1948… the dark ages… de middeleeuwen… absoluut niet, zo oud ben ik nu ook weer niet. Mijn geboortejaar ja. In december. Een donkere maand, vergis u niet, net toen schonk de hemel ons 114 uren zonneschijn, tot heden een record tegenover het gemiddelde van 52 voor die maand. 1948, het jaar dat “geluk heel gewoon was” indien we de heren Kees van Kooten en Wim de Bie mogen geloven die de tekst van dat lied schreven op de noten van ‘Alone again’ van Gilbert O’Sullivan – Gerard Cox zou het de eeuwigheid (en nog steeds, vooral bij Radio 2 en de Madammen) inzingen.

Geen middeleeuwen, er was al beschaving, de dino’s waren al uitgestorven, ik kwam niet in de vrije natuur onder een boom ter wereld maar in een echt ziekenhuis (zelfs geen thuisbevalling voor mij). Wel werden de voordeuren nog niet consequent op slot gedaan, werden er beduidend minder auto’s gehackt (er reden er ook lang niet zoveel natuurlijk en hacken stond nog niet in Verschuerens Modern Woordenboek) en zaten de mensen vaak oergezellig buiten voor hun huis met de buren te converseren ’s avonds. Er bestond nog geen televisie, het NIR zou daarmee pas vijf jaren later starten, VTM kleurde nog lang de dag niet en dus moesten we die tinten in de natuur zoeken. En dienden we ongeduldig, en vooral onschuldig en onwetend, te wachten op betere tijden, op ‘Schipper naast Mathilde’, ‘Thuis’ en ‘Familie’. Wel kon men naar de radio luisteren. Gek maar het waren vooral de noorderburen die populair waren met programma’s als ‘Snip en Snap’ en ‘De bonte dinsdagavondtrein’. En luisterspelen, die zorgden ook voor rode oortjes. Indien ik hen met mijn prille gekrijs niet overstemde. Je moest wel nog even geduld oefenen eer je Doris Day of Perry Como kon horen via het toestel, de radiolampen dienden warm te worden en op te gloeien – maar de redding was nabij want dit jaar werd de transistor uitgevonden om het systeem te perfectioneren. Of ik me van dat alles veel herinner? Niet bepaald, maar de essentie heeft zich toch in mijn babygeheugen gegrift.
Zo weet ik dat er hoe dan ook een zekere euforie heerste over de kleine wereld waarin ik mij nog niet bewoog. Er was iets voorbij dat nogal wat slachtoffers had geëist, mensen koelbloedig had vermoord, steden tot puin had herschapen, oorzaak van pijn, tranen en honger was geweest. Maar daar wou men liever niet teveel aan herinnerd worden. Herdenkingen, dat zou voor later zijn – nostalgie – en wanneer men het nuttig zou oordelen te wijzen op de hernieuwde gevaren van fascisme en onverdraagzaamheid. Bovendien: van Canvas was nog geen sprake dus wekelijks drie documentaires op hen loslaten over het onderwerp kon al evenmin. Nee, enige vrolijke herademing in deze tijd van wederopbouw leek gepast. De wonden waren gelikt. De rest verdrongen. Al was het niet alles victorie gekraaid dat bewuste jaar, oh nee. Zo werd op 14 mei door David Ben-Goerion de onafhankelijkheid van Israël uitgeroepen én meteen de volgende dag begon de Arabisch-Israëlische oorlog toen Egypte, Libanon, Syrië, Irak en Saoedi-Arabië tot een aanval besloten. Bijna even erg: op 26 juli werd in België het kiesrecht voor vrouwen definitief van kracht – en kijk wat er inmiddels van terechtkwam. Of zou dat toch niet de schuld van de dames zijn? Tenslotte zijn ze nog steeds in de minderheid op de banken waar de blabla geldt… Wel goed nieuws: in het autosalon van Parijs werd de legendarische 2cv, de lelijke eend, voorgesteld – topsnelheid toen: 65 km/uur. Nauwelijks negen dagen na mijn geboorte werd door de VN de Verklaring van de Rechten van de Mens aanvaard – dat was voor mij in mijn wieg een hele geruststelling, ik kon herademen en ik vier jaarlijks deze dag even uitbundig als mijn verjaardag. Minder enthousiast was ik dan weer over de oprichting dat jaar van de Hell’s Angels, maar daar staat de oprichting van de Wereldgezondheidsorganisatie op 7 april tegenover. Terwijl Nederland jubelde omdat Fanny Blankers-Koen drie gouden medailles wegkaapte op de Olympische Spelen te Londen, de eerste die georganiseerd werden na WO II – de winterspelen konden we, enfin ik nog niet, meemaken te Sankt Moritz. Ondertussen schreef heel visionair de heer George Orwell zijn roman ‘1984’ – ik piepte liever eventjes over de tijdgrens naar 10 januari 1949: die dag lanceerde RCA de single, dat 45-toeren plaatje dat mij jaren later zoveel genot zou bezorgen.
1948, wat een vruchtbaar jaar, in welk gezelschap bevond ik mij, wie waren al die beroemde huilende, duimzuigende baby’s die mij omringden en die dat jaar legendarisch maakten. Ongelooflijk maar waar: Ozzy Osbourne (Black Sabbath & zichzelf) is twee dagen jonger dan ik en ziet er meer afgetakeld uit – hij heeft wellicht iets uitbundiger geleefd maar toch… Alice Cooper, tja dié zag er nooit zo best uit, moet wel een rare baby geweest zijn – ‘a nightmare from hell’. Prins Charles en Pim Fortuyn. Over naar het betere werk: Olivia Newton-John (Grease zaliger), Stevie Nicks van Fleetwood Mac, en die het net haalde op 2 januari: Penney de Jager – je mocht van 1970 tot 1985 haar balletgroep bewonderen in het programma Toppop van Ad Visser, kon de muziek niet bekoren dan was Penney er nog! Voor de dames: danser Baryshnikov dateert ook van ons jaar, knappe jongen en wat een talent én acteur. Nederland was vruchtbaar: radio-dj Frits Spits, een legende; Martine Bijl ons reeds ontvallen helaas terwijl ik er nog steeds over droom met haar in het Bloemendaalse bos te liggen. ‘Doe Maar’ Henny Vrienten en schrijver/tv-beest Boudewijn Büch, verduiveld twee weken jonger dan ondergetekende. Zelfs Jan Boskamp figureert op het Oranje lijstje. Ik heb het dan toch meer voor Grace Jones en Cat Stevens, of Gérard Depardieu. Natuurlijk ga ik niet voorbij aan de man van Jesus Christ Superstar, niet librettist Tim Rice maar componist Andrew Lloyd Webber. Op de valreep, 31 december, was er nog Donna Summer. Wie net iets te vroeg de moederschoot verliet en zodoende mijn glorieus wonderjaar niet bereikte, helaas, was de winnares van het Eurovisiesongfestival in 1964, miss ‘Non ho l’età’, Gigliola Cinquetti – geboren op 20.12.1947, te vroeg dus. Gelukkig twaalf dagen te laat, op 12.1.1949: Pablo Escobar.

Wat valt op: onze contreien bleken vruchtbaar voor het stemgeluid: wie er in 1948 niet al geboren werd met in hun mars wat later een zangstem zou blijken: Samantha, Paul Severs, Salim Seghers, Danny Fabry, Paul Michiels… of dat zich reeds manifesteerde gedurende die eerste maanden, of die dagen al gevuld werden met meer dan gekrijs en gehuil is onbekend – een wetenschap die berust in de onzalige annalen van hun beproefde ouders. Maar als zelfs later “de telefoon meehuilde” met Danny en Silvy Melody, dat klinkt niet gunstig. En wanneer je , Salim, binnen één jaar, hits zingt als “Verlaat me nooit” en “Vaarwel”, wuif dan met het handje. “Vaarwel en tot weerziens”, uit de mond van Paul Severs – zo’n contradictie, zou hij met deze dubbelzinnige groet te opdringerige familie reeds van zijn wieg verwijderd hebben… Dat Liliane Saint-Pierre nauwelijks twee weken jonger is dan ik – dit icoon van de homobeweging, deze soldier of love ziet er nog steeds heel wat appetijtelijker uit moet ik erkennen; het is haar gegund.
Wat voerde ik uit die laatste weken van dat gezegende jaar, mijn prille begin. Slapen, veel. Eten, de eerste maanden betekende dat een dieet van koeienmelk uit de papfles – bleek dat ik deze uit de gul aangeboden moederborst niet verteerde (lees hierover Freud na). Melk en honing, potten honing van Meli verslond ik, niet uit oogmerk van voedzaamheid, louter omdat dit het enige middel bleek om mijn stilzwijgen af te kopen; blijkbaar zette ik het zonder dit dieet genoegzaam op een onuitstaanbaar brullen en chanteerde aldus mijn ganse entourage. Slapen en eten. Kijken ook: naar al die gekke gezichten die zich grimassen trekkend over mij heen bogen en uit wier als mond bestempelde opening de raarste geluiden werden voortgebracht, van tsjoektsjoek tot kirrekirre, irritant. Veel meer was er niet te zien, ik kon niet boven de rand van wieg of bed heen kijken, en Bumba en Kaatje bevonden zich nog niet eens in embryonaal stadium. Restte er nog het luisteren, en wat bereikte mijn hamer, aambeeld en stijgbeugel (want hoe pril ook, dat bleek alles reeds in voldoende mate aanwezig te zijn, de natuur is wonderbaarlijk stelde ik, drie weken oud, vast). Wel benevens verwarde stemmen en niet thuis te brengen huishoudelijke klanken (van sommige kan ik nu nog, decennia later, hun oorsprong of bedoeling niet plaatsen) openbaarde zich iets dat de woning en mijn huisgenoten, het vertrouwde, oversteeg. Het bleek, zo zou ik ontdekken, uit een onesthetische bak komen maar, afgezien van sporadisch weerkerend blabla (een fenomeen dat mij mijn ganse leven zou achtervolgen en vele uren verzieken, maar dat besefte ik toen nog niet) zeer aangename klanken produceerde. Gezien de periode genoot ik ten overvloede van iets dat omschreven werd als ‘White Christmas’, gezongen door ene Bing Crosby, ook wel eens door Frank Sinatra of Perry Como, ik had niet echt een voorkeur. Bovendien: het was fake news, het sneeuwde helemaal niet op kerst 48. Mijn favoriet was Doris Day, ‘Embracreable you’, al mocht Peggy Lee met ‘Manana’ er ook zijn. Of iets ruiger al draaide mijn moeder het volume dan steevast lager, Nat King Cole: ‘Route 66’ en ‘For sentimental reasons’. Mahalia Jackson en Ella Fitzgerald die kregen een duwtje in de andere richting, de knop dan, en echte lieveling was ‘Red roses for a blue lady’ van Vaugh Monroe. Af en toe was er iets te horen dat ik pas later zou weten te definiëren, de blues van Muddy Waters, de klarinet van Benny Goodman. Deze laatste nodigde in 1948 onze Toots Thielemans uit om met zijn band een concerttournee te spelen in de US, helaas kreeg Toots geen werkvergunning en ging het niet door. Wie wel buitenlands mocht optreden: La Esterella, in de tv-studio van de BBC. Niet met haar hees-gezuchte Onze-Lieve-Vrouwetoren, dat kwam er pas in 1953. Wie er wel zijn plaatjes de ether instuurde was Bobbejaan Schoepen, de jodelende cowboy: hij nam dat jaar zijn eerste 78-toeren plaatje op. Dus kon ik in mijn wieg luisteren naar ‘De trappers van Alaska’, ‘De jodelende fluiter’ en mijn all-time favoriet ‘Koetje boe’! Cultuur? De musical ‘Kiss me Kate’ van Cole Porter ging op 30 december op Broadway in première en zou het 1077 voorstellingen lang uitzingen. Minder lang op het programma maar even essentieel: de première van ‘In a landscape’ van John Cage. Nu ja, Kate noch Cage haalden de ouderlijke radio, dit cultuurfacet werd mij vooralsnog onthouden. Een gemis voor het leven.
Wie we nog zouden missen: waren er in 1948 wel opvallend veel opmerkelijk veel later bekend geworden figuren geboren, sterfgevallen noteerden we des te minder. Hadden onze vroede vaderen, en moeders, na de ontberingen en spanningen van de oorlogsjaren zich eens laten gaan en zich overgeleverd aan lichamelijke geneugten met de gevolgen van dien, de babyboom? Terwijl anderzijds er nogal wat miljoenen hun kijker reeds vroegtijdig gelaten hadden zodat er wat dat betreft voor de doodgravers en lijkbidders een adempauze ontstond. Voer voor demografen. De tenor Richard Tauber, die zong zijn laatste noot – niet in onze woning vermits mijn verwekkers tot mijn verbijstering ooit een complete LP van deze zoetgevooisde in huis haalden zodat ‘Dein ist mein ganzes Herz’, ‘Schön ist die Welt’ en ‘Ich küsse ihre Hand Madame’ mijn nachtmerries muzikaal zouden begeleiden. Idem wat Franz Léhar betrof. ‘De lustige weduwe’, ‘Het land van de glimlach’… platen met een selectie van de liederen zouden mij een doorn in het oor worden – en bovendien was er op zondag steevast een opera- en belcantoprogramma op de radio alsof die dag nog niet erg genoeg was zonder het gekweel van het ‘Vilja-lied’ of ‘Meine Liebe, deine Liebe..’. Theaterbeest Antonin Artaud ging er ook vandoor evenals schilder en meester-vervalser Han van Meegeren. Wellicht allemaal met enige tegenzin, maar al helemaal tegen zijn wil want op 8 januari vermoord: Gandhi. Laten we hen in vrede rusten en een blik werpen op het vitale deel van de mensheid, de leden van onze grote familie die lijf en leden veil hadden voor bekers, medailles, applaus, roem. De sportlui.
Ontzagwekkend, niet klein te krijgen: Joe Louis, wereldkampioen boksen zwaargewichten van 1937 tot en met 1949. Niet dat ik er wakker van lag. Niemand in het gezin trouwens. Zelfs naar sportuitslagen werd niet geluisterd. Zo zal het mijn vader vast ontgaan zijn dat Arsenal dat jaar won in de First Division, en dat in de FA Cup Manchester United met 4-2 Blackpool onderuit haalde. Zelfs de overwinning van RFC Malinois op Anderlecht dat zodoende kampioen werd in eerste afdeling, terwijl RC Mechelen diezelfde plaats behaalde in tweede, moet hem koud gelaten hebben. Het enige wat mijn prille oortjes bereikte waren de opwindende commentaren over de duiven – waar en wanneer ze gelost werden, of ze al ‘vielen’; daaraan ontkwamen we niet op zondagochtend als radioluisteraar. Toch was het anders gesteld met de Ronde van Frankrijk, dé Tour. Niet dat papa opgewonden naar de ritverslagen luisterde, niet dat hij pronostieken maakte, niet dat hij enige belangstelling koesterde voor wie de rit gewonnen had. Absoluut niet. Wat dan wel. In de krant die dagelijks in de bus gedeponeerd werd, Het Volk (ah met die zalige wekelijkse bijlage ’t Kapoentje voor mijn prille leeshonger) ontdekte hij al die Tourdagen een tekening van Leo De Budt: Thomas Pips. Een populaire stripfiguur die voor de gelegenheid op het Tourcircuit verscheen én in die tekening verstopte De Budt een muisje dat je met (soms veel) moeite diende te ontdekken: minutenlang genot voor het ganse gezin… wie vindt als eerste de muis! Dat in 1948 de ronde op 30 juni startte met 120 renners, met o.m. Louison Bobet, dat Bartali hem won, en dat onze landgenoot Raymond Impanis in twee etappes zegevierde, dat wekte geen beroering in het gezin, het was ons worst. Maar de muis van Thomas Pips! Denksport was dus veeleer iets voor ons. Cultuur, de echte! Met stripverhalen als ‘Eric de Noorman’, ‘Robbedoes’, en – deze zou ik ooit gretig verslinden – ‘Suske en Wiske’ van wie dat jaar vier albums verschenen, o.m. ‘De bokkenrijders’ en ‘Het Spaanse spook’. Marc Sleen was er met ‘Piet Fluwijn en Bolleke’, Nero was nog tweederangs bij detective Van Zwam.
Lezen. Literatuur. Conscience’s Leeuw was nog steeds een topper, en Claes’ Witte eveneens. Terwijl in 1948 het verzameld werk van Streuvels uitgegeven werd. Een jaar voordien verschenen, maar nu gretig gelezen: ‘Het achterhuis’ van Anne Frank en ‘De avonden’ van Reve. Even populair was uiteraard ‘Ons Kookboek’ van de Boerinnenbond, toch ook cultuur van de bovenste keukenplank! Nog niet zo populair: Hugo Claus die zijn eerste gedichtenbundels op de poëziemarkt gooide. Hella Haasse verwierf de novelleprijs van het CPNB met ‘Oeroeg’; de meer prestigieuze nobelprijs literatuur ging naar T.S.Eliot. Nederlandse boegbeelden W.F.Hermans en Harry Mulisch stonden op, de eerste debuteerde met verhalen, de andere was hem met één verhaaltje een jaar te vlug af. William Faulkner schreef ‘Intruder in the dust’, Truman Capote ‘Other voices, other rooms’. En in Frankrijk? Camus had in 1947 ‘La peste’ neergepend, Simone de Beauvoir memoreerde in ‘America day by day’ haar reis van vier maanden per bus, trein, auto door de US, terwijl haar compagnon Sartre zijn toneelstuk ‘Les mains sales’ voltooide dat op 2 april in première ging in het Parijse Théâtre Antoine. Voor Simenon waren het niet de politieke handen die vuil waren: hij schreef zijn 36ste roman vol, ‘La neige était sale’.

Al kon ik er vanuit wieg of bed niet van genieten en ging het allicht ook aan de huisgenoten voorbij, toch moet ik nog een schuinse blik werpen op wat er geprojecteerd werd op de filmdoeken gedurende dat door den heer gezegende jaar. Vittorio De Sica voltooide zijn onovertroffen ‘Ladri di Biciclette’, zijn fietsendief, naar de novelle van Bartolini en sleepte de Oscar voor buitenlandse film in de wacht! Vier Oscars waren er voor ‘Hamlet’ van Laurence Olivier, o.m. voor de film en voor hemzelf als acteur; hij had reeds eerder van Shakespeare ‘Henry V’ verfilmd en later zou ‘Richard III’ volgen. Er waren ook nog ‘Easter Parade’ van Charles Walters en  ‘The lady from Shanghai’ van Orson Welles met Rita Hayworth en ‘Key Largo’ van John Huston met Humphrey Bogart en Lauren Bacall. Terwijl Hitchcock zich aan zijn eerste kleurenproductie waagde: ‘Rope’ met James Stewart. David Lean tenslotte verfilmde Dickens’ ‘Oliver Twist’: later zou hij nog succesvoller blijken met prenten als ‘Lawrence of Arabia’, ‘The bridge over the river Kwai’ en Doctor Zhivago’.
1948… gezegende tijd, beloftevol jaar. Uiteraard herinner ik me van die vier weken die ik er – existerend in een wel heel beperkte ruimte onder een donsdekentje, verbaasd koekeloerend naar die bizarre wereld – totaal niks meer van. En de mensen die mijn kleine entourage uitmaakten – ze zijn allen reeds wijlen. Tot herinnering vervaagd. Maar zij zijn het die dat jaar wezenlijk bevolkt hebben. Uit die kleine cel deinde de heel grote, soms te grote wereld tenslotte verder uit voor de baby die ik in december 1948 was.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.