Grote vis’, uitg. Van Buuren, 1998). Het autobiografische schuilt niet in details betreffende zijn leven. Het behelst louter de relatie tot zijn vader, de grote vis, die in werkelijkheid zeer stroef verliep en die hij hier verwoordt. Of meer dan dat, die hij wenst te herstellen – over de dood heen. Zijn vader, een zakenman pur sang, was meestal uithuizig (buitenlandse reizen) en de band met Daniel was vaag, vrijwel onbestaand. Zijn zoon inlijven in de zaak bleek een mislukking, deze was niet geïnteresseerd. Hij werkte in een boekhandel, ging aan de slag als illustrator, om tenslotte na dertien jaren en een studie Engels en filosofie, professor literatuur aan de universiteit van North Carolina te worden.

‘Big Fish’ bestaat uit een heel aantal meestal korte hoofdstukken die verhalen over de vader (Edward Bloom in het boek), met daartussen gevoegd enkele terugblikken van zijn zoon William (zijnde de auteur) bij het afscheid van zijn stervende vader, al dan niet in het gezelschap van de moeder en de oude huisdokter. Het ganse verhaal is sprookjesachtig, mythisch. Edward Bloom drijft op de meest buitenissige anekdotes die hij steeds voor waar verkondigt, en op het vertellen van absurde grappen. Wat zijn zoon irriteert, de afstand tussen hen voortdurend vergroot. Terwijl de vader, geholpen door een uitstraling van charme, iedereen weet in te palmen. Langzaam, nu pas, doorziet de zoon een en ander. Hiermee wist zijn vader een afstand te creëren, het was “een emotioneel pantser, als bij een schildpad”. Hij gebruikte al die mythes om zichzelf te maskeren, het waren “laagjes façade, daaronder het schrijnende duistere oord dat zijn leven is”. Dat alles, al die te gekke taferelen die ons opgedist worden – en sprookjesachtig zijn ze! – werken als een schild tussen vader en zoon zodat deze laatste verzucht: “Genoeg verhalen, genoeg stomme grappen… gewoon even praten, van vader tot zoon”.
Alles wat Edward Bloom beleeft, of vertelde, het zijn sprookjesachtige vertellingen, dikwijls bevolkt met de meest gekke figuren. Een dame die oprijst uit de rivier en vaak in de vertellingen weerkeert, of Karl de Reus die hij met zachtheid tot overgave dwingt. Er zijn talrijke mythische plaatsen die hij bezoekt, het verdronken Achland, een circus, een ministadje, of hij koopt een volledig stadje op en vindt daar zijn eeuwige geliefde wonend midden een moeras om haar later aan dezelfde natuur te verliezen. William moet al deze ‘gekheid’, al deze fantasmen doorzien. Zijn het leugens? Of zijn de verhalen misschien substantiëler dan de realiteit? Wie is zijn vader, een gek, een held? Die stervende man van wie hij afscheid moet nemen. Die mentaal zo zwak is nu dat William bedenkt “Ik ben de vader geworden, hij de zwakke zoon”. Al die mythen, die stoere belevenissen, hanteerde hij dat beeld van zichzelf om zijn werkelijke persoonlijkheid, zijn kwetsbaarheid te maskeren. Om zich niet bloot te geven. Daar zit de zoon bij het sterfbed. “In het land van de stervenden worden zinnen niet afgemaakt, je weet hoe ze eindigen” klinkt het eerst. Toch is er toenadering, langzaam komt er inzicht. Hoe vertroostend zijn de woorden van een zoon: “Volgens mij is het zo dat je wanneer van iemand kunt zeggen dat zijn zoon van hem houdt, je hem mag beschouwen als een groot man.” Daarvoor heeft hij geen heldendaden, geen sprookjes nodig… 
‘Big fish’: “Een grote vis in een grote vijver – dat wilde ik worden. Dat wilde ik worden vanaf het allereerste begin” bekent Edward Bloom. Hoe zal hij sterven… als een mythe – en het is deze keer zijn zoon William die voor het sprookje zorgt, die de vertelling overneemt. In een bizarre autorit neemt hij zijn stervende vader mee naar het water waar hij deze toestaat zich er in te werpen, te verdwijnen in de golven, een vis te worden en weg te zwemmen… Wat een waardige finale, wat een eerbetoon, en een verzoening over de grenzen van de dood heen. Het sprookje leeft. De mythe wordt werkelijkheid en vereent vader en zoon.
In 2003 werd Big Fish verfilmd door Tim Burton met Albert Finney als Edward Bloom en Jessica Lange als zijn echtgenote. Wie duiken in de cast nog op, Danny De Vito, Loudon Wainwright III, Miley Cyrus… Tien jaren later bewerkte Andrew Lippa het boek tot een musical, zorgde voor tekst en muziek. In 2013 ging het in try-out in Chicago en de première volgde dadelijk in Broadway. Successen in Sydney en London, beide in 1917 konden niet achterblijven. Dit alles gaf de fantasierijke roman van Daniel Wallace een terechte duw in de rug. De roman verscheen inmiddels in achttien vertalingen.       

Johan de Belie

Een gedachte over “De schatkamer van Johan de Belie (7)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.