Het café betekende gedurende mijn prille kinderjaren voor mij een mysterieus iets. Het was de plaats waar mijn vader na zijn dagtaak vaak met collega’s heentrok, zo ving ik dan op. Ik stelde telkenmale vast hoe hij de huiskamer betrad met een wat minder vaste tred. Zijn ogen leken mij een beetje verkleind in de loop van de dag. Hij sprak mij hoewel minzaam toch ietwat onzeker aan, alsof er iemand met zijn tong geknoeid had sedert hij die ochtend de woning verlaten had.

Wat geschiedde er toch ginds, welke magie lag daar verscholen. Hoe kon zich in enkele uren een metamorfose voltrekken door het verblijf in wat genoemd werd ‘het café’? Blijkbaar was het ook een vermoeiende bezigheid vermits hij meestal prompt in slaap viel in de zetel. Een betoverende plek waar mijn onschuldige geest geen vat op kreeg; temeer omdat er verder in gezinsverband zelden over gerept werd, alsof er een taboe op rustte, het iets onaangenaams was, wrevel veroorzaakte. Dit ging mijn voorstellingsvermogen te boven.

Toen ik tenslotte nog zo jong de eerste schreden in dergelijk etablissement zou zetten, had het niet de allure die het diende te bezitten (en die de sluier konden oplichten): het was aan zee waar we steevast de zomermaanden bivakkeerden, let wel mijn vader werkte er. Vermits de huisvaders niet zomaar in de vrije natuur losgelaten werden nu ze met vrouw en kroost vakantie vierden en avondlijk cafébezoek in hun eentje minder voor de hand lag, zochten de horecamensen inventieve vluchtwegen om de populariteit van hun business niet te laten tanen. Haal het ganse gezin over de bierdrempel, zo luidde hun slogan. Dus belandde ook ik menigmaal in cafés die omgevormd waren tot filmzaaltjes waar pa, ma en de kindjes aanschoven om te kijken naar filmpjes van Laurel en Hardy, door ons gekend als de Dikke en de Dunne, en soortgelijke ongein. Drempelvrees weg, en moeder de vrouw bleek dan wel eens toegeeflijker om één of meerdere avonden een oog dicht te knijpen en vader een uurtje eenzame frisse lucht te gunnen. Hij nam de gelegenheid te baat om in het bierlokaal te verifiëren of er volgende week opnieuw zo’n filmavond georganiseerd zou worden… Of ik toen al enig idee kreeg over wat het café betekende – ik vrees dat de link nog niet gelegd was, het bleven twee werelden. Het besef zal pas langzaam gekomen zijn, gerijpt met de jaren. Tot mijn eerste echte confrontatie.
Die was nu ook niet bepaald overweldigend, niet voor mij, evenmin voor de uitbater die er geen cent aan verdiende, noch voor het begrip café als dusdanig. Het waren al te vluchtige ontmoetingen. Met het theater in de hoofdrol. Zoals ieder zich respecterend liefhebberend toneelgezelschap had ook de club waar mijn vader secretaris was, en waar ondergetekende zou gaan ‘acteren’, een zaal toebehorend aan een herberg als uitvalbasis. Of naargelang de omstandigheden en afhankelijk van de persoon en de eigen inzet en bedoeling: het bierlokaal kon het centrum, de navel zijn, de repetitieruimte slechts de annex. Daar maakte ik kennis, lijfelijk, met wat een café was. De ruimte, de sfeer, het lawaai, de geur, de mensen. Een fysieke ervaring. Kortstondig. Heel kortstondig. Noodgedwongen, vermits ik om het lokaal te bereiken mij door dat oord des verderfs diende te wagen. En uren later, indien ik mij huiswaarts wou begeven, moest ik er in omgekeerde richting opnieuw doorheen, nogal wiedes. Vooraf iets drinken? Na de inspanning iets consumeren? Geen denken aan. Ik was (en ben) geen sociaal wezen. Met afgrijzen negeerde ik telkenmale de uitnodigingen, vluchtte door het geroezemoes dat bij het binnenkomen nog vrij stil was maar dat drie uren later heel wat decibels hoger klonk. Ik doorsneed de dikke rookwalm, kneep mijn neus dicht tegen de geur van bier en Groene Michel, probeerde lichamen te ontwijken en poogde niet uit te glijden in een plas Duvel, om tenslotte als een ontsnapte gevangene de Grote Markt open voor mijn voeten te zien liggen. Ontkomen uit de ‘Stad Nantes’. Waar ik in een glimp aan een tafel de voltallige technische ploeg zag, aan een andere tafel het damescomité opmerkte, en aan ‘de toog’ de bestuursleden… ja er werd wat vergaderd in de marge van ‘Oscar’ en ‘Tien kleine negertjes’. Zo leerde ik: je had voor theater enerzijds de repetitieruimte, maar primo de vergaderplaats, het café.
Het kon niet uitblijven tenslotte, het noodlot sloeg toe. In de vorm van de liefde, l’amore, l’amour. In de jeugdclub, of meer bepaald via de toneelclub die ik fataal in de schoot ervan zelf oprichtte, leerde ik een individu van de vrouwelijke kunne kennen. En zoals dat zich heel banaal en door het lot bepaald ontwikkelt… juist. Maar waarheen reppen twee geliefden – die bovendien op dit ogenblik nog steeds (getuige o.m. een officieel document genaamd ‘trouwboekje’) leed en bij gelegenheid ook wel lief delen, zich in uren dat de winterkou hen de verstrengelde vingers blauw kleurt, onder zijn neus een appetijtelijke druppelt tovert en haar lieflijke oortjes laat klapperen in de ijzige wind? Het toevluchtsoord bij uitstek, de warme gezelligheid van het burgercafé. Alwaar ze, het zijn de hippiejaren en die beleven ze beide met hart, ziel en outfit, tamelijk scheef en schots bekeken worden. Maar dat went, hun verschijning baart een derde weekend reeds beduidend minder opzien wanneer ze urenlang, verscholen achter een cola elkaar een en ander in poëtisch-ontroerende termen toefluisteren; Emily Dickinson en lord Byron zouden jaloers zijn. Terwijl om hen heen het cafégebeuren zijn gang gaat: praten, lachen, roepen, drinken, biljarten, muziek – die twee, ze zitten op hun eiland, het geroezemoes gaat aan hen voorbij. Hoe luider de stemmen, hoe dikker de rook: hoe sterker hun isolement wordt.

Er is echter licht aan het einde van de tunnel – nu ja, het is geen einde: ze ontdekken in een achteraf-straatje van deze stad (wonderen bestaan) iets dat benoemd wordt als ‘bruin café’, uitgebaat door ene Polle. Hun slag volk, hun soort muziek, praten over hun onderwerpen (mochten ze aan de gesprekken deelnemen, wat ze niet doen). En bruin en duister, en niemand die zich ook maar met een blik om hen bekommert. Dit is cafécultuur op zijn best. De bruine kroeg. Voor hem zou het een voorsmaakje betekenen van wat hem in de Grote Stad wachtte waar hij, gedurende de zomermaanden werkzaam als jobstudent, ’s avonds meegesleept werd naar etablissementen als De Muze waar hij Ferre Grignard meebeleefde, of De 7de Hemel. Inderdaad hemelse plaatsen, ik moest mijn opinie over het café grondig bijstellen, er waren soortverschillen. Het ene café was het andere niet. Mijn blik verruimde.
Ook geografisch, richting die ardente stede Gent. Studeren, of wat er van heel ver op leek. In ieder geval een confrontatie met de studentenbuurt, het restaurant De Brug in de Sint-Pietersnieuwstraat, maar vooral in de nabijheid de onvolprezen Overpoort met zijn talloze cafés. Daar pikte ik het liedje op dat nu nog onverbrekelijk met die periode verbonden blijft voor mij, een instrumental die ik talloze keren uit de jukebox liet kreunen in één etablissement. Zover ik weet werd het hier geen hit, wel in Frankrijk – ‘Nine by Nine’ van John Dummer’s Famous Music Band. Nooit eerder klonk een viool zo vals, ere wie ere toekomt, in dit geval ene Nick Pickett die voor de gelegenheid aan de band toegevoegd was. Ik zou na veel zoekwerk jaren later dat onding in huis halen op een cd met favorieten, samengesteld door radiobeest en kermisadept Michel Follet, nostalgie!

Op de Vrijdagmarkt ontdekte ik het jazzcafé ‘De Dulle Griet’ in de schaduw van Jacob van Artevelde, op de Korenmarkt kon je mij meermaals aantreffen in het 200 jaren oude Damberd, een stemmig praatcafé met schitterend interieur. Buiten categorie maar toch, een tearoom is in feite een café met standing – een wat omhooggevallen juffertje. De herberg voor de fine fleur, de adel, het franskiljonse Gand. De schreden dus gericht naar de Veldstraat alwaar we af en toe in het gezelschap van hoofdzakelijk oudere dames (we waren niet echt hun compagne) een gebakje degusteerden bij Bloch, de banketbakker die sedert 1899 de meest exquise taartjes serveert. Nooit betere gegeten…

In de ‘ordinaire’ cafés kon je in de prille jaren ook iets smaakvols in de mond stoppen – geen tapas, zelfs nog geen kaas- of vleesplankjes. Simpelweg: het echte volkscafé had hardgekookte eieren in de aanbieding. Overal kon je je volproppen met chips, meestal beperkt tot zout en paprika (we deden niet moeilijk, nog geen peper, bicky e.d.), repen chocolade (zeer gegeerd om te offreren aan de dames als er een rondje, een tournée, gegeven werd en het zwakke geslacht eventjes de liquide wou laten voorbijgaan wegens zwakke blaas) – de zoetigheid kon eventueel in de sjacoche mee naar huis, handig. Er waren ook nog de befaamde, flink zoute bierworstjes, BiFi – die toverden tussen pint 13 en 14 de illusie een bodem te kunnen leggen voor de volgende liters Inbev.

Het café en voeding, soms een vreemde combinatie – in Antwerpen tijdens mijn jarenlange studentenjob ging ik dikwijls middagmalen op het terras van een uitspanning die in een soort annex een frituur uitbaatte: onveranderlijk combineerde ik er mijn 33 cl Stella met een gezonde portie gefrituurde patat overgoten met warme currysaus. Toen mijn actieterrein zich verplaatste naar Brussel werd het stamcafé, net als van menig andere RITCS-student, Den Appel – waar ons een lunch in de vorm van een half stokbrood, rijkelijk besmeerd of besmeurd met pikante paté, geserveerd werd door het rondborstige echtpaar, echte Brusseleirs. Vermoedelijk heeft Marc Didden daar zijn eerste kilo’s verzameld, met de paté van Den Appel! 

Enkele jaren voordien was ik, onschuldig bloeike, in mijn eentje reeds in de verdorven grootstad terecht gekomen. Na een dwaaltocht in de zomerse hitte, op weg naar de trein in het Noordstation, dorstig en moe, besloot ik de wereldonkundige, het onschuldige lam, mij even te verpozen en te verfrissen. Waar anders kon dit tenzij in een café. Die waren toch in ruime mate aanwezig in die buurt. En of! Zelfs toen ik het op twee nimfen uitgezonderd lege duistere pand binnenstapte, oogknipperend na de felle zon (en hier bleek het al rood wat de klok sloeg), werd het mij nog niet duidelijk. De mooie dames – ik schatte hen tussen de 60 en de 80 – noodden mij met minzame glimlach bij hen aan de… toog zou het in mijn povere terminologie nog heten, maar ginds heette het ‘bar’. Die glimlach ging schuil achter sigaretten die uit hun mondhoek bengelden, en bij de oudste en meest corpulente (hoewel de kilo’s nauwelijks enig verschil uitmaakten) toonde hij ook trots enkele gapingen in wat ooit ongetwijfeld een fraai gebit was. Wat ik zou drinken en of ik hen ook niets offreerde…? Het werd de duurste cola die ik ooit dronk, en meteen brak ik ook mijn record in snelheid qua gulzigheid. De dames… die liet ik verder van hun siësta genieten.

Cafés, je hebt ze in alle soorten, maten en gewichten. In Brussel zou ik me later veiliger voelen in o.m. de bekende zaken als ‘De Spijtigen Duvel’ aan de Chaussée d’Alsemberg dat al sedert 1750 bestaat, waar Victor Hugo en Charles Baudelaire een min of meer rustige thuishaven vonden. Ook in het jongere, sedert 1910, met prachtig interieur ‘Mort Subite’, aan de Warmoesberg. Mijn voorkeur gaat echter uit naar het weliswaar minder stemmige maar ook historische ‘Mokabon’, gelegen halfweg de befaamde Koningsgalerij. Ook hier verzamelden, net als in het nabijgelegen ‘Mokafe’ talloze kunstenaars, schrijvers, zag men Baudelaire en Verlaine koffie slurpen. Hoe vaak ik er een kop bestelde, geen idee. Het was steevast een halte op weg naar dé boekhandel: Tropismes; de uren die ik daar doorbracht tussen de overwegend Franstalige boeken. Er was ook een afdeling ‘anderstalig’ werk waar je enige Nederlandse exemplaren aantrof… Een overvloed van poëzie, kunstboeken, mijn bezit werd uitgebreid met curiosa die ik daar vond terwijl ik ook ging snuffelen in de vele tweedehands collecties overal in de binnenstad.
Fraaie interieurs die Brusselse oude cafés, en tot de verbeelding sprekende namen. Zo ging ik wel eens eten in de ‘Amour Fou’, niet echt een café – een restaurant, het had de aanblik van een lange diepe gang, niet echt gezellig, maar je kon er voor een prikje een goede maaltijd verorberen. Inmiddels is hun menu geëvolueerd en lijkt het zich meer op het wat betere fastfood te oriënteren. Daar kwam ik terecht – Steenweg op Elsene – als ik naar het mij dierbare Gemeentelijke Museum van die lokaliteit begaf, een museum met een interessante collectie en steevast intrigerende tentoonstellingen. Na ieder bezoek rondde ik de uren kijkplezier af met een degustatie van een of andere bijzondere koffie in een piepklein koffiehuis – keuze uit enkele tientallen soorten die er vooral voor de verkoop aanwezig waren. Er hoorde ook altijd een gebakje bij en, ritueel, daar kon ik rustig nog een uurtje de oogst uit Tropismes doorbladeren.

Brussel, Gent, een verwoed pendelaar was ik jarenlang. Onvermijdelijk belandde ik dan ook in de stationsrestauraties. Met hun typische sfeer. Vooral deze van het station Gent Sint-Pieters had een eigen karakter, het flappen der deuren telkens iemand binnenkwam of de ruimte verliet, het wat echoënde geluid vanuit de gang bij dienstmededelingen, de schallende stem van de kelner richting buffet om de bestelling door te geven ‘twee koffie, twee!’, het rinkelen van de pasmunt op de tafeltjes. Stil, ingetogen was het in de veel kleinere ruimte die bij het Dampoortstation hoorde. Daar wachten op de trein, soms liet ik met genoegen heel wat aansluitingen aan mij voorbijgaan: ik las, ik schreef, de biertempel werd een vruchtbare werkplaats, ongestoord. Net als het ‘aquarium’, de rust- en verpozingsplek van RUG, faculteit Letteren en Wijsbegeerte: met een bekertje warme chocolade Baudelaire genieten, zalige uren. 
Uiteindelijk was ik toch niet verzoend met het concept van het café zoals ik me dat origineel voorstelde, het buurtcafé waar iedereen elkaar kent. Het gepalaver aan de toog, de biljart, de vogelpik, het spaarkastje, de jukebox met liedjes van Marva en Juul Kabas. Dat type uitspanning zou mij nooit kunnen lokken, dergelijke sociale ontmoetingsplaats, nee dat druist in tegen mijn wezen. Anderzijds, op afstand bekeken mag ik er wel een waas van nostalgie omheen hangen – en er zelfs enige romantiek aan toeschrijven. Vooral in de winter durf ik weg te dromen wanneer ik – de avond is ver gevorderd, de hemel is duister, de straatlantaarns beperken zich tot een oranje-rossige schijn op voetpad en asfalt – me naar huis rep. Dan kom ik voorbij zo’n café, een grote lichtvlek spreidt zich voor mijn voeten. Geroezemoes klinkt op, af en toe een lach, een hogere kreet. Aarzelend blijf ik eventjes staan. Het beslagen venster laat me niet toe veel details te zien, het zijn schimmen die zich daar bevinden, figuren die een andere wereld bevolken, onaards. Hoor ik muziek. Alles klinkt gedempt. Het lijkt een onwezenlijke schoonheid te bezitten. Een intimiteit die zich afzet tegen de kou en de eenzaamheid die ik hier buiten trotseer. Ik ben geïsoleerd. Daar bevindt zich een ander universum. De deur wordt opengegooid. Een stroom van geluid golft naar buiten. Zelfs geuren: bier tabak mensen, overspoelen de kille nachtlucht. Even lijkt de betovering verbroken. Is de drempel zo laag. Schimmen verdwijnen in het duister. Aarzelend zet ik mijn weg verder. Bevatten doe ik het niet. Het blijft een vreemde wereld voor mij, deze waar “tussen twee glazen bier de wereldproblemen voor altijd opgelost zijn” zoals Vader Abraham zingt. Een broederschap met eigen regels en gebruiken, kleine eilanden waar men aan de vaak te treurige realiteit tracht te ontsnappen. Het café, gedurende enkele uren het paradijs van de vergetelheid.       

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.