Nog van vóór “Dracula” (Bram Stoker, 1897) dateert een andere klassieke gothic novel “Dr.Jekyll and Mr.Hyde” van Robert Louis Stevenson, namelijk uit 1886. Stevenson schreef binnen drie dagen een eerste versie, naar verluidt als gevolg van een nachtmerrie, maar deze versie werd op advies van zijn vrouw vernietigd. De tweede en verbeterde versie ontstond eveneens in drie dagen. Het boek werd direct een succes, en is een van Stevensons populairste werken. Het boek is vooral bekend omdat het ingaat op het principe van een gespleten persoonlijkheid. (Wikipedia)

Stevensons vader was vaak afwezig (hij ontwierp en inspecteerde nadien vuurtorens) en zijn moeder had “zwakke zenuwen”, zodat hij ze niet mocht “storen”. Het gevolg was dat de kleine Robert werd opgevoed door zijn streng methodistische nurse, die hij “my second mother and my first wife” noemde! Deze zorgde met haar verhalen over hel en verdoemenis voor panische nachtmerries, die Stevenson zelfs als volwassene zouden blijven achtervolgen. Bovendien was Stevenson zelf ook ziekelijk, waardoor hij zijn avontuurlijke wensdromen projecteerde op zijn kleerkast, waarachter een paradijselijke wereld voor hem zou open liggen (“Treasure Island”!).
Niet alleen was dit dus voor hemzelf een symbool van de gespleten mens, ze kreeg nog meer symboolwaarde toen bleek dat de gerespecteerde meubelmaker zich ’s nachts tot een vrouwenmoordenaar ontpopte. Men dient zich dus niet meer af te vragen, wààr Stevenson de stof voor zijn roman heeft gehaald. Ondanks het feit dat zijn omgeving (zijn bazige Amerikaanse vrouw, die hij “mother” noemde, op kop) negatief reageerde op het boek (ze waren zich er klaarblijkelijk van bewust dat Stevenson hiermee een hint gaf dat in de gerespecteerde schrijver allerlei opgekropte frustraties scholen), was het een onmiddellijk succes. Het werd echter pas een “monstersucces” toen tegelijk met de creatie van de toneelversie door Richard Mansfield in Londen ook een nooit gevatte vrouwenmoordenaar actief was, die de geschiedenis is ingegaan als Jack the Ripper. De overeenkomst met de toneelversie was zo frappant dat de publieke opinie vond dat het stuk de moordenaar had geïnspireerd. Daarop gaf Mansfield nog een laatste benefietvoorstelling voor de bewoners van de getroffen East End buurt, waarna hij zijn succesproductie vrijwillig afvoerde, “omdat er in de realiteit al genoeg monsterachtige dingen gebeurden, zodat er op scène niets meer dient te worden aan toegevoegd.” Men zal zich dergelijke uitspraken ook voor de geest kunnen halen toen in 1996 in België de zaak Dutroux aan het licht kwam…

Zelfs Richard Mansfield zelf werd op een bepaald moment ervan verdacht Jack the Ripper te zijn en dat was eigenlijk een compliment voor ’s mans acteerkunst. En ook voor zijn belichter, want Mansfield slaagde erin de transformatie van Jekyll in Hyde te ondergaan op de scène zelf! En dit uitsluitend dankzij acteertalent en een handige combinatie van schmink en belichting. Met deze transformatie zou Mansfield trouwens de traditie creëren dat Jekyll en Hyde door één en dezelfde acteur worden vertolkt, ondanks het feit dat ze bij Stevenson nogal wat van uiterlijk verschillen en men zeker bij het filmen dus makkelijk twéé acteurs had kunnen nemen.

Zo is het lange tijd onverklaarbaar gebleven hoe in 1920 in de stomme film van John Stuart Robinson de acteur zonder coupure van gedaante kon wisselen. Pas na de dood van de “uitvinder” van dit sterk staaltje werd bekend gemaakt dat er met kleurenfilters werd gewerkt. Aangezien het uiteraard een film in zwart-wit was, kon men niet merken dat de acteur met groteske kleuren geschminkt was. Door de kleurenfilter te veranderen, verdween dus ook de eerste schminklaag om te worden vervangen door de andere. Simpel, maar ge moet er maar opkomen! (*)
Toch is het vooral de film van Rouben Mamoulian uit 1932 (met Fredric March) die indruk maakte. Mamoulians derde film wordt veelal beschouwd als een van de interessantste en sterkste verfilmingen van het klassieke werk van Robert Louis Stevenson. Mamoulians “Dr.Jekyll and Mr.Hyde” werd gedraaid nog voor de verscherping van de productiecodes in Hollywood (1934). Wat ook te merken valt aan de scherpe, suggestieve seksuele kracht in de film. Voor deze film deed de regisseur beroep op het schitterende camerawerk van Karl Strauss, die eerder instond voor de fotografie van Murnau’s “Sunrise”. Deze productie is een mooi voorbeeld van hoe sterk Paramount in de jaren ’30 nog beïnvloed was door Europees (vooral Duits) vakmanschap. Dit kwam vooral schitterend tot uiting in het horrorgenre, dat slechts eenmaal door Mamoulian werd bezocht.

Victor Fleming draaide in 1941 met Spencer Tracy een meer “psychologiserende” versie. En Stephen Frears (samen met scenarist Christopher Hampton en John Malkovich in de rol van de dokter) ging nog een stapje verder. Hij wilde helemààl niets meer vandoen hebben met een horrorfilm. Hij zocht het meer bij de angsten en psychosen die Sigmund Freud trachtte bloot te leggen. Freud achterna wordt de huiver niet meer in externe omstandigheden gezocht (vampiers en tutti quanti), maar in een interne ziels- of geestestoestand (paranoia, schizofrenie en andere diverse vormen van psychose). Als men de freudiaanse toer opgaat, dan komt men natuurlijk dicht in de buurt van de meer realistische thriller.
Wie wél een populaire vertaling wil van “het kwaad” dat zich als Groot Groen Monster openbaart, kan uiteraard terecht bij de TV-serie “The Hulk”. Hier gebruikte men overigens wél twee personen: acteur Bill Bixby (1934-1993) en bodybuilder Lou Ferrigno (°1951).

Verder heeft Mansfield ertoe bijgedragen dat de setting verhuisde van Edinburgh naar Londen, dat Jekyll met korte “e” werd uitgesproken i.p.v. met “ie” zoals in het Schots (want Stevenson had zich gebaseerd op de uitdrukking “hide and seek”) en tenslotte werd het misogyne karakter nog wat beklemtoond, ook al vinden sommige “schriftgeleerden” dit ook reeds in de tekst van Stevenson zelf terug. Men spreekt dan zelfs van zijn latente homofilie…

In 1994 draaide Stephen Frears in Engeland (maar in opdracht van de Hollywoodstudio TriStar) “Mary Reilly” naar “Dr.Jekyll and Mr.Hyde”, maar dan verteld vanuit het standpunt van de meid (Julia Roberts), zoals in de gelijknamige roman van de Amerikaanse Valerie Martin.

Na Dr.Jekyll verscheen in 1887 She (Rider Haggard)
Thuis (Anton Tsjechov)
1888 De vrouw van de zee (Henrik Ibsen)
Le culte du moi (Barrès)
1889 Eline Vere (Louis Couperus)
1890 Hedda Gabler (Henrik Ibsen)
1891 Lettres de femmes (Proust)
The picture of Dorian Gray (Oscar Wilde)
1892 Bouwmeester Solness (Henrik Ibsen)
Lady Windermere’s fan (Oscar Wilde)
1893 A woman of no importance (Oscar Wilde)
Het recht van de sterkste (Cyriel Buysse)
La paix du ménage (Guy de Maupassant)
Les origines de la France contemporaine (Hyppolite Taine)
Madame Sans-Gêne (Victorien Sardou)
Salomé (Oscar Wilde)
Widowers’ houses (George Bernard Shaw)
Winnetou II (“Old Shatterhand”, Karl May)
1894 Arms and the man (George Bernard Shaw)
Kleine Eyolf (Henrik Ibsen)

Ronny De Schepper

(*) Bij de talloze “mindere” vertolkingen van de Dr.Jekyll-rol noteren we o.a. ook niemand minder dan Stan Laurel in een stomme film uit de jaren vóór hij aan Oliver Hardy werd gekoppeld.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.