Na de mannenploeg hebben nu ook onze vrouwelijke hockeysters zich geplaatst voor de Olympische Spelen van Londen. Als wij op De Rode Vaan grapjes maakten over onze reclameslogans, was één van de vaste uitroepen: “Maanden eerder met de juiste kijk!“. Welnu, in het geval van die hockeyploeg kan ik zelfs stellen: “Jaren eerder met de juiste kijk!“, want het is nu al meer dan twintig jaar geleden dat ik mijn toenmalig buurmeisje, Isabelle Kluyskens, op dat moment keeper van onze nationale dames-hockeyploeg, over haar sport heb geïnterviewd. Toen waren er slechts duizend vrouwen in ons land die hockey speelden. Nu zijn er dat reeds 6.500. Toch denk ik dat het interview dat ik toen met haar had nog steeds relevant is. Zowel Isabelle als Raja (zie hieronder) wonen op dit moment niet meer op de verdieping boven mij, maar de inleiding van destijds heb ik toch maar behouden, je zal wel zien waarom…

Mijn bovenbuur is een Pakistaan. De populairste sport van Pakistan is hockey. Maar Raja houdt niet van hockey. Zeggen dat hij om die reden naar België is uitgeweken, is lichtjes overdreven, maar het was toch lekker meegenomen, laten we het zo stellen. Maar een mens kan zijn noodlot niet ontlopen. In het appartement vlak naast Raja woont Isabelle Kluyskens de voormalige keeper van de Belgische nationale dames-hockeyploeg en thans internationale scheidsrechter. Moet je uitgerekend dààrvoor bijna zevenduizend kilometer hebben afgelegd!
DAMES VAN STAND
Waarom speelt iemand hockey? Waarom speelt een meisje hockey? Waarom gaat zo’n meisje dan ook nog in het doel staan? Dat waren allemaal vragen waarop ik een antwoord hoopte te krijgen van Isabelle Kluyskens.
Isabelle was dertien toen ze hockey begon te spelen. Eerst als aanvalster en pas na een viertal jaren ook als keeper. Dat hockey geen voordehandliggende sporttak is, blijkt ook uit hààr verhaal. Ze wilde namelijk voetbal spelen. Voor een meisje is dit nu ook weer niet zo “gewoon”, maar binnen het Vlaamse cultuurpatroon is voetbal uiteraard meer aannemelijk.
Niet in de ogen van Isabelles moeder evenwel. “Waarom speel je geen hockey,” suggereerde ze, “dat is tenslotte bijna hetzelfde”. Of ma Kluyskens deze wijsheid met de natte vinger debiteerde, weten we niet, maar het is inderdààd een feit dat het hockeyspel voor een groot deel gebaseerd is op Koning Voetbal.
Nemen we alleen nog maar de samenstelling van de ploegen (tien veldspelers en een keeper), de speltaktiek (verdedigers, middenvelders en aanvallers) en sommige spelregels (de buitenspelval b.v.).
Dat heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat ook het hockey afkomstig is uit Engeland. Akkoord, zelfs in de prilste oudheid werd er al eens met een stok tegen een bal geslagen, maar de spelregels werden (net zoals van zovele andere sporten) op het einde van vorige eeuw daar vastgelegd door The English Hockey Association.
De benaming hockey zelf is een beetje raadselachtig. Men vermoedt dat ze eigenlijk afkomstig is van de bocht in de stok waarmee het spel wordt gespeeld.
Vooraleer die reglementen werden opgesteld was hockey overigens een zeer ruwe contactsport (zoals dit nu nog bij ijshockey het geval is), tot bleek dat die stok uiteindelijk een té gevaarlijk wapen was en er nu juist heel strenge regels gelden wat het hanteren ervan betreft.
We spreken nu uiteraard over herenhockey, maar al vlug (nog net voor de eeuwwisseling) ontstond er toch ook al hockey voor dames. In Nederland b.v. speelden een aantal ‘dames van stand’ (zoals heer Bommel zou zeggen) ijshockey op de slotvijver van het vroegere jachtgebied van graaf Floris V.
Hiermee zitten we meteen op een discussiepunt dat zeker in België nog steeds met hockey is verweven: is het een elitaire sport of niet? Het is nochtans verkeerd dit af te leiden uit het Hollandse voorbeeld. We mogen immers niet vergeten dat we dan nog in de negentiende eeuw vertoeven en toen waren àlle sporten elitair, ook takken die nu als uiterst volks gekend staan zoals voetbal of wielrennen. Vrije tijd was immers een luxe die gereserveerd was voor de hogere standen. Nee, de dames van graaf Floris hebben in Nederland de hockeysport uiteindelijk een grote dienst bewezen. Daar is het immers samen met voetbal en wielrennen uitgegroeid tot een van de populairste sporten.
WE WILLEN VAN DAT IMAGO AF
Hier in België ligt dat wel eventjes anders, al is er ook bij ons de laatste tien jaar een hele kentering gekomen.
Isabelle: Dat is vooral dankzij BLOSO die met “unihoc”, een vereenvoudigde vorm van hockey, naar de scholen is getrokken. Daarbij gelden er veel minder voorschriften, wat erg in de smaak valt bij de kinderen en waardoor ze zich aangetrokken voelen om de sport te gaan beoefenen. Op die manier zijn er meer en meer Vlaamse jongeren in hockey geïnteresseerd, al geeft Brussel over het hele land nog wel de toon aan. Maar in de Vlaamse clubs is het percentage Franstaligen gezakt van zowat tachtig procent naar dertig tot veertig procent.
– Dat is natuurlijk toch nog altijd een merkwaardig cijfer. Ik kom als wielertoerist ook af en toe wel eens een verloren gelopen Franstalige tegen (meestal een Waal die hier getrouwd is of werk is komen zoeken), maar dertig tot veertig procent, dat is toch nog wat anders!
Isabelle: Ja, het is niet weinig natuurlijk, maar we doen er alles aan om van dat elitaire imago af te geraken.
– Maar hoe heeft men het ooit zo ver laten komen? Gewoon door hoge inschrijvingsgelden of is hockey nu eenmaal een dure sport?
Isabelle: Ik denk niet dat hockey veel duurder is dan een andere sport. In vergelijking met voetbal b.v. is het enkel de hockeystick die een verschil kan uitmaken en voor duizend frank kun je al een goede hebben. Het zal dus wel het inschrijvingsgeld geweest zijn waardoor de drempel zo hoog kwam te liggen, maar ook dat is nu helemaal genormaliseerd.
Wat heet “genormaliseerd”? In “De Morgen” van 18/5/1998 zegt Frederic Laruelle van de Koninklijke Hockeyclub Dragons uit Brasschaat: “Ik geloof dat een abonnement voor de jeugd bij de Dragons zo’n veertienduizend frank kost. Mijn zoon doet aan een Chinese vechtsport en betaalt slechts vijfduizend frank.”
Bovendien, in Nederland mag er dan al geen franskiljonisme bestaan, toch is er nog meer dan dat aan de hand (in Brasschaat b.v. zijn de franskiljons juist vervangen door belastingontduikende Hollanders). Hoe komt het eigenlijk dat hockey daar zo populair is en hier niet?
Isabelle: Ten eerste moet men stellen dat men in Nederland voor àlle sporten meer doet dan hier in België. En zo ook voor het hockey: men gaat meer naar de media toe, men trekt goede sponsors aan (wat wij niet eens hebben), er komt meer volk kijken. Het is een beetje een vicieuze cirkel: de sport is populair omdat men een hoog niveau bereikt en men bereikt een hoog niveau omdat de sport populair is.
– Voor België komt het er dus op aan op één of andere manier ook in die cirkel te stappen. Toch kan men niet zeggen dat het Belgische dameshockey geen behoorlijk niveau heeft…
Isabelle: Zeker niet. Tussen 1970 en 1975 behaalde de nationale ploeg zelfs zeer goede resultaten, met als hoogtepunten een bronzen medaille op de Wereldbeker in Argentinië en een vierde plaats in Spanje. Daarna ging het echter bergaf, omdat men nagelaten had om in de opleiding van jonge speelsters te voorzien. Sedert Alain Geens in 1987 de ploeg echter in handen heeft genomen, zit men opnieuw in de lift. We mogen zeggen dat we op dit ogenblik rond de tiende of elfde plaats op de wereldranglijst staan en we kunnen zelfs nog beter. Met een verjongd team, dat wil zeggen meisjes tussen 17 en 21 jaar, versterkt met enkele ervaren speelsters van 25 tot 29 jaar, mikken we bij het Europese kampioenschap van mei volgend jaar in Brussel op een vijfde plaats, wat meteen een rechtstreekse kwalifikatie zou inhouden voor de Wereldbeker van 1992 (dat is gelukt, RDS). Sinds 1988 traint de kern van de nationale ploeg twee keer per week om zich optimaal voor te bereiden en deze nieuwe aanpak moet vroeg of laat vruchten afwerpen.
ALLE KEEPERS ZIJN EEN BEETJE CRAZY
– Terug naar je eigen carrière. Je zegt dat je oorspronkelijk wou voetballen. Dan ook al met het idee van goalkeeper te worden?
Isabelle: Nee, ik wou een ploegsport met veel fysieke inzet beoefenen. Ik was immers altijd zeer aanvallend ingesteld. Doelpunten maken, dat is wat ik wou. Zo ben ik trouwens ook in hockey begonnen. Het is eigenlijk heel toevallig dat ik in het doel ben terechtgekomen. Toen onze keeper ermee stopte, vroeg men wie de opvolging ging waarnemen. Ik wou dat wel eens proberen, aangezien ik bij de reserven reeds enige ervaring had opgedaan. Het is in hockey immers zo dat men met de eerste ploeg als aanvalster mag spelen en tegelijkertijd in de tweede ploeg in het doel of omgekeerd. Achteraf is gebleken dat die rol mij goed afging. Men zegt wel eens dat alle keepers een beetje crazy zijn en dat is ook wel zo, maar het komt er vooral op aan het graag te doen en dat is bij mij toch het geval.
– Waarom zijn keepers een beetje crazy? Omdat het gevaarlijk is?
Isabelle: Dat is een ander misverstand dat uit de weg dient te worden geruimd. Hockey is géén gevaarlijke sport. Het gebruik van die stick kàn wel een gevaar opleveren, maar juist daarom zijn er zoveel reglementen ingebouwd. Eén van de minder aantrekkelijke punten van hockey als kijksport voor televisie b.v. is precies dat het spel vaak onderbroken wordt om fouten te bestraffen. Maar eigenlijk komt het er nu op neer dat men zich enkel nog per ongeluk kan kwetsen. En daarvoor dragen de meeste beoefenaars dan een mondstuk om de tanden te beschermen. Dit gezegd zijnde is keeper zijn natuurlijk wél een stuk gevaarlijker. Als ze niet over de grond gaan, komen de ballen b.v. toch wel tegen honderd per uur op je af. Die ballen zijn iets groter dan een tennisbal en vervaardigd uit een soort van plastic. Ik zou niet durven zeggen dat het is alsof men met een steen naar je gooit, maar het scheelt toch niet veel. Op internationaal niveau zou men zelfs kunnen stellen dat, als je niet beschermd zou zijn, tegen die snelheid zo’n bal in staat is je arm te breken. Maar we zijn dus uiteraard wél beschermd. Ten eerste heb ik voetbeschermers aan die er zowat uitzien als moonboots en die gemaakt zijn uit een synthetische stof die heel wat lichter is dan het leder waaruit ze vroeger waren vervaardigd. Dan draag ik beenbeschermers, legguards, tot boven de knie. Daarboven dragen de meesten dan een soort van ijshockeybroek, maar ik doe die niet aan. De borstbescherming is wél nodig, ook bij de mannen trouwens, evenals de ijshockeyhandschoenen, waarvan de linkerhand extra beschermd is, aangezien ik met mijn vrije hand ook mag keeperen. En op het hoofd hoort natuurlijk een helm. Daarnaast zijn er ook nog schouder-, arm- of elleboogbeschermers, maar dat verschilt van keeper tot keeper of men die draagt of niet.
– Dat zal dan ook wel betekenen dat hockey geen zomersport is…
Isabelle: Het is inderdaad een wintersport, in die zin dat het seizoen loopt van begin september tot eind april, maar dat belet uiteraard niet dat ik b.v. in september nog wel wat litertjes zweet kan laten. Vooral de helm wordt dan bijna ondraaglijk, maar die is echt noodzakelijk. Zeker nu er een evolutie is om op kunstgras te gaan spelen, waardoor de snelheid van het spel ten zeerste werd opgedreven en de bal dus ook veel sneller op de keeper afkomt. Voor de toeschouwer is het wel veel aantrekkelijker. De bal maakt immers geen verraderlijke sprongen meer, zodat technisch vaardige spelers veel beter tot hun recht kunnen komen en taktiek veel belangrijker wordt.
NOG ECHTE AMATEURS
– Je speelt bij A.A.Gent…
Isabelle: Inderdaad, de vroegere ‘Gantoise’, een vennootschap waarvan ook de voetbalploeg en een atletiekploeg deel uitmaken, maar waarmee we overigens niet veel te maken hebben.
– Dat betekent dus ook dat jullie niet van de naambekendheid van de voetbalspelers kunnen gebruik maken om b.v. aan een sponsor te geraken?
Isabelle: Nee, jammer genoeg niet. Nochtans zullen we binnenkort met de voetbalploeg een oefenterrein op kunstgras delen.
– Door het gebrek aan sponsors zal je er wellicht ook niet veel aan verdienen…
Isabelle: Tot voor een paar jaar waren we nog volledig amateurs. Dat betekende dus dat we zelf ons inschrijvingsgeld moesten betalen, onze uitrusting, zelfs de verplaatsingen enz. Daar is ondertussen, vooral bij de heren, wel wat verandering in gekomen. Sommigen worden zelfs door de ene ploeg bij de andere weggelokt met de belofte dat ze honderd tot driehonderd duizend frank per jaar kunnen verdienen, b.v. door trainingen of tennislessen te geven. Het is dus geëvolueerd naar semiprofessionalisme. Bij de dames is dit echter nog niet het geval. Zelfs voor de nationale ploeg ontvangen wij geen frank. Dat zal ook wel sommigen tegenhouden, maar anderzijds is de druk toch ook minder groot.
– Maar het betekent wel dat je daarnaast nog een beroep moet uitoefenen en dat dit gecombineerd moet kunnen worden met je sport. Gaat dat in jouw geval?
Isabelle: Ik ben pas afgestudeerd als regentes lichamelijke opvoeding en zo zijn er wel meerdere. Het is dus wel te combineren, het hangt er alleen maar van af met welke schooldirectie je te maken krijgt. Voor wedstrijden met de nationale ploeg in het buitenland moet je immers toelating vragen en dat valt niet altijd in goede aarde. Maar ik mag niet klagen. In navolging van Nederland streeft men er bij de nationale ploeg nu ook naar om de verplaatsingen naar de trainingscentra en de onbetaalde vakantiedagen die men soms moet nemen terug te betalen.

Referentie
Ronny De Schepper, “Hockey is niet langer elitair”, Graffiti oktober 1990

IMG_0001

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.