Geen linksen baas in het Land van Waas“, dat was destijds de agressieve slogan van collegeleraar Lieven Lenaerts, extreem-rechts paradepaardje van de CVP in Sint-Niklaas. Het is dan ook enkel en alleen om dit individu te ergeren dat ik voor De Rode Vaan “Rode mannen baas in Sint-Niklaas” als titel heb verzonnen, want – helaas – dit was geen visioen van hoe dit provinciestadje er na 13 oktober 1985 zou uitzien, maar wel een aanduiding dat men er tot 6 oktober van dat jaar nog terechtkon in het Stedelijk Museum voor een tentoonstelling gewijd aan de indianen van Noord-Amerika.

We moeten deze tentoonstelling zien in de Sint-Niklase traditie om eenmaal per jaar een niet-Europese beschaving aan bod te laten komen, aldus schepen Antheunis die expliciet verwees naar de tentoonstelling over de Mongo-cultuur (zie rv nummer 39 van 1984) en over Japan. Het was dan ook erg ongelukkig dat hij deze beschavingen meteen ook als “primitief” bestempelde, ook al zwakte hij zijn terminologie af door onder meer naar onze Vlaamse “primitieven” te verwijzen.
Hoe dan ook, reeds vooraf hadden we ons erop ingesteld dat dit geen tentoonstelling van BANAI was en dat we de kritische noot dus erg ver zouden moeten zoeken. Toch bakte de aanwezige Amerikaanse consul het wel erg bruin toen hij de verovering van het westen herleidde tot “een botsing tussen twee economische stelsels” (de indianen die nomaden waren en de blanken boeren). Dit bleek ook duidelijk in de catalogus waar men er niet onderuit kan om af en toe over de sociale wantoestanden te spreken, maar waar men nooit naar oorzaken daarvan zoekt, tenzij deze kunnen worden gevonden in een ver en veilig verleden (bijvoorbeeld de Spanjaarden). Deze catalogus is overigens zeer flauw [amper 24 bladzijden], met een slordige structuur, slecht geïllustreerd en vol met zet- en taalfouten (zo worden “comics”, stripverhalen, vertaald als “komische boeken”, al heeft men die andere grandioze flater – “the actual paintings” werd in de zaal vertaald als “de actuele schilderijen” – wél rechtgezet).
In deze tentoonstelling werd een aparte zaal voorbehouden aan het missioneringswerk van pater De Smet. Verre van ons om het levenswerk van deze brave pater af te vallen, maar dat onder meer het verspreiden van het christendom heeft bijgedragen tot de bijna totale uitroeiing van de indiaanse cultuur, vooral dan onder het Spaanse juk, dat staat toch buiten kijf. Als men trouwens toch enige kritiek weervindt op deze tentoonstelling, dan komt die precies uit de meest zuidelijke staten van de VS, waar de Spanjaarden ook hun “beschavingswerk” hebben verricht.
Maar goed, zoals gezegd hadden we – zoals Dante – al onze illusies in die zin laten varen alvorens de tentoonstelling binnen te treden. En onbevangen kan men er wel genieten, ja. Tenslotte wordt er hier een tamelijk volledig overzicht geboden van de verschillende indianenculturen (want laten we ze a.u.b. niet allemaal op één hoop gooien!). Vooral de 19de eeuwse voorwerpen beantwoorden hierbij het best aan het beeld dat ons vooral door de film werd opgedrongen (tomahawks, vredes- en andere pijpen, hoofdtooien…) en dat toch wel aan een rechtzetting of, misschien beter, een vervollediging toe is, want eerlijksheidshalve moeten we toegeven dat de jongste films een tamelijk eerlijk beeld geven, wat trouwens wordt geïllustreerd door het feit dat – althans tijdens de opening – op een videoscherm continu “A man called horse” wordt vertoond.
Daarnaast zijn er ook een aantal prehistorische pijlpunten en dergelijke zaken die uit een zo ver verdelen tot ons komen, dat ze mij altijd – om het even in welke cultuur – met ontzag vervullen.
Tenslotte is er ook nog een luik “hedendaagse cultuur” (er zijn nog amper een half miljoen indianen in leven in de VS – op een totale bevolking van meer dan 221 miljoen – verdeeld over 500 stammen die meestal in reservaten leven), maar precies dat is natuurlijk het meest voor kritiek vatbaar.
Foto’s van pow-wows die tot folkloristische aangelegenheden zijn verworden, ambachtelijke stukken die in ellendige omstandigheden worden vervaardigd om aan de kost te komen, enz. Op die manier verloren de kunstobjecten die in het verleden werden gemaakt hun functie en aangezien het functionele kunst was, was er ook geen behoefte meer om nieuwe te produceren.
Het enige wat nog een tijdje verder leefde was de Geestendans-beweging, waarvan men op de tentoonstelling een mooi versierd hemd kan zien. Met dat hemd kon men “de juiste weg” bewandelen (wat voor de indianen – en in deze verkiezingstijd niet alleen voor hén – “de rode weg” was), maar helaas was het niet “kogelvrij” zoals de medicijnmannen meenden. Talrijke dragers van deze hemden lieten dan ook hun leven in de slag bij Wounded Knee (1980), die tevens het einde van de Geestendans-beweging inluidde.
Slechts in 1913 legde een blanke onderwijzeres Dorothy Dunn enige interesse aan de dag voor indiaanse kunst en trachtte deze opnieuw te doen heropleven. Het zou nog tot 1930 duren vooraleer zij hiervoor de steun van de Amerikaanse regering kreeg. Kortom, veel te laat om nog een levende cultuur in stand te houden, het is zelfs zo dat indianen die hun eigen ambachtstraditie weer willen opnemen, hiervoor naar een school, het Instituut voor Amerikaans-Indiaanse Kunst, moeten gaan om de technieken opnieuw aan te leren.

Referentie
Ronny De Schepper, Rode mannen baas in Sint-Niklaas, De Rode Vaan nr.39 van 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.