Mijn enige ervaring met de moderne wereld van de spelletjes blijft beperkt tot het inmiddels oubollige Pac Man en het al even fris ogende Tetris. Oh ja, er was ook nog iets als een boerderij, een ‘farm’, een spel op de pc mij aangesmeerd door een kleindochter. Gedurende een hele tijd heb ik daar dagelijks gedurende telkens ongeveer een uur schapen, geiten, varkens en kippen gevoederd, maïs, rogge en tarwe laten groeien, wortelen en aardappelen geplant, tomaten en snijbonen geoogst. En dit voor iemand die het verschil niet kent tussen een komkommer en een raap, tussen een bok en een alpaca.

Mijn wereld is het niet. Mijn speelgoed zag er anders uit. In het isolement van mijn beperkte asociale wereldje was er vooral het boek. Maar ook enkele attributen van meer werelds, platvloers allooi zoals auto’s inclusief een garage (mét lift), een elektrische trein, en zo nog een en ander want ik was een verwend joch. Nakomertje, heel erg naar verlangd, en teer kasplantje – dus aan materiële uitingen van ouderliefde geen gebrek. Al kon ik me best in mijn eentje amuseren – eenzaat, ik zei het al – er waren ook gezinsmomenten: kaarten, gezelschapsspelen. Gezin… vader, moeder, daarmee hield het op – broer was heel wat ouder en dit soort klef vertier ontgroeit. Spelen in groepsverband, dat ik daar niet veel herinneringen aan bewaarde zal wel geen toeval zijn. Knikkeren deed ik wel, met schoolvriendjes – mooie glazen stuiters, gevlamd, kleurrijk, in een wit linnen zakje. En het spel ‘landen veroveren’: met een zakmes terrein afbakenen in het zand door te gooien en zo het terrein uitbreiden. Fanatiek was ik niet, winnen interesseerde me niet, ik vraag me zelfs af of het spel me wel boeide. Maar ik moest toch iets doen, die verloren uren, die ‘speeltijd’ op school.
Speelgoed, het spel. Om bezig te houden, en dienstig en noodzakelijk voor de ontwikkeling. Hoe zouden onze verre voorvoorouders wel gespeeld hebben, zich geamuseerd hebben in hun eerste levensjaren. Met twijgjes en stenen, met zand – de materialen uit de natuur. Wellicht zullen de kleuters die wij homo habilis en homo rudolfensis noemen al vlug ingeschakeld zijn in de wereld van de volwassenen, overleven zal wel de boodschap geweest zijn: jacht en visvangst. Al werden er uit die periode ook artefacten gevonden, werktuigen die hun nut dienden te bewijzen in het dagelijks leven. Maar speelgoed zo’n drie miljoen jaren geleden, nee. Al is het best mogelijk dat enige krabbels op de rotswanden van Altamira of Lascaux een signaal zijn van de tekendrift van het jonge grut dat in dierenvellen gehuld rondkroop en dat in betere omstandigheden kon uitgroeien tot een Jackson Pollock of Picasso.

Om sporen van speelgoed te vinden dienen we minder diep in het verleden te graven. Zo’n twee- of drieduizend jaar voor Christus zal volstaan. Maar graven moeten we wel. Want de bewuste objecten treffen we hoofdzakelijk aan in de graven van kinderen. B.v. in Egypte, in sarcofagen, verscholen in de piramiden. Het speelgoed, tollen, ballen, jojo’s, trekfiguren, en natuurlijk poppen met kleertjes en zelfs servies, werd meegegeven aan wie jong gestorven was. Men geloofde immers in het leven hierna, en het kind mocht zich ook daar amuseren. Anderzijds was het ook een offer aan de goden. Dit manifesteerde zich zowat overal in Afrika maar hetzelfde gebruik vond men terug bij de Inuit. De kinderen hoefden niet noodzakelijk te sterven om hun speeltjes te offeren: in veel culturen deden meisjes dat op het ogenblik van hun huwelijk terwijl jongens hun knikkers aan Venus schonken op het ogenblik dat zij bij de wereld der volwassenen ingelijfd werden. De materialen waaruit al dat fraais vervaardigd werd was heel divers. Poppen bestonden eerst vooral uit hout en beenderen, in Afrika en Mexico waren stro en maïs populair terwijl hun opschik daar, net als bij de Eskimo’s, voltooid werd met mensenhaar. In Zuid-Amerika gebruikte men voor de speeltjes meestal wol en klei. Het is evident, er werd gespeeld met wat men vond in de natuur of wat men met de daar voorhanden materialen zelf kon vervaardigen. Hoewel: er werden bronzen knikkers gevonden, rammelaars, metalen ballen. En zelfs heuse, weliswaar rudimentaire poppenhuizen die meegegeven werden naar ‘de andere zijde’ – ook daar diende men gehuisvest te zijn! Niet alleen wij zijn met een baksteen in de maag geboren…  
De eerste bewegende poppen, een belangrijke stap in de evolutie van het poppendom, konden aangetroffen worden bij de Grieken en de Romeinen. Zo was er Barbie numero uno, gevonden bij het skelet van de Vestaalse maagd Cossina, zij (Barbie dus) moet ‘geleefd’ hebben tussen 193 en 211 na Christus. Bij beide volkeren werd ivoor een favoriet materiaal om o.m. meubeltjes en ander fraais te knutselen voor hun peuters. In Rome kon je onder Caesar al zien hoe een talentvolle Eden Hazard een lederen voetbal gevuld met lucht in de handen van een lokale Jean-Marie Pfaff liet belanden. Rammelaars in de vorm van een varken moeten populair geweest zijn, het waren bolletjes klei die voor het enerverend lawaai zorgden. Er waren er ook in de vorm van een vrouwenborst, dubbele functie, een muzikale fopspeen. Ook jojo’s en lappenpoppen waren favorieten. En zoals we weten uit de Testamenten: de dobbelsteen – al was dat misschien eerder een amusement voor volwassenen tussen pot en pint in de herberg ‘Het Kruisken’. Bikkelen, ook zoiets, met beentjes van schapen of geiten. En dieren op wieltjes die met een touwtje konden getrokken worden, vaak herten en ook hier de nummer één, het varken.

De jongens kregen toekomstgericht materiaal: wapens, voorlopig tamelijk ongevaarlijk, en stokpaardjes om zich tot bekwame ruiter te ontwikkelen; al lijkt dat laatste tamelijk potsierlijk – zelf paard spelen om jockey te worden. Volwassenen, natuurlijk spelen die ook – homo ludens; niet alleen sport, actief en passief, golf, tennis, squash, voetbal, wielrennen… inmiddels ook digitaal, of met restanten uit hun jeugd, lego, treintjes. Ook de bordspellen zijn de laatste jaren populair geworden, oudere exemplaren van ons ras geschaard rond een tafel, voorzien van een drankje en een knabbeltje, zo gaan ze competitief op in een urenlange strijd. Het is geen recente uitvinding, de Chinezen amuseerden zich er al mee 2000 jaar voor Christus. En in wat nu Irak is vond met ooit een spel gedateerd 5.500 jaar voor X dat de naam kreeg ‘Het koningsspel van Ur’. Of er enige gelijkenis is met het eerste moderne bordspel uit 1843 dat in de US ontwikkeld werd ‘The mansion of Happiness’ betwijfel ik.
Een kinderpasje vooruit, richting middeleeuwen. Werd er toen gespeeld, in die duistere periode, of was zij voor de kinderen toch niet zo totaal en definitief donker en hopeloos. Allicht dat kleuters en peuters hun zorgeloze jaren zullen gekend hebben. Ondanks af en toe honger, kou, her en der oorlogen, veldslagen, besmettelijke ziekten, dood en verderf. En ja de jongens werden in het arbeidsproces ingeschakeld vanaf hun 7de, de meisjes begonnen op die leeftijd mee te helpen in het huishouden. Alles afhankelijk van hun sociale plaats, de status. De boerderij, ambachtslui, burgerij, adel… dat zal wel voor enig (opmerkelijk) verschil gezorgd hebben. Speelgoed hadden ze evenwel allemaal wel. Net als wat vorige eeuwen bestond, ballen, jojo’s, diabolo’s. Fluitjes, trommels, ratels, er werd gemusiceerd. Knikkers, vliegers werden opgelaten, trek- en duwdieren, hoepels en tollen. En poppen, in hout, lappenpoppen om te knuffelen en nu ook voor de eigen poppenkast – nu ontstond een heus ambacht: de poppenmaker. In groep ging men o.m. klossen (een bal door een beugel slaan) en keien (steentjes over het water laveren), touwtje springen, hinkelen dat oorspronkelijk een religieuze betekenis had (de hemel bereiken). De materialen bleven de klassieke al bestonden de speeltjes in de rijke huizen vaak uit zilver, brons en glas – of die wel altijd aan de kleine pollekes toevertrouwd werden is nog de vraag, mogelijk waren het sierstukken, blufproducten.

Imitatie van de wereld van de volwassenen bleef belangrijk, en zal dat altijd wel blijven: toen leefden ze zich uit met houten zwaarden (desnoods stokken of twijgen), stokpaarden (idem), dansen, verzorgen van poppen – veel is er na zoveel eeuwen gedrags- en psychotherapie niet veranderd. Zodat we moeiteloos overstappen naar de 16de eeuw en naar Wenen, het Kunsthistorisches Museum waar we even verwijlen bij het schilderij van Brueghel ‘Kinderspelen’ uit 1560. 230 kinderen zien we hier in maar liefst 91 spelmomenten. Ze schommelen, bikkelen, hoepelen, spelen haasje over en tikkertje maar ook haartje trek. Imitatie? Zien we daar geen huwelijk, en daar een bruidsstoet, en een misviering… en zelfs de jacht op een of ander dat hen niet zint…

Het was ook de eeuw dat een ander fenomeen opdook: het poppenhuis. Echt nieuw was dat niet, zelfs in de oudheid bestonden er zeer rudimentaire vormen van huisjes die bedoeld waren om mee tegen in de graftombe zoals we reeds zagen. Dat was niet de bedoeling van hertog Albrecht van Beieren die voor zijn dochter een poppenhuis liet bouwen dat meteen vier verdiepingen telde, alles erop en eraan. Meest opmerkelijk was het project van prinses Auguste van Brunswijk-Wolfenbüttel (1666-1751), ook gekend als van Schwartzburg-Arnstadt. Het was in Arnstadt (Thüringen) dat haar echtgenoot, graaf en rijksvorst, resideerde, en waar zij J.S.Bach gedurende vier jaren als organist kende. Maar midden het rijke culturele leven concentreerde de gravin zich op de bouw van een volledige poppenstad: 80 huizen, 391 poppen, 2670 voorwerpen, het stadje kreeg de naam ‘Mon Plaisir’. Het toonde woningen van de adel, van de burgerij, en boerderijen; de poppen waren natuurlijk overeenkomstig gekleed, en overal zijn gebruiksvoorwerpen en versieringen te vinden. Nog steeds, want het ganse poppenstadje heeft de beruchte tand weerstaan en is in Arnstadt te bezichtigen.
In de 17de en 18de eeuw werden poppenhuizen populair, vooral in landen waar veel binnenshuis moest gespeeld worden, het killere noorden, de Scandinavische landen, Duitsland, Oostenrijk, Rusland, ook Nederland en Groot-Brittannië gingen voor de bijl om hun kroost te verwennen met miniatuurhuisjes, het ene al perfecter en kostbaarder dan het andere. De ambachten bloeiden: timmeren, poppen, kleding, meubilair en toebehoren. Het lilliputter-personeel werd meestal uit hout vervaardigd, de bewoners genoten de eer uit was opgetrokken te worden: zelfs in het materiaal voor de poppen bestond het klassenverschil, orde moest er zijn. Er waren de pronkhuizen, voor de show. Deze om mee te spelen, die waren allicht het wat goedkopere soort. En het demonstratiemodel, dat hoofdzakelijk dienstig was om de (bemiddelde) jongedame wegwijs te maken in het reilen en zeilen van de huishouding: hoe hou ik het personeel adequaat onder de knoet. Overgebleven huizen staan inmiddels te kijk in musea, er bestaan talloze boeken. Als speelgoed bleven ze populair, iedere merkpop met standing bezit wel één of meerdere woningen. Wat heeft Barbie niet ter beschikking, van villa tot zomerhuisje…

Zelf heb ik me nooit in het bezit mogen verheugen, er wel naar gehunkerd – maar er, vermoedelijk uit enige mannelijke trots, nooit om gevraagd. Improviseren met wat ik uit een blokkendoos samenraapte, dat was gedoemd om roemloos ten onder te gaan. Gelukkig dook het decennia later in mijn leven op; kleindochters, waar ze al niet nuttig voor zijn. Het bevond zich bij ons. Heel fraai was het niet, plastic, wel met deuren die open (en dus ook dicht) gingen, met balkons; uit twee delen. Meubeltjes, enkele popjes. En een kleuter die dolgraag opa claimde om samen allerlei avonturen in en rond het huis te beleven. Wat wou ik nog meer.
In de volgende eeuw kwam de ambachtelijke productie van speelgoed pas echt op gang en zagen ze in de steden meteen de eerste speelgoedwinkels opdagen. Het begon vooral in Neurenberg waar veel houtsnijders aan het werk waren die, na godsdienstige conflicten, de vraag naar religieuze beelden drastisch en voor hen dramatisch zagen afnemen: dus een nieuwe afzetmarkt gezocht, het kind!

Toen ontstonden ook de ‘centsprenten’, getekende verhaaltjes – voorlopers van de strips!. Pas volgende eeuw, de 18de, leverde heuse kinderboeken – de eerste verschenen. Ze waren vooral moraliserend. Denken we aan Hieronymus van Alphen die in 1778 zijn ‘Kleine gedigten voor kinderen’ publiceerde, u kent daaruit vast ‘Jantje zag eens pruimen hangen…’. De filosoof Jean Jacques Rousseau vestigde de aandacht op de belevingswereld van het kind – plots een origineel standpunt. Terwijl de industriële revolutie een eerste flinke zet kreeg (er kwam meer mechanisch speelgoed) die zich in de 19de eeuw zou verder zetten, en waarvan ook de jeugd de vruchten zou plukken (en de nadelen in fabrieken). Gebruik van stoom en elektriciteit: er kon met kleine stoommachines gespeeld worden en nadat Märklin in 1891 een opwindbare trein met rails en wissels op de markt bracht, volgde zo’n tien jaren later reeds de eerste elektrische versie!

In 1907 doemde iets op dat generaties zou blijven fascineren, het constructiespel Meccano. Vijf jaar eerder ‘lanceerde’ president ‘Teddy’ Roosevelt de eeuwige knuffelbeer, ons slaapje, de teddy, het verhaal is gekend. Nieuw materiaal dook op: blik en porselein. Dit laatste werd populair voor poppen, ze konden hiermee een expressiever gelaat krijgen; kwetsbaar waren ze wel – meestal belandden ze met hun hoofdjes en handen in biscuit dus als salonpop roerloos in een zetel, niet bestemd voor onstuimige kinderpollekes. Wel voor de kindjes maar eveneens kostbaar: wat Alexandre Théroude in 1854 creëerde, een sprekende pop: zij kon drie woordjes brabbelen “mama, papa, koekoek”; hij had nog heel wat meer bewegende en klank voortbrengende items op zijn actief, vogels, een fluitspeler… Edison ging nog een stapje verder met zijn fonografische pop: een geregistreerde tekst, maar het geluid reproduceren was gecompliceerd.

Opvoedkundig zou er nu ook wel een en ander wijzigen, de pedagogen roerden zich. Met aan het hoofd Fröbel die in 1837 een eerste Kindergarten oprichtte, een kleuterklasje, een bewaarschool, een papschool. En werd educatief spelmateriaal ontwikkeld, blokken, mozaïeken… Zo kroop, huppelde, sprong de jeugd op verantwoorde wijze de 20ste eeuw in.
Een razendsnelle evolutie. En dan bedoel ik niet het verschijnen van de Dinky Toys in 1934, noch van hun concurrent Matchbox zo’n tien jaren later. Misschien zou de geboorte van Barbie in 1959 wel in aanmerking komen, of de stichting van Mattel zelf in 1945 vermits ze ons het overrompelende Fisher-Price aan de hand deden. Of wat niet meer weg te denken is voor jong én oud: de steentjes met nopjes van Lego die in 1949 het levenslicht zagen, twintig jaren later gevolgd door broertje Duplo – hen is de eeuwigheid beloofd. Maar nee, het gaat er vooral om dat we nu in een digitale wereld leven, en ook in een digitale wereld spelen.

Waren de speeltjes vroeger hoofdzakelijk realistisch, nu ontspruiten ze steeds meer uit de fantasie of leunen ze aan bij het karikaturale. Onder invloed van televisie, tekenfilms en digitale spelen inclusief handige merchandising. Knuffels, poppen – ooit realistisch – krijgen nu alle mogelijke vormen en kleuren mee. Er wordt een futuristisch universum aangeboden. Dat zich steeds minder op straat, steeds minder in gezelschap, in groep afspeelt. De speelwereld ziet er wel heel anders uit dan vijftig, zestig jaar geleden. Geschiedde de evolutie door de eeuwen heen veeleer traag, behoedzaam, nu lijkt zij een plotse, heftige sprong gemaakt te hebben. Maar er is die ene constante: de mens, klein en groot, blijft spelen – de vorm mag verschillen, het spel van aanzien veranderen. ‘Panem et circenses’ schreef Juvenalis, dat was negatief bedoeld – het hoeft zo niet te zijn: brood om te leven, het spel om dat leven ook aangenaam en zinvol te maken. Want alles kan spel zijn, zoals voor mij de letters, het ordenen der woorden, het schikken van zinnen…      

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.