“Juliette Gréco is ontslapen, omringd door haar dierbaren in haar zo geliefde woning in Ramatuelle. Ze heeft een buitengewoon leven geleid.” Zo maakte haar familie gisteren haar overlijden bekend. Ramatuelle ligt in het zuiden van Frankrijk, niet ver van Saint-Tropez. (Met dank aan Raymond Thielens)

Juliette Gréco werd geboren in Montpellier als dochter van afwezige ouders. Haar vader, een Corsicaan, was er niet en haar moeder verweet haar dat ze het kind van een verkrachting was. In haar autobiografie Je suis faite comme ça (Flammarion) zegt ze dat ze heel haar jeugd haar aandacht zocht, maar nooit kreeg.

In 1939 vinden we haar terug als balletleerling in het Opéra de Paris. Tijdens de bezetting van Frankrijk door Nazi-Duitsland zat haar moeder in het verzet en was zij daar zelf ook bij betrokken. Toen ze echter gevangen werd genomen, werd ze niet gedeporteerd wegens haar jonge leeftijd.

In 1945 ontdekte Gréco het intellectuele en het politieke leven in Parijs. Zij speelde enkele theaterrollen (Victor ou les Enfants au pouvoir, 1946) en werkte aan een radio-uitzending gewijd aan poëzie.

In 1949 nam zij deel aan de heropening van het cabaret Le Bœuf sur le toit en liet een rijk repertoire horen (van Jean-Paul Sartre tot Boris Vian). In 1950 ontving ze een prijs van de Franse componistenvereniging SACEM voor Je hais les dimanches. In 1952 trad ze op in Brazilië en de Verenigde Staten in de revue April in Paris.

In 1954 zong ze in de Olympia in Parijs. Zij ontmoette haar aanstaande echtgenoot, de acteur Philippe Lemaire, bij de opnamen van de film Quand tu liras cette lettre. Ze scheidden echter in 1956 na de geboorte van hun dochter Laurence-Marie.

Zij vertrok naar New York en haar vertolkingen van Franse liedjes riepen veel enthousiasme op. Bij de opnamen van de film The Sun Also Rises van Henry King in 1957 ontmoette ze de producer Darryl F. Zanuck. Ze werden geliefden en Gréco was te zien in enkele van zijn producties zonder echter door te breken.

Van 1959 tot 1963 wijdde ze zich aan het chanson en ontdekte enkele nieuwe talenten als Serge Gainsbourg (van hem nam ze o.a. La Javanaise op), Guy Béart en Léo Ferré.

In 1965 speelde ze een rol in de televisieserie Belphégor ou le Fantôme du Louvre. Ze was de minnares van onder meer Sacha Distel en Albert Camus, én van Miles Davis, met wie ze afsprak dat ze altijd geliefden zouden blijven, maar in een losse relatie. Gemengde koppels waren toen nog niet vanzelfsprekend, vond Davis. Er waren schandalen met de onvermijdelijke Roger Vadim, feestjes met Brigitte Bardot, maar ook een zelfmoordpoging in 1965 waarbij ze gered werd door schrijfster Françoise Sagan. In 1967 ontmoette ze Michel Piccoli, die haar tweede echtgenoot zou worden. Ze scheidden in 1977. In 1968 bedacht ze de formule van concerten die om 18.30 uur begonnen in het Théâtre de la Ville in Parijs. Daar zong ze een van haar bekendste chansons, Déshabillez-moi.

Vanaf 1975 werd de muziek van haar chansons geschreven door Gérard Jouannest, sinds 1968 haar pianist en begeleider. Ze trouwde met hem in 1989. In mei 2001 kreeg ze hartproblemen tijdens een concert in Montpellier, toch zou ze nog jaren blijven optreden. Haar afscheidstournee hield ze pas in 2015. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.