De grootste componist die Engeland in de barok kent (behoudens de Duitser Händel) is zonder enige twijfel Henry Purcell, die morgen 325 jaar geleden is overleden. Hij schreef toneelmuziek en ook gewijde muziek. Daarnaast schreef hij ook oden en liederen (o.a. “Elegy on my friend, Mr.John Playford”), evenals instrumentale muziek (vooral voor clavecimbel).

In 1658 wordt Henry Purcell geboren in Londen. Hij zal Engeland gedurende de tweede helft van de zeventiende eeuw helemaal muzikaal domineren. In datzelfde jaar sterft Oliver Cromwell. Diens zoon en opvolger Richard mist de eigenschappen om leger en parlement in bedwang te houden, zodat hij afstand moet doen en in 1660 de Restauratie volgt van het huis Stuart. Als Charles II zijn intocht houdt in Londen, kent het Engelse theater een herleving, o.a. door nu ook vrouwen als toneelspeelsters toe te laten. De beroemdste, Nell Gwynn, wordt zelfs de maîtresse van Charles. (Of hij daarmee een goede keuze heeft gedaan, kun je nagaan op het schilderij “Venus” van Peter Lely. De naakte vrouw die Venus voorstelt is immers Nell Gwynn.)
03 Venus by Peter Lely

Twee gezelschappen (dat van Thomas Killigrew en dat van William Davenant) kregen het alleenrecht om stukken waarin Engels voorkwam te spelen (vandaar het ontstaan in de vroege achttiende eeuw van theatergezelschappen die Italiaanse opera’s uitvoerden). In bijna al die stukken kwam ook muziek, zodat de grens met opera moeilijk te trekken valt. Er werden in de zeventiende eeuw weliswaar zowel Italiaanse (Cavalli) als Franse (Lully) opera’s uitgevoerd, maar het duurde tot 1656 vooraleer er door het gezelschap van Davenant een werk in het Engels werd uitgevoerd dat men als een opera kan bestempelen, ook al werden er nog twee componisten voor aangezocht, nl. Henry Lawes en Matthew Locke: “The Siege of Rhodes”, een werk dat ook al verloren is gegaan. Veel succes had dergelijke onderneming overigens niet, aangezien het Engelse publiek liever goed theater zag i.p.v. goede muziek te horen, vooral dan omdat de Engelse recitatieven veel te traag waren. Professionele zangers waren dus wél aan dergelijke theaters verbonden, maar enkel voor kleine rollen.
De Engelse toneelschrijver Shadwell was na Molière de eerste om “El Burlador de Sevilla” van Tirso de Molina te bewerken. Purcell zette in 1676 dit stuk op muziek. Hij was daarmee de eerste van een lange rij om het Don Giovanni-thema gestalte te geven. Purcell was gedebuteerd in het koor van de Royal Chapel, waar zijn leraar John Blow hem in dienst had gehouden, ook als zijn stem was “omgeslagen”. Twee jaar na “El Burlador” kreeg Purcell de job als organist van Westminster Abbey, die hij z’n hele leven zou uitoefenen. Zelfs na zijn dood werd hij onder zijn orgel begraven.
Regerend vorst Charles II had een voorliefde voor de Franse muziekstijl (bijvoorbeeld de XXIV Violons du Roi worden hier de 24 King’s Fiddlers) en John Dryden (1631-1700) wilde dan ook een tweeluik schrijven conform zijn verlangens. Voor “Albion and Albianus” sprak hij Louis Grabu aan, maar het resultaat was niet zoals verhoopt. Al was dat eerder omwille van de politiek controversiële tekst i.p.v. wegens de muziek. Daarna werkte Dryden voor “King Arthur” (1685) samen met Henry Purcell. Deze keer stierf Charles nog voor de première. Hij zou nochtans tevreden geweest zijn, enerzijds omwille van de patriottische stof, anderzijds omwille van de wel heel erg Frans geïnspireerde muziek, zodanig zelfs dat men kan zeggen dat voor de Frost-scene het begin van het vierde bedrijf van “Isis” van Lully (1677), de fameuze “scène des trembleurs”, zowat compleet geplagieerd werd. Michael Nyman van zijn kant gebruikte een thema uit “King Arthur” voor zijn soundtrack voor “The cook, the thief, his wife and her lover”. Nyman werkte ten tijde van “The Draughtman’s Contract” (1982) trouwens aan een doctoraat over “Engelse repetitieve muziek in de 16de en 17de eeuw”, waardoor hij tevens inspiratie vond bij Henry Purcell voor genoemde film. Wat zijn canons, rondo’s en catches immers anders dan repetitieve muziek? (Wat catches zijn, begrijp ik niet precies, maar het merkwaardige is dat ze bovendien “dirty words” zouden bevatten.)

In 1988 speelde een 25-tal (ook nog jonge, d.i. min-35’ers) beroepsmensen in op de toenemende belangstelling voor opera met een eigen erg mobiele productie van « Dido en Aeneas » van Henry Purcell. Elders laat ik hierover initiatiefnemer, producer en regisseur François Van Eeckhaute, zelf aan het woord.
In maart ’92 werd in de Muntschouwburg de uitvoering van “Medeamaterial” van de jonge Fransman Pascal Dusapin gekoppeld aan Henry Purcells “Dido and Aeneas” en als dusdanig ook uitgevoerd door La Chapelle Royale & Collegium Vocale geleid door Philippe Herreweghe in een regie van Jacques Delcuvellerie. Met Marian­ne Rörholm (Dido), Nicolas Rivenq (Aeneas), Donna Brown (Belinda), Scot Weir (sailor/spirit), Marie-Noëlle de Callataÿ (second woman), Michele Patzakis (first witch), Zofia Kilano­wicz (second witch) en Ralf Popken (sorceress). Het was uit­stekend. Zeker instrumentaal en vocaal (alleen de tenor was misschien wat zwakjes), maar ook de relativerende scenografie. Alleen het ballet van José Besprosvany was hier duidelijk minder op zijn taak berekend dan bij Dusapin.
Zes jaar later was Marc Clémeur van de Vlaamse Opera er eerder over verbaasd dat niemand eerder op de idee was gekomen om “Venus and Adonis” van John Blow aan “Dido and Aeneas” van Henry Purcell te koppelen. “Ze zijn gecomponeerd met amper een tiental jaren verschil en handelen beide over een dominante vrouw en een ijdele minnaar die haar verlaat.” “Venus and Adonis” van John Blow uit 1683 is de oudste overgeleverde Engelse opera en stond inderdaad model voor “Dido and Aeneas” van Henry Purcell uit 1689 (dominante vrouw versus ijdele man; dramatische afloop, wat zeer zeldzaam was in een barokopera; toch ook komische momenten; er zijn zelfs overeenkomsten in melodische details). René Jacobs leidt Il Fondamento en Benoit Dugardin, de vroegere technisch directeur van de VLOS, treedt op als scenograaf. Het is een overname van een productie van de Festwochen der Alten Musik in Innsbruck, waarvan Jacobs artistiek directeur is. Jacobs behoort tot diegenen die weliswaar een authentieke uitvoering nastreven, maar dan wel in de betekenis dat de toeschouwer een “authentieke belevenis” meemaakt, wat b.v. met zich meebrengt dat hij er niet voor terugschrikt om stukken uit andere opera’s in te lassen, in dit geval een jolig dansje uit “The Fairy Queen” (te vergelijken met de berendans in “La Calisto” in de Munt). Daarvoor laat hij dan wel hobo’s meespelen die oorspronkelijk niet waren voorzien, maar Fondamento-baas Paul Dombrecht was daar allerminst rouwig om. De continuo-partij wordt gespeeld door mensen uit Jacobs’ eigen Concerto Vocale (o.a. Konrad Junghänel).
De beide opera’s gaan bijna naadloos in elkaar over (uiteraard in een eenheidsdecor) en door een paar theatrale ingrepen worden ze ook op elkaar betrokken. Zo is het everzwijn waardoor Adonis wordt gedood, niets minder dan een incarnatie van de heks uit “Dido and Aeneas” (gezongen door Susan Bickley), die ook daar onheil en verderf zaait. En er is ook de Cupido-figuur van Etsuko Kanoh, die in beide stukken opdaagt. Dood en liefde, liefde en dood, eros en thanatos, jawel, ook gesymboliseerd in Venus die Dido komt bijstaan in haar doodstrijd. Dido en Aeneas zijn Susan Maclean en Ned Barth (tot hiertoe vooral in Verdi en Puccini te horen!), Venus en Adonis worden vertolkt door Janice Hall en Daniel Mobbs. Dominique Visse en Andrew Watts hangen het zotteke uit als tovenaressen, terwijl ze ook de kleine jongetjes lastig vallen die een opleiding volgen om Cupidootjes te worden. Of zijn het Elio di Rupootjes?De veronderstelling dat “Dido and Aeneas” zou geschreven zijn voor een meisjespensionaat, waarbij de dansleraar dan de rol van Aeneas voor zich zou hebben genomen, is ondertussen achterhaald. De opera werd immers zo’n tien jaar eerder geschreven en gecreëerd aan het hof, wat men o.m. kan afleiden uit de talrijke toespelingen op het libertijnse klimaat dat daar na de sombere Cromwell-episode heerste. Later is de opera dan wél door die meisjes uitgevoerd, net als “Venus and Adonis” b.v., waarbij Adonis dan door een mezzo werd gezongen i.p.v. een basbariton.
Alhoewel de hobo toen nog een zeer jong instrument was in Engeland, achtte René Jacobs het toch doenbaar om de eerste vioolpartij te laten verdubbelen door twee hobo’s in de dansmuziek, omdat de Gentse en Antwerpse opera nu eenmaal veel groter is dan de zaal aan het Hof, waar “Dido and Aeneas” in première ging. Bovendien werd de blokfluit daarin gespeeld door de Fransman Paisible die de hobo uit Frankrijk in Engeland introduceerde. Jacobs merkt terecht op dat het toch niet onwaarschijnlijk is dat deze van de gelegenheid zou gebruik maken om zijn kunsten op de hobo ten toon te spreiden.
Tussendoor was op 28 en 29 september 1995 in Vooruit “La tristeza complice” te zien, waarvoor Van der Harst de muziek van Henry Purcell bewerkte voor… tien accordeons! Soms blijft hij tamelijk dicht bij het originele, maar meestal gaat hij er zo ver van weg dat zelfs “Circus Renz” aan bod kan komen in de prelude voor “The Fairy Queen” of de vijfde van Beethoven in het rondo uit “Abdelazer”. Er verlenen ook twee zangeressen hun medewerking, die op de scène elkaar afwisselen maar op de CD alle twee voorkomen. Dat zijn dus Eurudike De Beul, die o.a. een a capella versie van de folksong “Tom of Bedlam” brengt, en Fazila Ugljesa-Hadzifejzovic, een Joegoslavisch koorlid van de Vlaamse Opera.
Multiculturele verdraagzaamheid staat immers centraal in deze dansproductie van Het Muziek Lod in samenwerking met Les Ballets C. de la B. van Alain Platel. Deze zet tien dansers en twee kinderen op de scene, die wanhopige pogingen doen om samen te dansen. Alhoewel dat bij Platel vaak niets anders zijn dan alledaagse handelingen, lukt hen dat niet en dat leidt tot verbale en fysieke agressie. Ook het decor van William Phlips is opzettelijk lelijk en vuil, omdat dit nu eenmaal de wereld is waarin wij leven, aldus Alain Platel. Het idee om te vertrekken van Purcell is ook van Platel. Als puber werd hij immers wat klassieke muziek betreft over de streep getrokken door muziek van deze Engelse componist (dankzij de soundtrack van “A clockwork orange”?).
Ook Van der Harst, die gedeeltelijk in het Engels werd opgevoed, had reeds vroeg met Purcell te maken, maar dan wel met gemengde gevoelens. Het “maatwerk” irriteerde hem en vandaar de idee om de “essentie” uit elke compositie te halen en daarop voort te borduren. In de geest van het stuk werd dat dan gedaan op accordeon, omdat dit het muziekinstrument is van “de gewone man”. Accordeonmuziek hoort immers in onze eigen folktraditie thuis. Maar de laatste tijd heeft ook de eigentijdse “klassieke” muziek dit instrument ontdekt. Zo speelde Guy Klucevsek in Logos werk van o.m. John Zorn. Voor de klassiek geschoolde accordeonisten o.l.v. Tenuto-laureaat Philippe Thuriot van hun kant is deze productie toch nog steeds een buitenkans, omdat zij met een nijpend gebrek aan repertoire zitten. De bijhorende CD kreeg de titel “Hark!” mee, oud-Engels voor “luister!”
Eigenlijk is Purcell zo uniek in de Engelse muziekgeschiedenis dat men hem wel eens “a spring never followed by summer” noemt. Zijn werk is sterk beïnvloed door Lully en Rameau, maar ook door Monteverdi en de Venetiaanse school.
Onnodig te zeggen dat Purcell op zijn beurt grote invloed heeft uitgeoefend op Händel. Een van de hoogtepunten van Purcells oeuvre is de “Music for the funeral of Queen Mary”. Dit is helemaal geen bombastische muziek, zoals men zou verwachten voor een vorstelijke begrafenis. Nee, het is integendeel innig-droeve muziek. Misschien is dit omwille van het feit dat de koningin pas 33 was toen ze in 1694 aan de pokken stierf. Amper enkele maanden daarvoor had Purcell voor haar 33ste verjaardag zelfs nog een luchtige ode gecomponeerd. Nu klinkt het: “In the midst of life we are in death”, alsof Purcell reeds wist dat amper acht maanden later deze muziek opnieuw zou weerklinken, deze keer op zijn eigen begrafenis. Hij overleed immers (hij was ook pas 36) nadat zijn vrouw hem na een nachtje uit de toegang tot het huis had ontzegd en hij een longontsteking opliep door buiten te slapen. Een ironisch einde voor iemand die o.m. “The cold song” had geschreven… (Een andere versie is evenwel dat hij zou overleden zijn door vergifting na het eten van bedorven chocolade.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.