Een oudejaarsavond hoeft niet duur te zijn. Zoals je op de foto kan zien, zijn “Teenage Mutant Ninja Turtles” reeds tevreden met een pizza. Zij vieren daarmee het feit dat 1990 voor de film het jaar van de strip was. Maar in Vlaanderen wil dat niet echt lukken. Een jaaroverzicht met misschien toch wel minder ups dan downs.

In de Verenigde Staten begon dit strip-filmjaar met “Dick Tracy” (bij ons was de film iets later te zien, maar wij hadden dan ook “Koko Flanel” en is Urbanus soms geen stripfiguur?) en nu gaan we de feestdagen tegemoet met de “Teenage Mutant Ninja Turtles”. Daar tussenin lagen allerlei producties die zich eveneens op strips beroepen.
Hier in Vlaanderen kunnen we echter niet stellen dat deze stripstijl ook echt aanslaat. Ik verwacht zeker niet dat de “Turtles” zo’n rage zullen veroorzaken als ze naar verluidt in de V.S. deden. De inside-jokes zijn voor Europeanen trouwens nauwelijks te vatten; persoonlijk heb ik enkel moeten lachen met een verwijzing naar “Moonlighting”, het feuilleton met Bruce Willis en Cybill Shepherd dat toch ook hier wel bekend is, al doet de vertaler zijn best door bepaalde grappen naar het Vlaamse publiek toe te vertalen (zo duikt b.v. Walter Capiau ergens in de tekst op).
Trouwens ook “Dick Tracy” heeft ondanks Madonna niet zo’n potten gebroken als de industrie had gehoopt. Het lijkt me een beetje een herhaling van het “Batman”-syndroom van vorig jaar, alleen kan men zich deze keer niet verschuilen achter het excuus dat jongeren beneden de zestien jaar de film niet mochten zien.
GEWELD
Die referenties naar strips hoor je vooral als het over geweldfilms gaat, zoals “Total recall” of “Robocop II”. Al heb ik het gevoel dat men daarmee vooral de blijkbaar onhoudbare geweldspiraal wat wil goedpraten. Sam Raimi, de regisseur van “Darkman” wijst er b.v. op dat het (afschuwelijke) geweld in zijn film eigenlijk te vergelijken is met dat in stripverhalen “en dus niet zo erg is als het wel lijkt”. Zo kan je àlles goedpraten natuurlijk.
En dan nog. Denk maar even terug aan de discussies over de “Tom and Jerry”-tekenfilms, waarbij kleine kleuters elkaar wel eens met een hamer plegen te lijf te gaan, omdat Tom Cat gewoon eens even scheel kijkt als Jerry the Mouse hem met zo’n doorslaand argument bewerkt. In de werkelijkheid is dat dan echter wel even anders…
Eenzelfde probleem hen ik ook met het geweld in “Teenage Mutant Ninja Turtles”. Daarin is er b.v. een “goede” hippie die het straatgeweld te lijf gaat met baseball-bats en hockeysticks als wapens. Zo klopt hij op een bepaald moment een snoodaard met een golfstick tegen het hoofd, zodat die net zoals een balletje in een mooie boog wegvliegt. “Ik zal nooit meer zeggen dat golf een saaie sport is,” is dan de obligate one-liner die volgt. Als ik zo iemand dan hoor beweren “My God, I hate punks”, dan lopen mij de koude rillingen over de rug, ook al behoor ikzelf dan tot de hippie-generatie die het met het punk-verschijnsel altijd wat moeilijk heeft gehad.
GANGSTERS
Striphelden zou ik ze niet willen noemen, maar in het verlengde van “Dick Tracy” zijn toch weer een boel gangsters de revue gepasseerd : “Goodfellas” van Martin Scorsese, “The Krays” van Peter Medak tot en met flauwe plezanten als Robert De Niro en Sean Penn in “We’re no angels”, Steve Martin en Rick Moranis in “My blue heaven” of zelfs Marlon Brando en Matthew Borderick in “The Freshman”.
En misschien kan men ook “Days of Thunder”, waarin Tom Cruise zijn pas verworven status als “ernstig” acteur (in “Born on the fourth of July”) weer te niet doet, als een filmversie van de Michel Vaillant-strip beschouwen.
SPOKEN
In het verlengde van het strip-escapisme ligt ook de belangstelling voor geesten, spoken en aanverwanten. Voor het leven na de dood, kortom. Er is natuurlijk het enorme succes van “Ghost” (met Patrick Swayze), maar daarvoor reeds was er “Always” van Steven Spielberg en “Heart condition” met Bob Hoskins.
In het horrorgenre heeft men uiteraard ook altijd belangstelling hiervoor aan de dag gelegd. In “Flatliners” b.v. wekken een aantal
medische studenten bij zichzelf hartstilstand op om op ontdekkingstocht te gaan in het schemergebied tussen leven en dood. In tegenstelling tot de romantische films als “Ghost” of “Always” zijn hun ervaringen hier echter huiveringwekkend en wordt er met vuur gespeeld. Hollywoodfilms hebben immers altijd met Goed & Kwaad-clichés gewerkt, maar aangezien dat bij cowboys en indianen nu niet meer zo voor de hand ligt en de evoluties in het oostblok al geen speculaties op dat vlak meer toelaten
(dat moest zelfs “The Hunt for Red October” ondervinden), gaat men nu net als in de jaren zeventig opnieuw op zoek naar de Boze in persoon, zijnde de duivel. William Friedkin haalde met “The guardian” zelfs nog eens herinneringen op aan zijn fameuze “Exorcist”.
STRIPTEASE
Daarnaast is er nog een andere vorm van “strip”, maar dan eerder in de betekenis van “striptease”. Erotische films zijn natuurlijk nooit weg te denken, maar dit jaar werd (weer eens) een poging ondernomen om de erotische film “respectabel” te maken. Dit eigenste blad heeft er ook uitvoering bij stilgestaan, maar zowel “Henry and June” als “Wild Orchid” haalden niet het niveau van hun respectievelijke voorgangers “The unbearable lightness of being” en “9 1/2 weeks”, terwijl ook op puur erotisch vlak klassiekers als “Histoire d’ O” van Just Jaeckin nog altijd niet worden bedreigd. Het beste op dat vlak was ongetwijfeld “Atame” van Pedro Almodovar, misschien ook omdat de erotiek hier meer in de fantasie van de kijker aanwezig is dan op het witte doek zelf.
CINEFIELEN
Over “klassiekers” gesproken, zelfs de troeteldiertjes van de cinefielen konden dit jaar niet overtuigen. Barry Norman (nog altijd zo niet de beste dan toch de spitsvondigste filmcriticus) maakte brandhout van Bertolucci’s “Sheltering sky”, het enthousiasme voor “Dreams” van Kurosawa was verre van algemeen en zowat iederéén viel over Fellini’s “Voce della luna” of Godards “Nouvelle vague”. Zelfs het nieuwe wonderkind Spike Lee verloor aanhang, juist op een moment dat hij bij het grote publiek naar méér succes hengelde.

“Mo’ better blues” was anderzijds op muzikaal vlak wel één van de betere films. Maria McKee mocht dan met “Show me heaven” uit “Days of thunder” nog een megahit scoren of er mochten weer tal van soundtracks met oude hits zijn (“Coupe de ville” b.v.) toch heb ikzelf heimwee naar “echte” filmmuziek. Het lijkt wel of John Williams (van de Steven Spielberg- en George Lucas-films) de enige erfgenaam is van Maurice Jarre, Ennio Morricone en consoorten.
RACISME
De oscar voor de filmmuziek werd dit jaar in de wacht gesleept door de componist van de soundtrack van de Disney-tekenfilm “The Little Mermaid”, net voor de neus van die van “Driving miss Daisy”, terwijl het hoofdpersonage in deze film, de meer dan tachtigjarige Jessica Tandy wél de hoofdvogel wegkaapte. De zwarte acteur Denzel Washington die voor “Glory” de oscar van de beste bijrol kreeg, vertolkt nu de hoofdrol in “Mo’ better blues”, een prent die precies tegen films als “Driving Miss Daisy” wil reageren. Regisseur Spike Lee vindt namelijk dat de anti-racistische boodschap in deze film ( de vriendschap tussen een oude joodse dame en haar zwarte chauffeur) eigenlijk precies een latent racisme verbergt: de nostalgie naar de goede oude tijd toen de zwarte zich nog lijdzaam aan de blanke onderwierp. Dit is in Lee’s films zeker niet langer het geval. Het spijtige is alleen dat hij (hoe begrijpelijk ook) in het andere extreem vervalt, zodat ook hij reeds van (weliswaar omgekeerd) racisme werd beschuldigd.
CLIPCULTUUR
Spike Lee is ook een kind van de videoclipcultuur. Zelf heb ik daar een gloeiende hekel aan, omwille van het gefragmenteerde, chaotische wereldbeeld, de snelle opeenvolging van een aantal lege cliché’s, die dan nog vooral aan opgroeiende jongeren worden voorgeschoteld. Uitzonderingen als de fameuze clip van Sinead O’Connor niet te na gesproken (maar die is dan juist ontzettend trààg en hoegenaamd niet typisch voor het genre, misschien daarom dat men hem de prijs van “meest postmodernistische clip” heeft gegeven, wat dat dan ook moge betekenen), zal men in mij dus geen verdediger van het genre aantreffen ook al is de meest bejubelde film van dit jaar, “Wild at heart” van David Lynch, er zeker schatplichtig aan. Welke films dan wél mijn voorkeur wegdragen? Films die meestal niet in één van de vooraf opgesomde vakjes thuishoren: “Dead Poets Society” van Peter Weir, “Presumed innocent” van Alan J. Pakula, “Come see the paradise” van Alan Parker … En met “Nuns on the run” heb ik eens goed kunnen lachen. En dat is toch ook niet te versmaden af en toe!

Referentie

Ronny De Schepper, Film 1990: het jaar van de strip, Stepsmagazine, december 1990

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.