Yu Jian, het is niet zo’n bekende naam, zelfs niet voor de modale Vlaamse poëzielezer. “Maar daar zal nu wel snel verandering in komen,” schreef Johan de Belie destijds (jaren tachtig) in De Rode Vaan, toen bij het Poëziecentrum uit Gent een bloemlezing uit het werk van een van China’s belangrijkste hedendaagse dichters was verschenen…

Melancholie, gelukzaligheid, vervloekingen, onverschilligheid, dat is allemaal niets voor mij“, noteert de Chinese dichter Yu Jian in zijn gedicht “Werk 50”. Een zin die uitmuntend past binnen de strekking waartoe Jian behoort of waarin hij gecatalogiseerd wordt, de post-hermetici of zogenaamde post-mystici, ook nog de Derde Generatie genoemd. Deze groep die de hermetici, die zich afzetten tegen de Culturele Revolutie, opvolgde, valt in drie subgroepen uiteen. Yu Jian is één der dichters die inhoudelijk en vormelijk veeleer een neorealist mag genoemd worden. Afstandelijk noteert hij het dagelijkse leven, ironiseert en ontleedt gedrag en motieven van de mensen om hem heen. Hij is vooral toeschouwer.
Toch blijkt al vrij snel wanneer men de bloemlezing “Poëzie als incident” (selectie en vertaling Jan De Meyer) leest, dat de dichter lang niet helemaal aan deze etikettering beantwoordt. De invloeden van de klassieke Chinese poëzie (onder meer de fu, de rapsodie waarin een onderwerp uitputtend beschreven wordt) en van de negentiende eeuwse westerse dichtkunst, zijn determinerend. Met als duw in de rug Walt Whitman (Leaves of grass) en de teksten der hermetici die afrekenden met onmenselijkheid, willekeur, gewelddadigheid en onrecht. Themata die de poëzie van Yu Jian voortdurend doorkruisen. Zijn “onafstandelijkheid” dient zodoende wel erg gerelativeerd te worden. Een gedicht als “Buren” ironiseert het huwelijksleven maar de indruk van vertedering in de slotregel zet iedere voorafgaande gedachte op de helling. Een procédé dat Jian wel vaker hanteert.
De dichter schrijft vaak natuurgebonden, de rivier Jujiang duikt meermaals als beeld op. Maar ook daar wordt steevast de aanwezigheid van de mens, reëel of symbolisch, gesuggereerd tot tenslotte het natuurelement slechts een weg blijkt om tot ideeën en inzichten te komen. Aandacht voor de mens, soms met teder medelijden; soms schamper als bijvoorbeeld in “Hé wereld kom toch binnen” waar hij alle levende elementen (van afzichtelijke vrouw via moedermoordenaar tot mier en mug) inviteert om tenslotte te besluiten met een zich totaal afsluiten van de buitenwereld en overlevering aan de wereld der dromen. Hoe open de schrijver ook is voor de mensen om zich heen, er blijft meestal een zekere argwaan bestaan ten opzichte van alle menselijke daden en gevoelens.
Het lijkt of Yu Jian bijzonder vrij met de taal omspringt. Maar de beheersing zoals die blijkt uit deze vertaling verraadt een strakke nauwkeurigheid. In zijn inleiding bevestigt Jan De Meyer ook dat deze taal geen teken is “van een vloeiend, spontaan scheppingsproces maar wel het resultaat van langdurig schrappen en polijsten“. En het is precies de vormgeving en de structuur die de lezer dwingt deze gedichten, die op het eerste zicht zeer toegankelijk lijken, binnen te dringen op een andere wijze. Om tot de vaststelling te komen dat de regels zich niet lenen tot éénduidigheid. De klaarblijkelijk heldere poëzie vertolkt geen voor de hand liggende opvattingen maar vereist een filosofische benadering. Oppervlakkige lectuur zou zich kunnen laten misleiden door de vaak gebruikte volkse dialogen; maar juist daar schuilt een essentieel element van de zeggingskracht en van het gedachtengoed van Jian. En wanneer de auteur lijkt te relativeren overvalt hij de lezer met de intreurigste vaststellingen als “heel lang heel lang moet je gaan en dan pas kan je weer thuiskomen” of “de nacht is gevallen ’s nachts is het volstrekt uitgesloten dat iemand een brief komt bezorgen“.
Deze bundel van een auteur die ooit besliste dat hij China’s Goethe zou worden, is alvast een boeiende kennismaking met gevoelige en sterk op de mens betrokken poëzie, vindt Johan de Belie. Over de dichter is meer materiaal te vinden in nummer 42 van de De Brakke Hond, en in de nummers 5 en 6 van jaargang 1995 van de Poëziekrant, telkens van de hand van Jan De Meyer die voor deze bundel ook een situerende inleiding schreef. (Yu Jian, Poëzie als incident, Poëziecentrum, Gent)

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.