De Duitse broertjes Max en Emil Sklandanowsky hebben de eerste commerciële filmvoorstelling in Europa georganiseerd. Op 1 november 1895 vertoonden ze in de Berlijnse Wintergarten zeven minuten film met een boksende kangoeroe, een Russisch volksdansje en de onvermijdelijke serpentine-danseres. Hun procédé heette de “bioscope”. Het succes zetten een aantal Duitse laterna magica exploitanten, zoals Oscar Messter en Guido Seeber, ertoe aan om naar dit nieuwe medium te grijpen. Uiteraard ging hun belangstelling vooral uit naar erotiek, zoals “Tanz der Salomé” van Messter uit 1902 bewijst of later “Insel der Seligen” uit 1913 van de beroemde theaterregisseur Max Reinhard, waarin met name de zeemeerminnetjes er niet minnetjes uitzagen…

Vooral Asta Nielsen (foto) in films van haar echtgenoot Urban Gad was populair. Als voorbeelden kunnen we “Die Sündes der Väter” en “Die Arme Jenny”, allebei uit 1911, citeren. Nochtans zijn dit tranerige melodrama’s die steevast slecht aflopen. De Pruisische film uit die tijd was immers “uiteraard” gezagsbevestigend. Een uitzondering werd gevormd door music-hall artiest Karl Valentin die in 1913 de draak kon steken met de autoriteiten in “Die lustigen Vagabunden”. Hij kon dit zelfs tijdens de oorlog blijven doen met “Robert und Bertram” van Max Mack uit 1915, dat ook in ons (door Duitsland bezet) land erg populair was.
In 1916 was er reeds de film “Der Golem, wie er in die Welt kam” van Paul Wegener, maar buiten het grondidee heeft deze film weinig te maken met het boek van Gustav Meyrink, dat een jaar eerder verscheen. Eigenlijk ging “Homunculus” van Otto Rippert uit datzelfde jaar er dan nog meer op terug. Dit filmfeuilleton was trouwens veel populairder, ook alweer in ons land.
In datzelfde jaar was er ook nog “Dokter Satanssohn” van Edmund Edel uit 1916, waarin de latere beroemde regisseur Ernst Lubitsch een komische draai geeft aan het bekende Faust-thema. Hier is het een oudere vrouw die er per se jong wil blijven uitzien (Cher?) en daarom tovert hij haar in het lichaam van haar dochter. Haar dochter zelf wordt in een beeldje veranderd. En alvast de verjongde moeder leefde nog lang en gelukkig… op voorwaarde dat ze zich niet liet kussen. Ook hier is er dus weer een parallel met Cher, want ik denk dat die zich met al die plastische chirurgie ook niet mag laten kussen…
In januari 1917 wordt in Berlijn “Unsere Helden an der Somme” gedraaid, over het algemeen beschouwd als de eerste propagandafilm (omdat de Duitse bevolking stilaan genoeg kreeg van die oorlog die maar bleef aanslepen was het noodzakelijk de gemoederen wat op te zwepen). Nochtans zou ook “Das Tagebuch von Dr.Hart” van Richard Oswald uit 1916 hiervoor in aanmerking kunnen komen, want daarin wordt de Duitse expansie voorgesteld alsof men de Polen van het Russische juk wilde bevrijden. Merkwaardig is dat in 1920 diezelfde Richard Oswald “Anders als die anderen” zal draaien, een film waarin Conrad Veidt (de latere majoor Strasser in “Casablanca”) een vioolvirtuoos speelt, die belangstelling heeft voor mannen. De film werd verboden en verdween in de kelders. Veel later kon pas een kwart ervan worden hersteld en onder meer uitgezonden door Arte.
“Unsere Helden” was ook de directe aanleiding om in december van datzelfde jaar de UFA op te richten. Na WO I werd de UFA geprivatiseerd (de aandelen gingen ondermeer naar de Deutsche Bank, Krupp en I.G.Farben). Dat veranderde weinig aan de interne (autoritaire) organisatie van de studio. De UFA bleef gecontroleerd door hoge (rechtse) financiële kringen en zou later zonder veel moeite door Goebbels worden omgevormd tot een machtig propaganda‑apparaat in het Derde Rijk.
“Das Kabinett des Dr.Caligari” (1919) van Robert Wiene wordt over het algemeen als de eerste “kunstfilm” beschouwd. Het was de periode van het expressionisme, al zat dit volgens sommigen enkel in het toneelmatige van de film (en met name in de bewust onrealistische decors) en niet zozeer in de film zelf. Integendeel, zelfs in “From Caligari to Hitler” heeft Siegfried Kracauer in 1947 aangetoond hoe deze film, waarin sommigen een pleidooi zien voor dictatoriaal machtsmisbruik, reeds de kiemen in zich draagt van de Hitleriaanse nachtmerrie.
“Caligari” werd bij de première reeds in kleur vertoond, maar dat was dan met de techniek van het “inkleuren”. Deze techniek was niet bestand tegen de tand des tijds en lange tijd moesten de liefhebbers het dan ook doen met een zwart-wit versie. In 1995 werd de film echter gerestaureerd door ons eigen Koninklijk Filmarchief en meer bepaald door Noël Desmet, die op zijn restauratietechniek zelfs een patent nam (Desmetcolori).
Over de film zelf dan: Cesare (alweer Conrad Veidt) is een ‘somnambulist’: een slaapwandelaar die onder hypnose helderziend en totaal willoos wordt. Zijn meester Dr.Caligari (Werner Krauss) maakt misbruik van die slaafse gehoorzaamheid, wat de film zo kort na WO I laat lezen als een anti‑autoritaire fabel over het willoze Duitse volk dat door zijn heersers gemanipuleerd wordt. De pro‑ en epiloog, tot woede van de schrijvers aan het scenario toegevoegd, zwakken dit echter af. In tegenstelling tot de klassieke vertelstijl en statische camera waren de uiterst gestileerde expressionistische decors zeer modern. Deze vormgeving droeg sterk bij tot Caligari’s grote succes. Later claimden de scenaristen Hans Janowitz en Carl Mayer dat de hele film, inclusief het decoridee, louter hun verdienste was. Kracauer steunde dit verhaal, maar recent onderzoek bewijst dat het onrecht doet aan de inbreng van producer Meinert en regisseur Wiene.
Op 17 september 1922 had de eerste openbare geluidsfilmvertoning plaats volgens het Tri-Ergonsysteem, ontworpen door Hans Vogt, Jo Engl en Joseph Massole. Het publiek was enthousiast, maar de pers en de filmbusiness niet.
In 1929 is dan ook het grote nieuws is dat William Fox bij Western Electric het Movietone-procédé heeft aangekocht, zodat “Fox’ gesproken weekblad” een legende wordt. In Duitsland wordt dit op 10 september nagevolgd door Ufa, waarvoor Emil Jannings het eerste filmpje inspreekt. De eerste Duitse klankfilm was “Melodie des Herzens”, een filmoperette met Willy Fritsch (er werd voor alle zekerheid trouwens ook een stomme versie gedraaid omdat nog weinig bioscopen met aangepast materiaal waren uitgerust; daarnaast werd trouwens ook een Engelse, Franse en Hongaarse versie gedraaid met dezelfde acteurs). Daarna wordt voor “Die Drei von der Tankstelle”, waarin Willy Fritsch voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst aan Lilian Harvey wordt geïntroduceerd en eveneens Heinz Rühmann, nog wel een Franse versie gedraaid, maar in tegenstelling tot vroeger nu ook met Franse acteurs. Alleen Lilian Harvey blijft haar eigen rol spelen, ook in de Engelse versie.
In 1929 kwam het boek van Erich Maria Remarque “Van het westelijk front geen nieuws” uit en een jaar later draaide Lewis Milestone reeds “All quiet on the western front”, goed voor twee oscars, maar in Duitsland verboden na rellen die werden uitgelokt door Goebbels. Wat die vond van “Der Blaue Engel” (Josef von Sternberg, 1930), de eerste film van Marlene Dietrich, is niet geweten, maar het is toch merkwaardig dat producer Erich Pommer erin slaagde deze film naar Heinrich Mann gedraaid te krijgen in een studio die door een nationalist werd gerund (Hugenberg).

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.