Op vraag van Nora Nijs van Radio 1 maakte Paul Klinck na zijn CD “Chant d’amour” ook nog “Chant d’adieu” dat hij op 30 december 1995 in het Gentse Museum voor Sierkunst samen met pianist Günther Broucke voor zo’n 15 belangstellenden speelde (wat nog veel was, als men rekent dat het buiten spiegelglad was). Bovendien was hij pas vader geworden van Elisabeth en had hij dus amper twee uur geslapen. Alhoewel hij zijn Gentse ontdekkingen wil verderzetten, stopt hij toch met deze salonmuziek.

“Luk Brewaeys was de opnameleider van Chant d’Adieu,” zegt hij met zijn gekende zelfrelativering, “dus die weet nu ook alles over Gentse componisten. Iemand anders die dit maar niets vindt, maar wel recht heeft om te spreken is Godfried-Willem Raes. Die kent die gasten namelijk allemaal. Als ik dat geweten had, had dit mijn opzoeking heel wat vergemakkelijkt, maar ja, wie zou dàt nu denken?”
Voor “Champ de bataille” heeft hij een paar compositieopdrachten gegeven zo o.m. aan saxofonist Nic Roseeuw van Fukkeduk (die toen in Vooruit werkte als programmator van toneel). Naast Paul Klinck zijn verder ook nog een tweede violist Rik Verstrepen (geneesheer en verder nog bedrijvig bij Cro Magnon), trompettist Bart Maris, cellist Jan Kuijken, gitarist Frank Ghysels, bassist Kristof Roseeuw en drummer Tom De Wulf lid van Fukkeduk. Een samenstelling die laat vermoeden dat we hier op het randje van de popmuziek zitten.
Toch laat de compositie “Klonck!” van Nic Roseeuw op “Champ de bataille” (grotendeels gebaseerd op een concert in Vooruit op 20/9/1993) dit niet vermoeden. Ze is integendeel in harmonie met de meer intieme muziek die Klinck en Vandewalle hierop laten horen. De composities van John Cage gaan daarin het verst. In zijn “six melodies” lijkt hij eigenlijk weer op zoek naar “the sound of silence”. Dat geldt ook min of meer voor “… l’ombre que tu devins” van Claude Coppens, die merkwaardig genoeg meer de vioolklank schijnt te verkennen dan die van de piano.
Net als Roseeuw, heeft Alvaro Guimaraes (°1956, in België wonende Braziliaan en echtgenoot van Katrijn Friant) zijn “Inventio IV” speciaal voor Paul Klinck geschreven. Het is gelukkig de kortste compositie geworden (1’42”), want met Schönberg als vertrekpunt past ze er ook het minste bij. Daarnaast zijn er immers ook een aantal pastiches, zoals van de Amerikaan George Antheil (1900-1959) en Frank Nuyts (°1957). Maar de uitschieter op dit vlak is natuurlijk Johan De Smet. In zijn compositie “In het foyer” laat hij zowel de Sabeldans als een Czardas de revue passeren, maar het meest weerklinkt er uiteraard… salonmuziek. Wat zou je anders in een foyer verwachten?
Paul Klinck vindt het wel leuk om die twee facetten te combineren. Zo speelt hij ook altviool op “Carnival of the heart” van Ralph Samantha.
“Wie? Geef eens ne keer wat meer uitleg. Is dat een man?”
Ja dus, en Paul Klinck speelt wel degelijk mee. Althans als we het CD-boekje moeten geloven. Daarin staat hij als altviolist van Prima La Musica vermeld. Maar goed, Paul Klinck is dus niet onder één hoedje te vangen. Hij speelt b.v. ook mee op de CD met liederen van Kamagurka. Wie weet, misschien speelt hij ook nog jazz?
“Nee, dat niet. Ik moet eerlijk bekennen dat ik dat niet kàn. Bij mij moet muziek uitgeschreven zijn.”
Is dat ook de reden waarom je geen barok speelt? Daarin vormt hij immers een uitzondering. De andere uitvoerders van hedendaagse muziek zijn meestal ook barokliefhebbers en slaan de romantiek over. Denken we maar aan de Kuijkens of aan Bernard Foccroulle. Dat is bij Paul Klinck duidelijk niet het geval. Was dat b.v. geen beletsel bij het samenstellen voor het orkest voor die opname van Hanssens?
“Nee, omdat ik gerecruteerd heb uit het Nieuw Vlaams Symfonieorkest, maar toch ook uit het Collegium Instrumentale Brugense. In beide gevallen heb ik ze echter gevraagd omdat ik ze competent genoeg achtte om rap een stuk in te studeren en op te nemen.”
Maar interesseert veelzijdigheid je op zich, of moet je gewoon veelzijdig zijn om aan de bak te komen en zou je je liever b.v. op hedendaagse muziek concentreren?
“Nee, de veelzijdigheid vind ik het leukste, al zal ik nooit naar popmuziek als zodanig overschakelen. Maar ik vind het wel plezant om met vrienden samen te werken. Er is hier een erg leuke en erg actieve kring in Gent met mensen als Peter Vermeersch, Johan De Smet, Lucien Posman, Claude Coppens…”
De meeste van die namen zijn nog jonge mensen, enfin zo “jong” als ik, maar een naam die steeds weer opduikt en toch tot een andere generatie behoort, is die van Claude Coppens. Is dat een soort goeroe voor jullie of zo? Is hij als leraar aan het conservatorium de motor geweest?
“Nee, al is hij inderdaad de leraar van pianist Daan Vandewalle, waarmee ik die sonates van Buckinx heb opgenomen. Zijn muziek is trouwens ook wat moeilijker dan die van de anderen, maar ik vind dat dit ook mijn functie moet zijn: dergelijke muziek te helpen verspreiden, samen met muziek die wat makkelijker in het gehoor ligt.”
“Chant d’amour” heb je met Katrijn Friant opgenomen, op de CD met muziek van Dirk Brossé is de pianist Gunther Broucke: die blijven dan blijkbaar toch liever telkens in een bepaald genre zitten?
“Zonder nu de dikke nek uit te hangen, moet ik toch wel stellen dat er weinig mensen zo veelzijdig zijn als ik. Bovendien ben ik nog niemand tegengekomen die mijn werktempo aankan. ‘Ze hebben reeds zoveel werk,’ zeggen ze. Maar als ik veel werk heb, dan neem ik er dat toch nog bij.”
En wat is vakantie dan voor jou? Wat doe je b.v. tijdens de Gentse Feesten?
“Ooit heb ik tien keer het ‘Chant d’amour’-programma gespeeld in de Rode Pomp in eigen beheer en dat is financieel niet zo schitterend geweest, daarom ga ik dit jaar niet optreden. Maar op reis gaan of zo, dat is niks voor mij.”
Dan heb je ook nooit “gebuskerd” (langs de straat spelen)?
“Toch wel, enkele jaren geleden tijdens de Gentse Feesten samen met een accordeonist, die als coureur verkleed was, terwijl ikzelf pastoorskleren droeg. We speelden dan een aantal bewerkingen van die Gentse componisten, maar vooral de Czardas van Monti hoorden de mensen graag natuurlijk. Toch bracht dat niet zoveel op als je in sommige verhalen hoort. En het is nochtans hard labeur. Nee, als het daarop aankomt, ben ik toch wel meer klassiek dan bohémien. Maar dan heb ik het wel over mijn aard en niet dat ik erop neerkijk of zo. Ik ben niet iemand die zegt: ik maak nu CD’s, ik wil dus niet meer vanachter in een orkest gaan zitten.”
En inderdaad, tijdens die Gentse Feesten nam hij in een luisterspelstudio van de Reyerslaan (allesbehalve ideaal dus, maar het was een deal met Nora Nijs van Radio 1, die tevens zijn CD “Chant d’Adieu” sponsorde) een CD op met muziek van de Braziliaan Enrique Oswald (1852-1931), die rond de eeuwwisseling in België verbleef (Henrique Oswald – Music for violin and piano – PKP 007).
Het is eigenlijk een ontdekking van Katrijn Friant, die dus getrouwd is met de Braziliaan Alvaro Guimaraes, maar op de CD wordt hij begeleid door een echte Braziliaan José Eduardo Martins (°1938). Dat moet dan enigszins tot de Zuid-Amerikaanse sfeer bijdragen, maar het blijft op de eerste plaats toch salonmuziek en die klinkt blijkbaar hetzelfde, of het nu in Rio de Janeiro of aan de Reyerslaan is. Soms zitten er wel een paar ernstiger fragmenten tussen (zoals de romance andante molto espressivo of de sonate op.36), die doen vermoeden waarom Arthur Rubinstein Oswald de Braziliaanse Fauré noemde, maar dan nog is dit teveel eer.
Fauré en Saint-Saëns zaten wél in de jury van “Le Figaro” die in 1902 een prijs toekende aan Oswald voor zijn compositie voor piano solo “Il neige”, die hier ook op deze CD staat. Misschien dat de eretitel meer slaat op zijn opera’s of zijn religieuze werken? Anderzijds schreef hij slechts één symfonie, één viool- en één pianoconcert.
Paul Klinck heeft zich nu reeds een aantal CD’s lang vastgebeten in die salonmuziek en als achtergrondsmuziek is die wel aardig, maar het is toch maar best dat hij er met “Chant d’Adieu” afscheid van neemt om zich opnieuw aan andere zaken te wijden. Misschien ontmoeten we hem de volgende keer nog eens bij muziek van Philip Glass (hij heeft bij Transparant reeds meegespeeld in het orkest voor “The Photographer”) of in een rockgroep of misschien wordt die heerlijke jamsession met die Zweedse folkgroep in het Festival van Vlaanderen nog eens op CD overgedaan?
Op 22 oktober 1995 moest hij inderdaad Maria Lindal (één van de vele ex-en van Jos Van Immerseel) vervangen om samen te spelen met Zweedse folkmuzikanten, “maar ik ga niet naar Zweden om dat in te oefenen, dan hangt mijn cachet er al aan!”
Toch werd het een fantastische ervaring, die men een jaar later nog eens probeerde over te doen met een folkgroep uit Estland. Klinck speelde daarbij overigens muziek van ene Tubin die Estland onder de USSR was ontvlucht naar Zweden en van daaruit “nostalgische” muziek schreef op basis van volksliederen. Deze keer was de confrontatie met de “echte” volksmuziek daarom misschien minder geslaagd, omdat deze zeer opgewekt was, zeer westers klonk ook, zo een beetje een kruising tussen The Dubliners en Wannes van de Velde.
Kortom, Paul Klinck heeft het doorgaans wel erg druk, maar is er nog tijd om aan een project te werken van iemand die zegt: “Ik kan je er niet voor betalen”?
“Ik zal wel trachten uit te vissen wie hij wél kan betalen. Ik ken het circuit nu immers wel goed genoeg om te weten dat dit normaal niet bestaat. Ze willen b.v. dat je gratis komt spelen, maar ze brengen wel mooi drukwerk uit. Maar als Johan De Smet of Nic Rosseeuw belt, ben ik altijd bereid om voor een appel en een ei te spelen. Of iemand die als beginner een strijkkwartet op CD wil zetten. Zo iemand wil ik wel helpen. Maar niet om op het verjaardagsfeestje van zijn moeder te spelen.”
Daarnaast gaat Paul Klinck zowat overal op zoek naar Gentse muziek, daarbij werkt hij wellicht nauw samen met Roos Van Driessche, de bibliothecaris van het Gentse conservatorium, maar hij heeft er bijvoorbeeld ook al in een oude boekenwinkel in Nantes gevonden. “Die muziek is zo rijk dat ik daarmee gerust nog tien jaar bezig kan zijn zonder uitgeput te raken,” voegt hij eraan toe.
Een andere CD is b.v. vooral gebaseerd op vondsten uit de bibliotheek van het conservatorium en uit die van het hotel D’Hane-Steenhuyse. Daar vond hij enkele 19de eeuwse partituren met de house-muziek uit die tijd (op basis daarvan kan men trouwens gerust stellen dat we toen in beschaafder tijden leefden). Als eigenares wordt “Miss Borluut” opgegeven. Dat is niet de schoonheidskoningin van dat moment, maar een Engelse gouvernante, destijds een “must” voor adellijke dochters. Maar meestal nog méér voor hun papa. (*)
Is het voldoende dat het van een Gentenaar is, of moet je het ook graag horen?
“Jaja, want ik ga zeker niet zo maar wat plaatjes vullen. Muzikaal moet ik achter mijn CD’s staan, want anders doe ik het niet. En daarvoor vertrouw ik op mijn eigen smaak. Als iemand mij wil adviseren, dan zal ik daar wel naar luisteren, maar ik blijf de baas. Bij die eigenzinnige opnames reken ik ook die met muziek van Dirk Brossé.”
“Meditations” is eigenlijk nog een laat uitvloeisel van het bekende project van Dirk Brossé, “Artesia”. Paul Klinck was immers de dirigent van het Nieuw Vlaams Symfonieorkest, dat deze symfonische compositie creëerde. Hij raakte geïntrigeerd door de muziek van Brossé en vroeg om composities voor viool en piano, een combinatie die Paul Klinck erg goed ligt. Een eerste, een bewerking van het voornaamste thema uit de film “Boerenpsalm”, kwam reeds op de CD “Chant d’amour” terecht. Het werd zowat de “hitsingle” van deze verzamel-CD met werk van Gentse componisten, als we in dergelijke termen mogen spreken. Toen stond meteen vast dat er een volledige CD gewijd aan Dirk Brossé zou komen met bewerkingen van diens filmmuziek.
“Boerenpsalm” staat hier opnieuw op, maar daarnaast ook “Springen”, “Koko Flanel”, “Marie” en, natuurlijk, de muziek van “Daens”, die volgens sommigen veel heeft bijgedragen tot het succes van deze film. Vooral dan wat het beklemtonen van de sociale wantoestanden betreft. In de nogal pompeuze orchestratie voor de film was dat misschien wel waar, maar hier, in deze “uitgezuiverde” versie, klinkt ze toch even lieflijk als al de rest. Dat is trouwens het grootste bezwaar dat we ertegen kunnen aanvoeren: de bespeelde emoties bevinden zich steeds binnen hetzelfde spectrum. Dat is wellicht ook te wijten aan het feit dat het hier bewerkingen betreft en geen originele composities voor viool en piano. Zo is “An old story” een bewerking van een lied bedoeld voor Tine Ruysschaert.
In deze bewerkingen komt de nadruk dan ook heel sterk te liggen op de viool en heeft de piano van Gunther Broucke gewoon een begeleidende functie i.p.v. een echte dialoog aan te gaan. Het is wel een uitstekend geschenk voor b.v. Moederdag, want…
“Sommige mensen noemen dit achtergrondsmuziek, maar ik heb daar niks op tegen. Integendeel zelfs. Ik rijd niet met de wagen, zodat ik al mijn verplaatsingen met de fiets of met het openbaar vervoer doe. Wel, als ik dan in een station kom, dan doet die muziek mij altijd iets. En zo dacht ik b.v.: waarom niet de 1001 sonates van Buckinx op die manier op zijn verjaardag laten horen i.p.v. die shit van Albinoni. Daarom hebben we met een paar mensen alle 1001 sonates van Buckinx uitgevoerd. Alles te samen duren ze ongeveer 24 uur en daarom werden ze in de loop van twee dagen uitgevoerd in de Minardschouwburg met vier duo’s muzikanten, waarbij dus ook Daan en ik.”
De sonates van Buckinx zijn veel toegankelijker dan men zou denken (vrezen) met veel “citaten”, typisch postmodernistisch dus. Het zijn natuurlijk geen sonates die in de klassieke zin van het woord gestructureerd zijn, eerder zijn het kleine miniatuurtjes (van 25″ tot 3’25”), die men m.i. beter met mondjesmaat kan consumeren. Wie over een meervoudige CD-speler beschikt, kan dit b.v. uitstekend “shuffelen”. Ik weet niet wat Buckinx daarvan zou vinden (al is dit toch wel typisch postmodernistisch), maar wat zeg jij?
“Ik heb daar niks op tegen. Integendeel, ik vind ook dat ze met mate moeten worden geconsumeerd.”
Voor Buckinx zijn deze sonaten “1001 heerlijke misverstanden die op romantiek lijken zoals een computer op een tikmachine”. Wees gerust: er staan er op de CD geen 1001 (77 reeksen van 13), maar “slechts” een zestigtal, in twee delen gespeeld in min of meer chronologische volgorde van nr.32 (17/1/1986) tot nr.1000 (15/5/1988), met nadien nog enkele toegiften, waarbij een paar hernemingen, die nu wel langer duren dan de eerste keer, maar dat is dan wegens het applaus. En als er al eens iets misgaat (zoals bij nr.785), herneemt men het gewoon. Zo simpel is dat. Zo simpel dat een kind het wel zou kunnen, denkt men soms en terecht, want een aantal sonates zijn met een uitvoering door dochter Barbara in het hoofd geschreven.
En humor is natuurlijk ook nooit ver weg bij Buckinx, sonate nr.940 “bisnummer voor een begrafenis” mag als voorbeeld gelden.
Dat geldt ook voor de “Sherlock Holmes”-etudes die Paul Klinck begin ’98 heeft uitgebracht van diezelfde Boudewijn Buckinx, tegelijk met de sonates van Jane (eigenlijk Jeanne) Vignery en haar moeder Palmyre Buyst. Zowel moeder als dochter hebben trouwens hun componistenloopbaan opzij geschoven voor de “plichten” van het huwelijk, zoals het “hoorde” in die tijd.
Via Jane Vignery kwam Paul Klinck terecht bij de blinde Gentse componiste Irène Fuerison, eigenlijk Van Santen, maar ze had de naam van haar man, de advocaat Joseph Fuerison (1865-1921), aangenomen. Samen woonden ze op de Coupure nr.117. Als blinde zette zij zich vooral in om het leed van oorlogsslachtoffers (uit de Eerste Wereldoorlog) te verlichten.
Irène Fuerison zou vandaag een vergeten componiste zijn, had Mevrouw Schoentjes‑Zimmer in 1987 het archief van mevrouw Fuerison niet ondergebracht in de bibliotheek van het Gentse Conservatorium. Deze bundels omvatten de gedrukte uitgaven en kopieën van de met de hand geschreven composities, besprekingen van uitgevoerde werken, teksten van voordrachten gehouden door haar dochter Madeleine, enzovoort.
Ondanks deze gegevens blijven volgende vragen onbeantwoord, zoals: waar studeerde deze dame muziek en bij wie? Hoe kwam ze tot componeren? Hoe noteerde ze haar composities toen ze blind geworden was?
Mogelijke verklaringen hiervoor zijn dat deze componiste zeer bescheiden was en niet gesteld op roem en eer (ze was geen beroepsmuzikante, haar echtgenoot noemde haar ‘une bonne musicienne, mais simple amateur’). Geen enkel programma van de talrijke concerten waarop haar werken werden uitgevoerd vermeldt een curriculum vitae en personen die haar gekend hebben, zijn overleden.
Aan de hand van de documenten in de bibliotheek van het Conservatorium en een ‘In Memoriam’ in de krant ‘La Flandre Libérale’ van 28 juni 1931 kunnen wij over deze merkwaardige vrouw uit de Franstalige liberale bourgeoisie een en ander vertellen.
In ‘La Flandre Libérale’ lezen we dat Irène Fuerison een voorname en intelligente vrouw was en terzelfdertijd een voortreffelijke temperamentvolle muzikante. Zij componeerde symfonische werken, kwartetten en liederen die getuigden van inspiratie, originaliteit qua opbouw en melodieuze geïnspireerdheid (de auteur van het artikel noteert hierbij ‘eigenschappen die bij menig modern componist zoek zijn’, sic).
Irène Fuerison was even bescheiden als ze getalenteerd was, enkel intieme vrienden kenden haar composities tot zij in 1917 de toelating gaf een keuze uit haar werken uit te voeren in ‘La salle de concerts Pathé’ door het orkest Guillemyn ten voordele van de sociale kas van muzikanten getroffen door de gevolgen van de rampzalige eerste wereldoorlog. Dit concert kende een groot succes, maar kende geen vervolg. Zij wilde geen heruitgave.
Nadien werden haar werken uitgevoerd tijdens plaatselijke concerten. Concerten, uitsluitend gewijd aan haar composities, vonden wel plaats na haar dood. Zo b.v. op 20 februari 1969 in de zaal van ‘L’école des Hautes Etudes’ te Gent; op 3 maart 1972 bij de inhuldiging van het ‘atelier Irène Fuerison’ van de Brailleliga in het huis van deze vereniging, gelegen in de Gouvernementstraat 7 te Gent en op 18 maart 1972 in het Lakenmetershuis op de Vrijdagsmarkt. Dit laatste concert werd georganiseerd door het Willemsfonds. Opvallend is dat de laatste twee concerten vertolkt werden door verschillende musici.
Een appreciatie van haar werk vinden we in de uitnodiging verstuurd door het Willemsfonds: “De componiste wijdde haar laatste levensjaren bijna totaal aan de muziek. Haar oeuvre is doordrongen van impressionisme. Haar liederen zijn uiterst gracieus en diepzinnig.”
Deze intellectueel en artistiek begaafde vrouw was ook uitermate sociaal voelend. Haar menslievendheid motiveerde haar om haar composities openbaar te maken. Een en ander hierover komen wij te weten in een doorslag van een brief door haar echtgenoot gericht aan ‘Les membres du Comité de la Société d’Editions Mutuelle à Paris’, gedateerd op 20 januari 1919.
Advocaat Fuerison schrijft: “Mijn vrouw is sedert enkele jaren blind. Tijdens de eerste wereldoorlog componeerde ze vocale en instrumentale werken met de bedoeling deze te laten uitgeven en uitvoeren ten voordele van gekwetsten en gevangenen. Na enige tijd was de respons op deze composities groter dan verwacht en door de waardering van Gentse beroepsmusici werd ze aangemoedigd verder te componeren.”
In een bijlage worden de werken opgesomd die zij sedert 1915 schreef. Het betreft kamermuziek (het kwartet in fa mineur, de sonate voor viool en piano en de sonate voor cello en piano), liederen, vooral op Franstalige teksten (uitzondering hierop vormen een drietal liederen uit 1917 waaronder ‘Het mezennestje’ op een tekst van Guido Gezelle) en tenslotte ook enkele orkestwerken (Ommeganck ofte cortège ancien, Soir champêtre, een poème symphonique en La belle au bois dormant).
Bij deze orkestwerken noteert haar echtgenoot: “Ces oeuvres sont moins personnelles, mais mérites cependant l’attention”. Door deze opmerking kunnen we besluiten dat Irène Fuerison als componiste autodidact was, maar wie assisteerde haar dan bij het optekenen van de orkestpartituren?
In een andere doorslag noteert haar echtgenoot dat haar composities tijdens de oorlog privé werden uitgevoerd voor ‘Belgen’, niet gecensureerd werden, en dat deze uitvoeringen clandestien gebeurden. Door de inspanningen van haar echtgenoot werden haar composities ook uitgevoerd in Frankrijk, Engeland en Amerika.
Op 23 april 1999 stelde Paul Klinck in de Rode Pomp dus een CD voor met haar werk. Opmerkelijk is dat de CD zelf slechts de hoogst noodzakelijke informatie bevat, terwijl ze in een zwart hoesje is gestoken met enkel brailleschrift. Men tast dus letterlijk in het donker als men wil weten wat er op de CD staat. Dat blijkt uiteindelijk werk te zijn voor viool en piano, dat hij heeft opgenomen samen met de pianiste Katrijn Friant, die ook nog enkele solostukken voor piano uitvoert. Marleen Van Remoortele vertelt op de CD zelf wel wat er allemaal opstaat (en voegt er nog een biografietje van de componiste en de uitvoerders aan toe), maar dat is wel redelijk onhandig. Gelukkig staat het ook op het einde van de CD, zodat men het niet steeds opnieuw hoeft te horen. Paul Klinck is zich van al deze bezwaren bewust, maar hij heeft het precies zo gewild omdat hij wou dat we ons als de componiste zelf zouden voelen. Ook zij kon door haar blindheid immers geen gewoon gedrukte teksten lezen…
“Noteer ook dat ik in 1996 ook het vioolconcerto dat Buckinx heeft geschreven in opdracht van de Stadsconcerten heb gecreëerd, nadat ik in 1988 reeds hetzelfde had gedaan met het concerto van Roland Coryn. En tijdens de Boudewijn Buckinx-week heb ik ook eens met het strijkkwartet ’t Klinckt opgetreden, maar dat was gewoon op zijn vraag, want ik wil zeker niet pretenderen van met een echt strijkkwartet uit te pakken. Daar blijf ik af. In 1997 heb ik wel met het Helmond Kwartet meegewerkt aan het huldeprogramma aan Jacques Brel van Johan Verminnen, maar dat héét natuurlijk enkel een kwartet, dat is geen echt strijkkwartet. Een strijkkwartet is iets heiligs. Daar moet je ongeveer heel je leven voor geven en dan blijf ik er liever af dan dat even op een drafje af te haspelen. (Pauseert even) Ik ben trouwens ook niet de persoon om met vier mensen overeen te komen. Allé, drie als ik mezelf niet meereken. Ik spreek dan wel op lange termijn. Daarvoor ben ik te individualistisch, te koppig en te egocentrisch. Ik denk altijd dat ik het het beste kan. Op korte termijn kan ik wél samenwerken en mijn ideeën voor een bepaald product ondergeschikt maken aan iemand anders, maar dan denk ik toch nog altijd dat ik het bij het rechte eind heb. Ik vind dat een goed principe.”
Toch weer invloed van Werthen?
“Ja, daar is iets van aan. Die zei ook altijd: ik ben nooit mis. En hij geloofde het nog ook. Achteraf beschouwd, moet ik dus wel vaststellen dat ik gelijklopende ideeën heb, ja. Maar ik ben geen afkooksel. Ik ben veel beter dan Rudolf Werthen, omdat ik een veel betere visie op muziek heb. Hij heeft misschien wel een veel betere visie op economie, dat wel. Maar ik doe veel meer voor de muziek dan hij. Ik neem risicovolle Gentse muziek op, terwijl hij dat enkel doet om subsidies te krijgen. Ik zou eigenlijk Festivalster moeten zijn!”
Daarna werd het wat stiller rond Paul Klinck, ook al mocht hij toch weer concertmeester zijn in het gelegenheidsorkest samengesteld ter gelegenheid van het tienjarige jubileum van Albert II en ook in de toneelproductie van “Amadeus” n.a.v. het Mozartjaar 2006.

Ronny De Schepper

(*) Dit was Pauls eigen interpretatie destijds. Tegen de tijd dat het CD’tje verscheen, kwam er een heel ander verhaal aan het licht. Zie bij Alex Roosemeyers.

Referenties
Ronny De Schepper, Miniatuurtjes van Boudewijn Buckinx, Het Laatste Nieuws, 28 mei 1994
Ronny De Schepper, Nieuwe CD’s in Vooruit, Het Laatste Nieuws, 25 november 1994
Ronny De Schepper, Nieuwe CD van Klinck en Vandewalle, Het Laatste Nieuws, 20 januari 1995
Ronny De Schepper, Klinkt het niet dan botst het, Steps magazine, juni 1995
Ronny De Schepper, Oude en nieuwe Vlaamse muziek, Het Laatste Nieuws, 24 juni 1995
Ronny De Schepper, CD voor violist Paul Klinck, Het Laatste Nieuws, 2 augustus 1995
Ronny De Schepper, Paul Klinck, Het Laatste Nieuws, 23 september 1995
Ronny De Schepper, Paul Klinck in de Zweedse clinch, Het Laatste Nieuws, 20 oktober 1995
Ronny De Schepper, Vioolconcerto van een orgelbouwer, Het Laatste Nieuws, 27 juli 1996
Ronny De Schepper, Paul Klinck zoekt wie nu wel Miss Borluut mag zijn, Het Laatste Nieuws, 2 augustus 1996
Paul Klinck Productions, Keizersvest 24, 9000 Gent, fax 09/233.36.75.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.