Ivan Ollevier is een rare kornuit. Alhoewel hij niet tot diegenen behoort die ten allen prijze hun leeftijd geheim willen houden, wil hij blijkbaar wel zijn exacte geboortedatum niet aan de gemeenschap prijs geven. Geboren in Veurne in oktober 1960, daarmee moeten we het doen. Maar zo werkt dat hier niet op mijn blog natuurlijk. Daarom heb ik hem maar laten verjaren op dezelfde dag als ik, veel kan ik er alvast niet naast zitten…

Vooraleer Ivan Ollevier als buitenlandredacteur van de VRT aan de slag ging, is hij zowaar nog medewerker geweest van De Rode Vaan en dan nog wel op het gebied van plastische kunsten. In die hoedanigheid was hij gerecruteerd door en moest hij verantwoording afleggen aan de “chef cultuur” van De Rode Vaan, zijnde Jan Mestdagh. Omgekeerd rekende Jan het dan wel tot zijn plicht om de poëziebundels te bespreken die Ollevier op geregelde tijdstippen afscheidde. Hierbij de bespreking van zijn tweede bundel, “Een ruimte tijd”.

Nu alweer drie jaar geleden ondernam Ivan Ollevier een reis langs de westkust van de Ierse republiek, waar hij getroffen werd door wat hijzelf omschrijft als « de naamloze afwezigheid van de mens in het landschap, geaccentueerd door de talrijke ruïnes en bouwvallige huizen ». De intensiteit waarmee 011evier de confrontatie heeft aangegaan met een ruimte waarin de tijd als het ware is blijven stilstaan, heeft zich uiteindelijk uitgekristalliseerd in achttien gedichten die de gemeenschappelijke titel « Een ruimte tijd » meekregen en als zodanig de tweede bundel vormen van deze dichter die in 1984 debuteerde met « Passionaria ».
Waar Ollevier in zijn eerste bundel duidelijk onder de indruk stond van de sensuele barok van een Paul Snoek, is het niet toevallig dat de illustratie op de omslag van « Een ruimte tijd » afkomstig is van Dan Van Severen. In het spoor van deze ascetische kunstenaar bij uitstek getuigt Ivan Ollevier hier van een uiterste soberheid, een concentratie op een tot de essentie gereduceerd arsenaal aan poëtische middelen. Het resultaat is dat deze gedichten niet zozeer het Ierse landschap evoceren — het zijn met andere woorden geen lyrisch beschrijvende verzen van een melancholisch terugblikkend vakantieganger — maar dat zij tot autonome, in zichzelf besloten structuren gestold zijn die weliswaar van dit landschap de sporen dragen maar die tezelfdertijd tot een hogere, artistieke orde behoren. Evenmin is het toevallig dat 011evier refereert aan de « hardheid van een kei », wat hem dan weer in de buurt brengt van de poëtica van een Maurice Gilliams.
Zijn gedichten openbaren zich dan ook als even zovele, de tijd trotserende tekens waarin « het puin van dagen » ontruimd wordt « in klare taal » — zoals alle goede poëzie drijven ook deze verzen op de ambiguïteit tussen een eigenzinnig hermetisme en een bijna vanzelfsprekende helderheid.
Ook op een ander vlak valt een boeiende dialectiek te signaleren : de tot het uiterste doorgedreven soberheid heeft de aan de persoonlijkheid van deze dichter blijkbaar inherente sensualiteit helemaal niet verdrongen. Alleen neemt deze sensualiteit hier niet langer de vorm aan van een erotisch hooglied, maar blijkt zij uit de ingehouden gretigheid waarmee 011evier de materialiteit van de taal aftast. Zo gezien kunnen zijn gedichten vergeleken worden met beelden die niet alleen willen bekeken, maar die ook willen betast worden.
Een derde en boeiende tegenstelling die binnen deze poëzie werkzaam is, is tenslotte het geheel eigen spreken van de dichter, een spreken dat zowel de stilte oproept als haar openbreekt. Ook hier dringt zich de vergelijking op met sommige beelden — of prehistorische monumenten — die de ruimte rondom hen zowel openbaren als opvullen. Het « sculpturale » aspect van deze gedichten wordt trouwens nog geaccentueerd door de korte versregels waardoor het gedicht visueel overkomt als een vertikale, zich tegen het wit van de bladspiegel aftekenende vorm die onweerstaanbaar de associatie met sommige prehistorische monumenten oproept.
Met « Een ruimte tijd » is Ivan Ollevier definitief begonnen aan een poëtisch avontuur dat hem in de buurt van de zeer groten kan brengen. Of rakelings ernaast, dat zal de toekomst uitwijzen (J.M.).

Referentie
Ivan Ollevier : Een ruimte tijd, Yang Poëzie Reeks, Gent 1985 (43 blz.).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.