Wie is de gemijterde grijsaard die zich dezer dagen niet zonder enige moeite door onze roetbezwangerde schoorstenen wringt ? U hebt het natuurlijk al geraden, jongens en meisjes, het is Sinterklaas, wiens ruggegraat hoorbaar kreunt onder de last van vele kilogrammen kersverse strips. « Van al wat jong is hou ik nog even veel als vroeger », zo vertrouwde de ervaren kindervriend ons toe, « maar zo slim als vroeger zijn de schoolplichtigen toch niet meer. Meer bepaald inzake geschiedenis valt hun kennis welhaast geheel samen met het nulpunt. Wil u daar rekening mee houden bij uw recensies ? »

Als eenvoudig iemand kunnen wij de bede van zo’n goedheilig man bezwaarlijk negeren, vooral niet nadat hij een uit de kluiten gewassen portie marsepein in ons schoentje heeft gedeponeerd. We begeven ons dan ook met bekwame spoed naar het oude Egypte, waar wij samen met de sympathieke held Papyrus « De metamorfose van Imhotep » zullen meemaken (1). Het begin van dit verhaal is uitgesproken onheilspellend : het standbeeld dat door de priesters van Memphis aan de farao cadeau wordt gedaan, begint plots uit de ogen te bloeden en even later smakt het tegen de vlakte. Van deze ietwat ongewone gebeurtenis maken de snode, in hun ambitie gefrustreerde priesters gebruik om tegen de farao een complot te smeden, waarbij zelfs de pientere Papyrus machteloos moet toekijken. Maar gelukkig leven we in een tijd waarin de goden hun sterfelijke onderdanen nog niet geheel aan hun lot hebben overgelaten, en Imhotep, de vergoddelijkte bouwheer van Sakkarah snelt samen met zijn duizenden ibissen de farao en zijn getrouwen ter hulp.
Natuurlijk is dit geen “echt” historisch verhaal, maar De Gieter die zowel zorgt voor de tekeningen als de tekst, weet op een bijzonder intense manier de wereld van het Oude Egypte opnieuw tot leven te wekken. We denken hier b.v. aan de evocatie van de rituele wedloop, waardoor de farao eens in het jaar zijn heerschappij over Egypte moest bevestigen. Dit album is dan ook een uitstekend voorproefje op « De Vrouw in het Rijk van de Farao’s », de indrukwekkende tentoonstelling die nog tot 28 februari loopt in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel en waarover wij u uitvoerig hopen te berichten.
AMAZONES EN ARCHITECTEN
In de Griekse Oudheid belanden wij met de Centauren (1) van Seron, die door tijd en ruimte zwerven op zoek naar de poort van de Olympos. Deze keer komen zij bij de Amazones terecht, en dit loopt verkeerd af, niet in het minst voor Seron die ons confronteert met een resem ronduit wansmakelijke anti-vrouw cliché’s. Foei !
Meer op ons gemak voelen wij ons in de Middeleeuwen, en dan meer bepaald in gezelschap van de kathedraalbouwer Tristan (2), die als tekenaar Jacques Martin en als scenarist Jean Pleyers zijn geestelijke vaders mag noemen — hij is dus van hoge afkomst. Het verhaal speelt zich af in het Straatsburg van de vijftiende eeuw, waarheen Tristan ontboden werd om de spits van de kathedraal te beeldhouwen. Hij raakt echter betrokken bij een (niet zo helder geëxposeerd) conflict tussen de bisschop van de stad en een familie verarmde edelen, waarbij zelfs een Romeo-en-Julia-motief komt meespelen. Een en ander maakt dat Tristans activiteiten als vakman enigszins op de achtergrond raken, en dat is jammer. Wie over de bouw van de kathedralen meer wil weten, kan terecht bij “Maitre Guillaume” van scenarist Pierre Dhombre en tekenaar François Bourgeon, de auteur van o.m. « De Kinderen van de Wind » (een der hoogtepunten van het contemporaine stripwezen) en de goedheidense reeks « De gezellen van de schemering », die zich eveneens in de Middeleeuwen afspeelt. « Maitre Guillaume » is een aflevering van Les grandes heures des chrétiens (3), waarin zoals de naam al laat vermoeden de hoogtepunten in de geschiedenis van het christendom worden geëvoceerd. Elk deeltje bestaat uit een stripverhaal en een klein, met foto’s, tekeningen en kaartjes verlucht dossier. Het geheel presenteert het christendom natuurlijk als een goede zaak, maar het vroegere manicheïsme heeft gelukkig de plaats moeten ruimen voor een meer genuanceerde benadering. Zo wordt hier ruiterlijk toegegeven dat noch het religieuze denken van de Middeleeuwen nog hun architectuur op een dergelijk hoog niveau denkbaar zijn, zonder de bijdrage van de Spaanse Muzelmannen — een waarheid die men helaas in het kader van Europalia geheel heeft verdonkeremaand.
Ook de in Keulen geboren tekenaar Marc-Renier (°1958) is zijn inspiratie gaan opzoeken in de Middeleeuwen. In « De ogen van het moeras » (4) heeft hij een tiental verhalen uit deze periode in beeld gezet. Niet geheel overtuigend overigens, want deze knappe tekenaar toont zich — met uitzondering van de laatste paar verhalen — te dikwijls eerder een illustrator i.p.v. een striptekenaar, deze laatste iemand zijnde die speelt op de wisselwerking tussen tekst en beeld.
We doorkruisen nu even het tijdruimtelijke continuüm met zevenmijlslaarzen en komen terecht bij de Franse luchtvaartpionier Mermoz (1), die in 1936 bij een vlucht over de Atlantische Oceaan verdween en van wie nimmer een spoor werd teruggevonden. Dit verhaal dat van 1956 dateert werd door Victor Hubinon en Jean-Marie Charlier op hun gewone — bijwijlen briljante — wijze in beeld gebracht, maar is het een toeval dat Hubinon maar een heel beperkt repertoire menselijke gezichtstypes beheerst, die men in al zijn andere reeksen (Surcouf, Stanley, Roodbaard, Buck Danny…) opnieuw tegenkomt? In de pueriele en zwaar chauvinistische heldenwereld van Hubinon en Charlier zijn alleen vliegtuigen en boten (de vehikels van het avontuur) belangrijk, mensen zijn weinig meer dan tot een masker gereduceerde ledepoppen.
Tja, helaas kunnen we niet in glorie eindigen. Want ook Mei ’40 (1), gezien door de bril van Laudec en Mitteï « alsof je er zelf bij was ! » kunnen wij alleen maar stom en melig vinden. Om rond een drama als de Duitse inval acceptabele humor te brouwen moet men van zéér goeden huize zijn, maar dit zijn beide hogervernoemde bollebozen duidelijk niet.
KEIHARD EN COMPLEX
Zopas verweten wij uitgeverij Dupuis dat zij al te lang en al te lankmoedig onderdak heeft verleend aan weinig interessante epigonen en het blijft een feit dat reeksen als de Mini-mensjes (1) en de Katamarom (1) (thans door een coïtus damnatus tussen hun respectieve auteurs in één album verenigd) een vloek blijven voor het oog, maar met tekenaars als Berthet, Cossu, Dodier en Desberg is er nu toch eindelijk een generatie aangetreden die de platgetreden paden definitief achter zich heeft gelaten. Een opvallende nieuwkomer is alleszins Frank, die met de solide ruggensteun van scenarist Terence meteen naar de voorste gelederen oprukt. Zijn held Vincent Mores is een dierenhandelaar, een bijzonder hardgekookte knaap dus en een typisch moderne want dubbelzinnige held. Ambiguïteit is trouwens troef in dit verhaal dat zich afspeelt in de (voortreffelijke geëvoceerde) broeierige Oost-Aziatische jungle. Zo is de tegenspeler van Vincent, Sandra Verduynen, ongetwijfeld een alleraardigste en bovendien moedige jongedame, maar als dochter van een miljardair heeft zij alles bij mekaar weinig moeite om haar liefde voor mens en dier naar hartenlust te cultiveren, terwijl Vincent zijn abjecte handel nodig heeft om in leven te blijven. En de CIA-agent die de vliegtuigkaping waarin Vincent en Sandra verwikkeld raken ten goede doet keren, moet in gewetenloosheid weinig onderdoen voor de terroristen die hij met zoveel efficiëntie liquideert. Kortom, we staan hier voor een volwassen verhaal dat definitief komaf heeft gemaakt met de zwart-wit schema’s á la Jijé die ook nu nog zoveel strips blijven teisteren. Alhoewel, de « bekering » van Vincent op het einde van deze eerste aflevering doet ons enigszins angstig de vraag stellen of scenarist Terence zijn realistische houding tegenover het probleem van « goeden » en « slechten » zal weten te handhaven.
In vergelijking met de perikelen van Vincent More vallen De avonturen van Pisarro (5) erg bleekjes uit en warempel niet alleen omdat ze in zwart-wit worden gepresenteerd. Met zijn verhaal over « Het slijk van Aquitos » wil scenarist Adriaan Bizet de pomperijen van de in Latijns-Amerika opererende multinationals aanklagen, die hun straatarme werkkrachten behandelen als slaven en daarbij zelfs niet terugschrikken voor moord. Een prijzenswaardig opzet voorwaar, maar het verhaaltje van Bizet is zo flets als een zoutloos dieet en tekenaar Gerard François is niet bepaald een virtuoos. Zo lijken zijn gezichten als even zovele druppels water op elkaar, zodat de lezer zich voortdurend afvraagt wie wie is. Jammer voor de goede bedoelingen, maar dit debuut is een slag in het water.
Een betere beurt maakt Dupa met Niky, ook een nieuwkomer. Deze sympathieke vrachtrijder — ruwe bolster, zachte pit — is een typische « working class hero » (een eerder zeldzaam fenomeen in de stripwereld) die met zijn vervaarlijke Volvo allerhande dolle avonturen beleeft, waarin hij het o.a. opneemt voor de bewoners van een dorp dat de bouwers van een kerncentrale van de kaart willen vegen. Zijdelings komen daarbij ook de soms onmogelijke omstandigheden waarin de vrachtrijders hun kilometers moeten vreten ter sprake. Dat Dupa in de laatste plaatjes een happy end weer op losse schroeven zet, bewijst dat ook hij de korte broek van de padvindersmoraal is ontgroeid.
MELANCHOLIE EN ZWAVELZUUR
Aan de tegenpool van al deze keiharde kerels is er de schuchtere Gully (1) die om onze aandacht vraagt. Bij de gratie (nou ja) van zijn geestelijke vaders scenarist Makyo en tekenaar Dodier (twee Frans-Vlamingen) wordt Gully geboren als een inwoner van het land Lachebek, waar de lach zowat fungeert als een door de overheid verplichte cultus. Helaas lijdt Gully aan een ziekte genaamd melancholie, wat zoals wij allen weten zeer besmettelijk is. Meteen zitten wij temidden van de uitzichtloosheid van de geboren outsider die elke poging om in contact te komen met zijn medeschepselen (het weze mens of dier) schipbreuk ziet lijden. Gelukkig echter hebben de auteurs zich gehoed voor een overdosis van melodramatiek, en het geheel resulteert in een (niet altijd evenwichtig) mengsel van sprookjesachtige fantasie en grimmige groteske.
Een ambitieuze productie (harde kaft, 54 blz.) realiseerde Ernst met « Jachttaferelen », zijnde de eerste avonturen van William Hazehart (4). Deze onhandige knecht van de duivel krijgt als opdracht het kopen van zielen van « grote figuren » als Beethoven, Hannibal, Toulouse-Lautrec, Napoleon, Roodkapje en last but not least God himself. Een niet onaardig gegeven zo te zien maar — de duivel weet waarom — Ernst brengt er niets van terecht. En daar kunnen zijn al te gemakkelijke woordspelletjes geen moer aan veranderen.
Nee, wie het van verbale hoogstandjes wil hebben kan beter terecht bij Dupa en zijn onovertroffen Dommel (4). Deze hond gaat zijn evennaasten en andere zwarigheden te lijf met een retoriek die hem bij tijd en wijle in de buurt brengt van de Marx Brothers — een alleszins verheffend gezelschap.
Beland als we zijn in regionen die grenzen aan de zowel absurde als cynische rede mogen we zeker de sterre-avonturen van Roco Vargas (2) niet vergeten. In « Triton » subverteert deze Spanjaard niet alleen het ruimte-epos en zijn helden, met zijn tot in het extreme gemaniëreerde tekenstijl doet hij meteen de klare lijn van wijlen Hergé (en alles wat deze ideologisch impliceert) in haar tegendeel verkeren. Alleen kan men zich afvragen hoe lang een medium (in casu de strip) zich kan handhaven binnen het spanningsveld van een discours die op zijn meest substantiële bestanddelen inwerkt als zwavelzuur. (6)
NIEUW BIJ CASTERMAN
Met « De IJstrein » van Rochette en Lob bereikt de befaamde « Wordt Vervolgd »-serie van Casterman dit seizoen een nieuw — zij het in vele opzichten deprimerend — hoogtepunt. Dit verhaal over een reuzentrein die na een plotse klimaatswijziging een eindeloze reis door het ingesneeuwde Niets aanvangt met aan boord enkele duizenden passagiers (waaronder de in de staartwagons samengepropte paria’s), is immers maar al te duidelijk een metafoor voor onze hedendaagse maatschappij die met een nauwelijks geringer snelheid haar ultieme Nihil tegemoet snelt.
Over dit album (en over een aantal andere nouveautés) hopen wij u echter zeer binnenkort te berichten. Naast haar groots opgezette zwart-wit stripromans voor volwassenen produceert Casterman nog immers een respectabel aantal « klassieke » vierkleurenalbums die meer dan de moeite waard zijn. En hieraan is het, dat wij deze week enige aandacht wensten te besteden.

00

DE MUREN VAN SAMARIS
Een der fraaiste producties van de afgelopen maanden is ongetwijfeld « De muren van Samaris » van tekenaar François Schuiten en scenarist Benoit Peeters, beiden geboren in 1956. De hoofdpersoon Franz (niet toevallig de naamgenoot van de beroemde Pragenaar) krijgt van de Grote Raad van de stad Xhystos de opdracht naar Samaris te gaan om rapport op te maken van de onheilspellende toestanden die aldaar schijnen te heersen. Een doodgewoon uitgangspunt zo te zien voor wat de zoveelste variatie op het klassieke thema van de gevaarvolle reis naar het onbekende zou kunnen worden. Een blik op de eerste plaat van het album leert echter dat de jeugdige auteurs de traditionele waardenschaal van het stripverhaal bijzonder fors hebben omgegooid. Niet langer een personage is de held van het verhaal, maar het decor ! Wat hier aan de orde is, is de « totalitaire bekoring » die aan elke architecturale démarche inherent lijkt te zijn en die tendeert naar de vernietiging van het individu. « De duistere steden », waarvan dit album het eerste in de reeks is, is dan ook geen « echt » science-fiction opzet. De auteurs werken vanuit een futuristisch project terug naar het verleden, waarbij ze laboreren aan toekomstvisies die gecreëerd zijn in 1900 of 1925. Voor « Samaris » werd de stijl van 1900 genomen, de Art Nouveau, wat bij een Brusselaar als François Schuiten wel geen toeval zal wezen. Belangrijker is echter dat ook een progressief-burgerlijke beweging als de Art Nouveau reeds een alomvattende greep op de omgeving wou hebben, waardoor huizen en steden niet alleen tot « Gesamt » kunstwerken zouden uitgroeien, maar ook tot een nachtmerrie, die haar bewoners dwingt tot een bepaald type ideaal gedrag, dat het beste bij haar structuren past.
De personages worden echter niet alleen door het decor beheerst, in de visie van de auteurs heeft architectuur ook alles te maken met politieke machtsstructuren en zij verwijzen hierbij dan ook naar de fascistische, nazi- en stalinistische architectuur, die een belangrijke invloed heeft uitgeoefend bij het concipiëren van het tweede album uit de reeks « De Koorts van Urbicande », een verhaal dat geheel bepaald is door de monumentale decors van de twintigsteëeuwse totalitarismen. In dit album, dat vanwege zijn sterke contrasten in zwartwit zal verschijnen, gaan de auteurs op zoek naar het element dat dergelijke alomvattende systemen kan verstoren.

00

DE ONSCHULD VAN YAKARI
In een geheel andere wereld beweegt zich het kleine indiaantje Yakari, dat nu ook al door het televisiemedium grote bekendheid heeft verworven. De avonturen van Yakari spelen zich af in een klimaat van onschuld, waarbij de niet-begrijpende volwassenen op de achtergrond blijven. De vrienden van Yakari zijn de dieren : zijn paard Kleine Bliksem (dat de hoofdrol speelt in het beste album van de reeks), de Witte Bizon, de Bevers, het « Groot Konijn » Nanabozo, Driepoot de Wolf en nog zovele andere meer. Alleen zijn vriendinnetje Regenboog maakt Yakari deelgenoot van zijn geheimen, maar omdat zij de taal van de dieren niet verstaat, blijft ook zij fundamenteel een outsider. Het is de niet geringste verdienste van tekenaar Derib dat hij aan een kinderserie als Yakari dezelfde zorg besteedt als aan zijn « grote » western-saga Buddy Longway, terwijl scenarist Job ondanks zijn bijwijlen moraliserende toon toch telkens met behoorlijk spannende verhalen op de proppen komt. De albums van Yakari zijn voor hun jonge (en minder jonge !) lezertjes dan ook niet alleen een leerrijke en aangename kennismaking met de leefwijze van de Amerikaanse indianen in samenhang met de hen omringende natuur, zij vormen ook een interessante initiatie tot de grammatica en de syntaxis van het beeldverhaal als volwaardige artistieke expressie. (7)
NOG WAT NIEUWSJES
Laten we tot slot nog wat nieuwigheden overlopen die voor de jeugd op de markt zijn gekomen. In de reeks « Cadetrama » van de uitgeverij Casterman schreef Alain Grée enkele boekjes bij elkaar rond kleine Tom en zijn broer Gérard maakte er leuke tekeningen bij. In « Kleine Tom en de natuur » wordt de nadruk gelegd op het al spelende leren (de ouders krijgen ook een rol toebedeeld), terwijl de titel van « Kleine Tom maakt een bladerenboek » voor zichzelf spreekt.
Bij dezelfde uitgeverij is er nu ook de interessante reeks « Vragend wegwijs ». Kinderen zijn nu eenmaal vraagstaarten (gelukkig maar, zo wordt hun kennis aangescherpt) en het is dus helemaal geen slecht idee om een aantal gegevens in vraag-en-antwoord-vorm te presenteren. Dat wisten ze zelfs in de catechismusles al. Over catechismus gesproken, de « zijnsvragen » worden in delen die daartoe aanleiding geven (« Mijn lichaam », « Onze aarde en het heelal ») niet uit de weg gegaan, maar gelukkig wordt er hiervoor geen deus ex machina (letterlijk en figuurlijk) ten tonele gevoerd. Over « Mijn lichaam » kunnen we nog zeggen dat er ook geen valse schaamte wordt gehanteerd in verband met seksualiteit, al wordt het begrip wel verengd tot voortplanting. Dat er over seks zelf niet wordt gesproken is op zich misschien niet zo erg, maar uit de illustraties zou een kind wel eens kunnen afleiden dat álle vrijen bedoeld is om kinderen te krijgen. Stippen we verder nog aan dat de twee andere tot hiertoe verschenen delen verband houden met dieren (« Dieren van de boerderij »; « Dieren in de natuur ») en dat ze telkens 245 fr kosten voor 64 bladzijden met gekartonneerde kaft.
Tenslotte is er bij deze uitgeverij nog een andere interessante reeks van start gegaan die de titel « Een kijkje in het verleden » meekreeg. In drie delen (« In de tijd van de holbewoners »; « In de tijd van de Galliërs »; « In de tijd van Karel de Grote ») worden de jonge lezers van ongeveer tien jaar op een originele manier binnengeleid in de respectievelijke historische periodes. We volgen immers een verzonnen personage bij zijn of haar gewone dagtaak, waardoor de levenswijze van de gewone man, zijn omgeving, zijn werk en denkwereld tot leven komt, wat eens iets anders is dan steeds koningen of veldheren. Bij het boek over Karel de Grote wordt dit principe helaas niet aangehouden. Daarnaast zijn er voor schoolgebruik nog enkele tabellarische gegevens, jaartallen, musea en andere bijzonderheden vermeld. (8)

Referenties
(1) uitg.Dupuis
(2) uitg.Casterman
(3) Univers-Media
(4) uitg.Lombard
(5) uitg.Wereldwijd
(6) Jan Mestdagh, Van Imhotep tot mei ’40, De Rode Vaan nr.48 van 1985
(7) Jan Mestdagh, Nieuw bij Casterman, De Rode Vaan nr.13 van 1986
(8) Ronny De Schepper, Nieuw bij Casterman, De Rode Vaan nr.13 van 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.