Ken jij zo’n fanatieke lezers, ik bedoel individuen die aan het ontbijt – bij gebrek aan iets anders – zelfs het etiket van de pot chocopasta ontcijferen? “Smeerpasta fondant. Ingrediënten: rietsuiker, plantaardige vetten (raapolie, palmolie (2,35%), magere cacaopoeder, emulgator, : sojalecithine…”. Wel, zo’n lezer was en ben ik.

Schandelijk. Kun je dan geen krant ter hand nemen? Nee, ik ben geen krantenlezer, heb er zelfs een grondige hekel aan. Ik neem het nieuws – in zoverre het mij interesseert – tot mij via andere kanalen, radio, televisie. Op die wijze slaag ik er in nog net voldoende actualiteit te absorberen om enigszins te beseffen wat er rondom mij geschiedt.

Tijdschriften boeien me ook niet bijzonder. Toegegeven, Humo valt hier nog wekelijks door de gleuf van de brievenbus – voor de tv-programma’s én omdat er toch uit literair oogpunt fraai geschreven stukken in aangetroffen worden. En, schaamrood op mijn wangen, gedurende enkele jaren ‘genoot’ ik een abonnement op Plus Magazine, blad voor de seniel wordende medemens (ik dacht wellicht: laat ik de tijd maar de pas afsnijden, kan er beter tijdig bij zijn); ooit op een blauwe maandag op ingetekend maar inmiddels tot de jaren van verstand teruggekeerd en geannuleerd.

Mijn jeugd fleurde ik op met muziekbladen als ‘Salut les Copains’ en ‘Jukebox’. Ooit stapte ik bij de krantenman over de drempel en kocht met onverschrokken blik een exemplaar van het maandblad ‘De Lach’. Ik zag er ouder uit dan mijn eveneens minderjarige klasgenoten, de onwettige transactie geschiedde derhalve vlot – ik was weliswaar minus 18, maar zo’n softporno blaadje… of het kon de verkoper geen moer schelen natuurlijk, ook een mogelijkheid. Ik en porno? Nee, op dringend verzoek van enkele schoolvrienden die met een te piep gelaat en te geringe durf – aan mij was het werkelijk niet besteed, geen interesse, rein zieltje! Literaire en toneeltijdschrijften, die kocht ik sporadisch nog wel, en zelfs – een slippertje – 2dehands een stapeltje over modeltreinen. Dat laatste had totaal niks met lezen te maken, het waren de foto’s van de banen die me intrigeerden, de prentjes.
Prentjes… de eerste stap op het pad van het grote leesavontuur. Of was dat de tweede. Na het obligate ‘aap noot mies’. Stripverhalen. ‘Suske en Wiske’, de stapel lag binnen handbereik. Mijn negen jaren oudere broer had hen gelukkig niet stuk gelezen zodat ik er nog van kon genieten, ‘De zwarte madam’, ‘De koning drinkt’, ‘De Texasrakkers’… de ganse collectie. Eigenzinnig startte ik een serie naar eigen voorkeur op, Nero. ‘De hoed van Geeraard den Duivel’, ‘De groene Chinees’, ‘Beo de Verschrikkelijke’. Er kon geen werk van mijn illustere stadsgenoot Marc Sleen van de persen rollen of het belandde in mijn gretige handen. Ook een adept van zijn ‘Piet Fluwijn en Bolleke’ en ‘Oktaaf Keunink’ natuurlijk, met een zijsprong naar ‘Piet Pienter en Bert Bibber’ en ‘Kwik en Flupke’. Zijdelings gleden ‘Eric de Noorman’ en ‘Robbedoes en Kwabbernoot’ aan mijn geestesoog voorbij, maar ik bekeek hen schuin – geen spek voor mijn bekkie.  Terwijl ik alles verslond dat verscheen in ’t Kapoentje, bijlage bij dagblad Het Volk. En in de uitgaven voor de school ‘Zonneland’ en de bijhorende dikke vakantieboeken.

Langzaam brak het tijdperk aan van het echte werk, onder de hoede en stimulans van een belezen en veel lezende moeder. Het was bon ton toen om alles te verslinden met op de kaft de vermelding Karl May. Ach ja, de avonturen van Winnetou en Old Shatterhand, de bloedbroeders uit het Wilde Westen, geschreven door een Duitser… Niks voor mij. Hoewel ik me toch kon vinden in de romantiek van de Far West, de cowboys en de indianen. Een sfeer die ik veel later zou terugvinden – het echte lezen – bij ‘De trap van steen en wolken’ van Johan Daisne, met Gun en Ra. Hoe dit zonder Karl May uit te leven? Ik bezat een stel plastic figuren, indianen én cowboys, met en zonder paard. Bijhorend een heuse blokhut uit echte houten balkjes getimmerd met een deur die ik kon openen, én sluiten (het was een tijd dat de logica hoogtij vierde), een tipi (toen nog verkeerdelijk als wigwam benoemd) en een kleurrijke totempaal. Het spel kon beginnen. Ik had May niet nodig. Dit was niet lezen, toegegeven.

Net zomin als het spelen met miniatuur wielrenners en voor hen af en toe enige etappes organiseren, wat ik durfde – schaamrood op de wangen – te doen, vooral aan zee waar het strand uitermate geschikt bleek om de Aubisque of de Tourmalet na te bouwen, maar dit was meer. Hier werd gecreëerd, hier ontstonden, hoe summier ook, verhalen. De kiem werd gelegd. Schrijven. Lezen. Een honger naar letters. Dat was mijn avontuur.
Wat er wel te lezen was die eerste jaren: spanning voldoende in de verhalen die de vakantieboeken ons voorschotelden, historische en actuele. In boeken was die ook te vinden. Mijn herinnering voert mij een bizar voertuig binnen waarmee ik in het gezelschap van twee knapen een ondergrondse reis kon maken. Het ding groef zich als een mol een weg doorheen de aarde. Science fiction. Daar ben ik dan verder geen fan van gebleven, het was eenmalig maar blijkbaar maakte het wel grote indruk én was het een basis om, ook hier, mijn fantasie verder aan het werk te zetten en de kiem te leggen voor althans één facet van wat mij ooit zou begeesteren. Een sprong naar het fantastische, naar magie, naar het boven- en buitenzinnelijke moet voor de hand gelegen hebben.

Toen doken, geen idee waar vandaan, de boeken op van Chris van Abkoude, een reeks met als hoofdpersonage Pietje Bell, een Rotterdamse straatbengel. Acht werken over zijn avonturen met de bende van De Zwarte Hand, drogist Geelman en diens zoontje Jozef. Zelfs over zijn reis naar Amerika en over zijn nageslacht. Pietjes streken vormden, afgezien van de strips en het schoolvoer, de basis van mijn persoonlijke bibliotheek; beperkt nog, zo’n vier prijkten er in mijn kamer, trotse bezitter, kapitalist werd ik. Humor maar ook spanning, mag ik daar mijn fascinatie zoeken voor de intriges bij Agatha Christie en George Simenon – Miss Marple, Hercule Poirot, Maigret… het embryo school in die tribulaties van de Zwarte Hand, hoe gek ook. Meteen is Pietje misschien zelfs de oorzaak dat ik graag een detective of thrillerserie meepik op televisie. Hoe ver kan zo’n jeugdlectuur ons voeren… als ik ooit in psychoanalyse ga vertel ik u het resultaat.

Wat zou mijn ouders bezield hebben dat ze mij nu net deze boeken als precair bezit in handen speelden, over een jongen met wie ik niks gemeen had – ver van mijn leefwereld, en hemelsbreed verschillend van mijn karakter en bezigheden. Omdat die deugniet al bij al onschuldig was; en er geen meisjes optraden in zijn entourage? Geen idee. De stap naar ernstiger – volwassener? – lectuur verliep o.m. via de amusante belevenissen van Pa Pinkelman en Tante Pollewop, met Kareltje Flens aan hun zijde, niet de originele stripreeks maar de verhalen die Godfried Bomans tenslotte uitschreef. Hilarisch, absurd. Een springplank naar de Vlaamse klassiekers, de logische weg voor de lezer tussen polder en stad die ik was. Ernest Claes, Stijn Streuvels, en tutti quanti. In gezelschap van Floere het fluwijn, Wannes Raps, Het kerstekind, De vlasschaard belandde ik in de overgang van de lagere school naar het middelbare. 
Ondertussen was ik niet bij de pakken blijven zitten. Lezen, goed. Schrijven, beter. Mijn verbeelding sloeg op hol en zoals dat bij wel meer leeftijdsgenootjes gebeurde ontwikkelde zich ook bij mij iets dat op uitingsdrang geleek, zich manifesteren, het zich naar de buitenwereld profileren in geschrifte. Met andere woorden: ik noteerde, acht of negen jaar oud, rijmende woorden op een blad papier en benoemde het resultaat ‘gedicht’. Tot mijn verrukking – en deze van de huisgenoten (iedere vorm van scepticisme blijkt te vervluchtigen wanneer de bloedband spreekt) werd zo’n rijm nog welwillend gepubliceerd in ’t Kapoentje ook; voor kinderen van abonnees getroost men zich een hypocriete inspanning. Een auteur was geboren, een schrijver was opgestaan.

Niet dat het op school bijzonder gestimuleerd werd, behalve enige aanmoediging via lovende woorden bij opstelletjes over de banale onderwerpen ‘Mijn vakantie’ (toen nog met ‘c’ trouwens), ‘Het beroep van vader’ (nooit van moeder, die werden toen nog bij de haard verondersteld), ‘De Klokken van Rome’ (in 1ste en 2de leerjaar, daarna wisten we het wel)… Een heel trouwe bezoeker van de bibliotheek was ik inmiddels geworden. De katholieke bib, het Davidsfonds, op de Grote Markt. Om de jeugdafdeling te bereiken diende je een smalle houten krakende donkere trap te beklimmen, te bestijgen veeleer: het Walhalla, de boekenhemel, het letterenparadijs. Bewaakt door een man die er toen reeds voor mij tijdloos uitzag. Een standbeeld van cultuur (wist ik nog niet). Minzaam. Die jaren later een beste vriend en bibliotheekcollega zou worden.

Nog leeft de geur van die boekenzolder in mijn geheugen, subtieler dan Chanel V, met meer betekenis dan Eau de Cologne, het madeleinekoekje van mijn leven. Hoe vaak heb ik die treden bestegen, popelend; en met een nieuwe oogst weer afgedaald vol verwachting naar wat zich, bladzijde na bladzijde, urenlang zou openbaren. Inmiddels werd het gebouw geëlimineerd, de collectie én het begrip katholieke bib opgeslokt door het stadsbestuur, haal ik mijn voer in een modern gebouw, scan ik zelf wat ik meeneem, zoek ik thuis op de pc of een boek voorradig is… efficiënt maar ik mis de charme, de geur, de sfeer.

Trouw gebleven aan de bib, maar langzaam drong zich de behoefte aan bezit op. De kennismaking met vooral de Marnixpockets van uitgeverij Manteau, dat was een zegen: na wat de middelbare school zoal suggereerde onder lichte of zware dwang, Ruyslinck, Vandeloo (menigeen opteerde voor de niet al te dikke werkjes, ‘Het gevaar’, ‘De muur’, ‘Wierook en tranen’), ach die boekbesprekingen, zweet en tranen voor velen, terwijl ik er later genotvol honderden zou bij elkaar pennen en onder de wat snoeverige benaming recensie openbaar maken, was hier de fine fleur der Nederlandse en vertaalde letteren te vinden. Haalbaar voor een bescheiden budget. Zelfs toneelteksten waren er te vinden en vermits ik inmiddels mijn terrein daarheen uitgebreid had…

De ontdekking van reeksen als Livre de Poche en Penguin liet niet lang op zich wachten. Het genot van het snuffelen in 2dehands schatkamers diende ik nog even uit te stellen tot de studies mij ontvoogden weg over de stadsgrenzen: toen kon ik starten met wat inmiddels een collectie kunstboeken werd, telkens voor een prikje afbeeldingen van een andere wereld naar mijn boekenplank gehaald. Een ‘bezitter’ ben ik nooit geworden, het heeft me nooit veel uitgemaakt of ik een boek mijn eigendom kon noemen. Lezen, dat primeerde; al was het aangenaam de blik over de ruggen te laten glijden, de trouwe vrienden die me jarenlang vergezelden. Zo o.m. vrijwel alles van Johan Daisne.
Een ganse collectie, die Daisne, vele met opdracht. Als zestienjarige kreeg ik van een familievriend zijn heel lijvige poëziebundel ‘Zevenreizenboek’ cadeau. Nam ‘de pen ter hand’ en verstoutte mij tot een brief waaruit een correspondentie, genegenheid, bewondering ontstonden. En twee rijen boeken, met enige curiosa, klank- en beeldopnamen, tastbare herinneringen zoals zijn bril en sigarettenaansteker, foto’s, een stapel brieven. De Daisne-planken, gevolgd door alle Magisch-Realistische literatuur die inmiddels op de kop getikt werd. Daarnaast tref je de collectie ‘theater’ aan, toneelstukken, theoretische en geschiedkundige werken. Dan de romans; de sectie poëzie. De kunstboeken. Mijn bibliotheek geordend volgens genre, een overzichtelijke chaos waarin ik alles weet terug te vinden. Enfin meestal toch… 
Het verwondert mij dat zoveel beeldend kunstenaars zich laten verleiden tot het portretteren van een model in lezende toestand. Of is dit niet zo vreemd? Het geeft de afgebeelde net dat ietsje meer mee, een handeling die toch statisch is (conditie sine qua non voor het medium schilderij). En meteen ook mysterieus: wat leest zij of hij? Kunnen wij iets van emotie – veroorzaakt door de lectuur – weerspiegeld zien in gelaat of houding? Nopen de omstandigheden, de situatie tot lectuur…

Heel vreemd is het grafmonument van Eleonore van Aquitanië in de abdijkerk Notre-Dame-de-Fontevraud, koningin van Frankrijk én Engeland, beschermvrouw van dichters en minnestrelen… geen toeval dus dat zij afgebeeld ligt met een geopend boek in haar nochtans voor eeuwig gesloten marmeren ogen. Ook vreemd hoe de Sibille van Cumae op het schilderij van Michelangelo Buonarroti (1510) uit een foliant de toekomst leest. Vanuit Cumae, de eerste Griekse kolonie in Italië, zou het alfabet hier verspreid geraakt zijn – een vingerwijzing? Maar we kijken beter toe: de bladzijden blijken leeg! Welke stichtende woorden zoekt Maria Magdalena in het boek dat Ambrosius Benson haar in 1540 in de handen stopt en dat zij devoot, met bijna neergeslagen ogen tot zich neemt. Zij is wel vaker lezend afgebeeld. Een jongedame die zeer belezen was, een succesvol schrijfster, bevriend met Goethe, en die reeds wegens haar letterenpassie een plaats verdient in de galerij is Bettina von Arnim; gelukkig liet Ludwig Grimm ons van haar een tedere tekening na waar zij in 1810 verdiept in haar lectuur aangetroffen wordt. Of Madame de Pompadour zoveel gelezen heeft als François Boucher suggereert met zijn werk uit 1756? In ieder geval rust het boek, weliswaar opengeslagen en in haar hand, naast haar – een weelderig boudoir, frivool, alles lijkt hier geënsceneerd – ook het lezen. Nee dan de ‘Oude lezende vrouw’ (1631) van Rembrandt die moeizaam gebogen de woorden in het dikke foliant ontcijfert – dit is lezen, letter na letter, pur sang. Weerkerend zijn er de schilderijen die, indien er meerdere personen moeten gepenseeld worden, dankbaar van het fenomeen ‘voorlezen’ gebruik maken. Henri Matisse deed het in ‘Het voorlezen; drie vrouwen’, Manet liet in 1868 een zoon voorlezen aan zijn moeder, zij zit in de zetel, hij staat achter haar – haar ingekeerde blik is op zijn stem gespitst. Terwijl de ogen van het kleine meisje aan wie de kinderjuf, ze zitten de tuin, een verhaaltje of sprookje leest, … kijken ze naar ons, of blikken ze in de verte wat zich in de toverwereld afspeelt? De twee meisjes ‘Amaryllis and Henrietta’ (1940) bij Vanessa Bell van de Bloomsbury Group waren oud genoeg om zelf te lezen en hen vinden we dan ook verdiept in hun lectuur. Heel intens is wat Van Gogh uitbeeldde in ‘L’Arlésienne’ waar hij de echtgenote van Joseph Ginoux, uitbater van Café de la Gare te Arles, schilderde: zij heeft haar boek voor zich maar zit, mediterend over het gelezene, voor zich uit te dromen… verbeelding voor lezer en toeschouwer. Ook diepgaand lijkt het portret van een ‘Lezend meisje’ (1850) in het Wenen van Franz Eybl, de Biedermeiertijd: zij straalt onschuld uit – het moet een stichtend werkje geweest zijn dat zij in de linkerhand houdt terwijl zij met de rechter naar haar ontblote schouder tast. Bekend is het werk van Pieter Elinga  ‘Lezende vrouw’ (1668): het Hollandse interieur waar een dienstbode ons de rug toekeert, zittend; verdiept in een boek – snoept zij wat van haar werktijd af om zich aan genot van de lectuur over te leveren? Ook bij de Poolse Irena Szymonowska treffen zo’n vrouw aan ‘Woman reading’, verdiept in de zinnen. Prachtig hoe zelfs een slapend kind op schoot geen belemmering kan betekenen om de lectuur te onderbreken: dat toont ons de Zwitser Albert Anker met ‘Kind slapend op schoot’.
Wie zich vast niet onbetuigd liet wat betreft het inzoomen op lezende mensen was Edward Hopper. We treffen hen telkens intimistisch, ook al is het interieur publiek zoals een trein in ‘Compartment C, wagon 93’, waar een vrouw eenzaam een tijdschrift leest, of een metrowagen in ‘Chair Car’, daar bevinden zich meerdere personen maar een vrouw sluit zich ostentatief van de medereizigers af met (en in) haar boek. Er zijn bij hem ook andere locaties: in ‘The barber shop’ wacht een vrouw haar beurt af terwijl zij een magazine leest. Vaak is het de beslotenheid van een kamer: ‘Room in New York’ (1932), straalt verveling uit, een man leest de krant, de vrouw tokkelt achteloos op de piano. Of ‘Hotel Room’, op de rand van het bed gezeten staart de vrouw in een volumineus boek – staren, leest zij of dwalen haar gedachten naast en boven de regels weg; onze fantasie mag het invullen. Terwijl we onze bedenkingen hebben bij ‘Model reading’, zij zit voor haar toilettafel zonder aandacht voor make-up en prullaria, de inhoud van het boek intrigeert haar duidelijk. Ook Balthus portretteerde meermaals, bij hem uiteraard jongere, lezers. We ontmoeten ‘Katie lezend’, terwijl zij ontspannen in een fauteuil achterover ligt; en de ‘De kinderen Blanchard’, de jongen droomt maar zijn zusje ligt op de grond met haar aandacht bij de lectuur. In het atelier treffen we ‘De schilder en zijn model’ (1980): de meester schuift net het overgordijn weg voor meer lichtinval, zijn model zit geknield voor een stoel waarop het boek ligt dat al haar aandacht verdient. Dichter bij huis ontmoet ik Roger Raveel met twee zeer strakke werkjes, sprekende eenvoudige titels: ‘Lezende man’ (1954), ‘Lezende vrouw’ (1973). En James Ensor met ‘De briefschrijfster’ (1883), ook deze diende over- en herlezen te worden… en ‘Portret van Dario de Regayos schrijvend’. Deze Dario was een Spaanse schilder die lang in Brussel woonde, vriend van Emile Verhaeren en tot de groep van Ensor, van Rijsselberghe en Khnopff behorend.

Tenslotte nog de fotografen: niet alleen ter gelegenheid van de eerste en de plechtige communies werden we eertijds bij wijze van staatsieportret gekiekt met een imposant missaal ofte gebedenboek in de onbezoedelde hand. Ook bij andere gelegenheden zagen fotografen hun kans schoon om het boek te gebruiken. Zo August Sander die honderden foto’s maakte van mensen binnen hun beroep en wat kon hij een lerares te Linz in 1904 beter toestoppen dan een boek. Rest nog de iconische foto die Eve Arnold in 1952 nam van Marilyn Monroe terwijl zij verdiept was in ‘Ulysses’. Toch nog deze die mij trof: ‘La lecture abandonnée’, ‘De onderbroken lectuur’ (1924) van Félix Vallotton: de halfnaakte vrouw ligt zijdelings op bed, staart ons, of een punt boven ons, aan, terwijl het boek gesloten naast haar ligt – zij houdt haar hand er weifelend, beschermend op… wat, wie, of welke gedachte is er de oorzaak van dat het lezen ophield? We zullen het niet weten.
Iets opgevallen? Ja een ganse reeks vrouwen komen in beeld. En nee ik discrimineerde niet, indien iemand dat deed dan schuif ik die zwarte of anders gekleurde piet door naar de kunstenaars. Bij Raveel vond ik een lezend mannelijk exemplaar, en elders zat er nog eentje verstopt maar die dook weg achter de krant… Het échte lezen, toch meer iets voor vrouwen, een hobby, een bezigheid, vrijetijd… het is een cliché. Ik betwijfel het. Natuurlijk zijn er ook heel wat meer schilderijen met dames – een bekoorlijker onderwerp. Maar toch. Vermoedelijk is het niet bepaald stoer, een man met een roman in zijn knuist. Vrouwen lezen meer, het blijkt ook rondkijkend op de trein – het vrouwelijk geslacht verdiept zich heel wat meer in vuistdikke boeken, mannen houden zich daar onledig met krant, laptop of kaarten… Nochtans, indien ik ooit voor een schilderij urenlang zou moeten poseren: mijn voorwaarde dat ik ondertussen kan beginnen aan deel 1 van ‘A la recherche du temps perdu’, ‘Du côté de chez Swann’ en hopelijk legt de schilder zijn borstel pas neer wanneer ik de laatste zinnen gelezen heb van ‘Le temps retrouvé’.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.