Op 16 december 1785 legt Mozart de laatste hand aan zijn concerto voor klavier nr.22 in Es, KV.482. Zelf geef ik de voorkeur aan de uitvoering van Jos Van Immerseel met zijn eigen orkest Anima Eterna, al moet ik toegeven dat dit helaas geen mooi prentje boven mijn stuk oplevert. En uiteraard is deze uitvoering niet terug te vinden op YouTube, zodat ik noodgedwongen moet terugvallen op deze door Geza Anda, wiens uitvoering van het 21ste klavierconcerto (gebruikt in de soundtrack van de film “Elvira Madigan”) de eerste plaat met muziek van Mozart was die ik me ooit heb aangeschaft.

Musicologen beweren wel eens dat de pianoconcerten van Mozart eigenlijk nog het best te vergelijken zijn met zijn opera’s, waarbij de menselijke stem uiteraard vervangen wordt door het klavier. En inderdaad, in zijn latere concerten kunnen we vaak echo’s horen die ons aan bepaalde operapassages herinneren. Zo b.v. de twee paartjes in de tuin in “Cosi fan tutte” in dit 22ste concerto.
Op 2 maart 1786 voltooit hij zijn 23ste klavierconcerto (in A, KV.488), waarin we de aria van Barbarina uit “Le nozze di Figaro” herkennen, terwijl de gravin “verborgen” zit in het 24ste (in c, KV.491), dat hij op 24 maart voltooide. Tussenin wordt in besloten kring ten huize van vorst Karl Auersperg “Idomeneo” hernomen en hiervoor schrijft Mozart de aria “Non temer, amato bene” (KV.490).
Dat 23ste concerto verscheen in 1997 op de CD “Mozart l’Egyptien” van Hughes de Courson (ex-lid van de folkgroep Malicorne) in een versie voor oud (een Arabische luit, bespeeld door Henri Agnel) en piano (Marib Angelov) en orkest. De idee om Mozart “op z’n Turks” te laten uitvoeren (nadat de Courson met “Lambarena” reeds een verbinding tussen Bach en Afrikaanse muziek had gemaakt), komt natuurlijk voort uit Mozarts liefde voor de janitsarenmuziek, maar ook uit het feit dat de vrijmetselarij veel symbolen aan het oude Egypte heeft ontleend.
Volgens bepaalde bronnen zou de opvoering van de rebelse “Nozze di Figaro” (KV.492) het begin van het einde van Mozarts roem en fortuin hebben ingeluid. Het is soms moeilijk om in de vervelende Graaf Almaviva de min of meer sympathieke rokkenjager uit “De barbier van Sevilla” te zien (wat dus voorafgaat aan het verhaal van de Nozze, maar pas later werd gecomponeerd door Rossini), maar er is een theorie die zegt dat Rosina in hem eigenlijk de arme student Lindoro zag, voor wie hij zich uitgeeft en dat in potentie dus alle problemen met de adellijke graaf reeds aanwezig waren.
In het Mozart-jaar 1991 heb ik de opera in niet minder dan vier verschillende versies gezien. Eender welke andere opera zou ik reeds goed beu zijn, maar deze opera is te goed om ooit beu te worden. En de verhalen van Beaumarchais trouwens ook niet. Deze Franse auteur, die daarnaast ook nog geheim agent, politicus, wapenhandelaar en speculant was, vertaalde de opstandige gevoelens die aan de grondslag van de Franse revolutie lagen naar het theater toe en voor Mozart maakte Lorenzo da Ponte daar een libretto van.
De ontmoeting met Lorenzo da Ponte (1749-1838) was het beste wat Mozart kon overkomen. Deze fijnzinnige schrijver paste helemaal bij de componist. Ook op privévlak. In 1779 was da Ponte immers verbannen uit Venetië wegens libertijns gedrag. Als priester nota bene. Na de dood van Mozart zou da Ponte overigens in Amerika diens faam uitdragen.
In Wenen was da Ponte echter hofdichter en zo kreeg hij het gedaan dat de opera er sowieso kwam, want vooraf had Jozef II reeds zijn afkeer uitgesproken voor het plan dat Mozart had opgevat om van dit “revolutionaire” toneelstuk een opera te maken. Da Ponte streek de plooien dus glad, maar toch ook weer niet te glad. Sommige van de aria’s zijn inderdaad zo rebels dat het eigenlijk niet te verwonderen is dat Mozart de wind van voren kreeg.
Geen aandacht besteden aan de theatrale eisen van het werk zou trouwens ook niet naar de zin geweest zijn van Mozart zelf, die volgens de Zweedse dirigent Arnold Östman ook ‘regisseur’ was (in zijn muziek dan wel te verstaan) en een aanhanger van de Franse acteerstijl, die zeer levendig en zoveel mogelijk realistisch was.
Daarvan kreeg ik zowaar een voorbeeld in de versie van de Opéra Royal de Wallonie. Hier was er meer theatraliteit, al begon het al meteen slecht. Na het eerste duet diende de vertoning reeds te worden onderbroken omdat het doek weigerde verder open te gaan. Aangezien een “vondst” van regisseur Pierre Fléta erin bestond dat er voor elk bedrijf een reusachtige klok de tijd aangaf, noteerde ik reeds: “Het begon nog maar en we wisten al hoe laat het was.” Gelukkig heb ik dit later moeten inslikken. (Deze klok was misschien een referentie aan de première van die andere Figaro-opera, “Il barbiere di Siviglia” van Rossini, waarbij er voor het eerst een reusachtige klok boven het toneel hing, een duidelijk teken aan de wand dat de burgerlijke tijd was aangebroken.)
Maar de zangers waren goed en zij hebben op de duur de voorstelling niet enkel gered, maar in een ontroerend laatste bedrijf (herinner u de ontroering van Salieri, zoals die door Murray Abraham gestalte wordt gegeven in “Amadeus”) zelfs nog tot een climax opgevoerd. Als je dat echter zo bekijkt, moet je op de eerste plaats toch toegeven welke prachtige muziek die goeie ouwe Woolfie voor deze rollen heeft weggelegd.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.