Op 1 januari 2001 leidde Nikolaus Harnoncourt het nieuwjaarsconcert in Wenen. Op 1 januari 2001 begon ook de 21ste eeuw, ook al werd die uit puur ongeduld reeds op 1 januari van het jaar 2000 ingehaald. Toch was deze datum ook symbolisch: met de Paus van de zogenaamde historische uitvoeringspraktijk aan het hoofd van één van de traditionele pijlers van de 20ste eeuw werd bewezen dat een pagina voorgoed werd omgedraaid. De klassieke muziek had haar nieuwe elan gevonden.

Johann Nikolaus Harnoncourt de la Fontaine und d’Harnoncourt-Unverzagt werd op 6 december 1929 (vandaar de naam Nikolaus trouwens) in Berlijn geboren als zoon van een burgerlijk ingenieur die echter liever musicus was geworden en op latere leeftijd dan toch nog de voldoening mocht smaken van het hoofd van de administratie cultuur te worden van Styria in Oostenrijk.
De jonge Nikolaus die in zijn jeugd vooral met Gershwin dweepte, studeerde vanaf zijn tiende jaar cello, eerst bij Paul Grümmer, nadien bij Emanuel Brabec in Wenen. Daar werd hij trouwens in 1952 lid van de beroemde Wiener Symphoniker op vraag van niemand minder dan Herbert von Karajan (toen een tiental jaren later Herr Von Karajan naar een standpunt over het werk van Harnoncourt werd gevraagd, sneerde hij: “Ah, die cellist die ooit nog bij de Wiener speelde”).
Beroemd, jawel, maar tevens een beetje het symbool voor zwaar romantische interpretaties van klassieke meesters. En zeggen dat Harnoncourt reeds in 1948 had kennisgemaakt met Gustav Leonhardt. Daarom is het niet helemaal onverwacht dat de jonge Harnoncourt reeds in 1953 met gelijkgestemde orkestleden, waaronder zijn vrouw, het Concentus Musicus Wien opricht voor de interpretatie van oude muziek op originele instrumenten. Doordat hij het in zijn hoofd haalde om in Wenen niet enkel de originele partituren en de oude boeken in de archieven grondig te bestuderen, maar ze met Concentus Musicus ook op die manier uit te voeren.
Uiteraard kon een conflict met de uitvoeringspraktijk van de Wiener niet uitblijven: “Het verschil tussen wat ik moest of mocht spelen en wat ik in de partituur las was uiteindelijk voor mij de reden om het orkest te verlaten,” vertelt Harnoncourt aan Stephan Moens in De Morgen van 3/10/1997. Dat was in 1969 en de aanleiding was de symfonie in g van Mozart en de Matthäuspassion van Bach, maar wie de respectievelijke dirigenten waren, waarmee hij in de clinch ging wil hij zelfs aan Stephan niet kwijt.

En nochtans was hij met Stephan erg close, of nog eerder met zijn vrouw die les gaf in Wenen (wellicht over de historische uitvoeringspraktijk, maar dat ben ik niet zeker), dat mocht ik ondervinden in het Amsterdamse Concertgebouw, waar Harnoncourt een persconferentie had gegeven over de Schubert-symfonieën die hij met het Concertgebouworkest had opgenomen. Nadien werd er nog wat informeel doorgepraat en Stephan en zijn vrouw onderhielden zich lang en levendig met de maestro. Ik stond geduldig mijn beurt af te wachten, want alhoewel ik niet direct een vraag voor hem had, wilde ik hem toch even de hand schudden. En zo gebeurde ook, waarbij Harnoncourt uiteraard zeer verbaasd was dat er na zo’n langdurig gesprek gewoon een pipo langs kwam die hem alleen maar de hand wou schudden…

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.