Mijn Nederlandse correspondent Theo Buiting heeft in deze corona-tijden weer een verhaaltje klaar. De titel luidt “Corse San Pellegrino”…

Hot town, summer in the city
Back of my neck getting dirty and gritty
Been down, isn’t it a pity
Doesn’t seem to be a shadow in the city

Hot, steaming hot was het. The Lovin’ Spoonful hadden lang geleden al eens aangekondigd dat het er aan zat te komen..
Een verschroeiende hittegolf teisterde het land. Je hoorde bij wijze van spreken de apocalyptische ruiters al door de straat galopperen; de vonken sloegen van de hoeven. Alsof het al nog niet heet genoeg was. Nooit eerder was het hellevuur zo voelbaar dichtbij geweest.
En ja, wat is er dan, in zulke barre tijden, meer smaakvol dan een frisse hors d’oeuvre, bereid door je eigen keukenprinses. Hòòùr wat? Nou ja, eigenlijk zeggen wij nog gewoontjes kouwe schotel, maar dat klinkt toch een beetje te boers voor zo’n exquise plat. Fotootje van gemaakt bij gelegenheid van de degustatie in eigen tuin. Dus niet in de city, want daar wonen we immers niet, maar alla.
Mooi plaatje, kan zo in een glossy kookmagazine, al zeg ik het zelf. Let u vooral niet op de spiritualiën ter linker- en rechterzijde. Die dienen in deze enkel en alleen ter decoratie. Dat zult u ongetwijfeld begrijpen. Neen, het gaat hier en nu over de deugd in het midden: die bottiglia aqua minerale San Pellegrino. “Het water van San Pellegrino , als keuze van chefs en sommeliers, siert de tafels van toprestaurants in meer dan 130 landen”. Zo staat het op het etiket. Ook prominent prijkend op onze tafel. B’ons, b’ullie en ginderwéit, zugezeed.

Maar San Pellegrino maakt meer los. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. En wel naar de fietserij. Waar anders. Naar 9 september 1962 te Helmond om precies te zijn. De finale van het vaderlandse San Pellegrino klassement. Daarover straks meer.
In Italië dreigde midden vijftiger jaren het merk San Pellegrino een beetje ondergesneeuwd te raken door concurrent San Benedetto. Allebei dus voorzien van een heiligennaam. Zoals die daar ginds zowat overal opgeplakt wordt. Te pas en te onpas, tot aan voetbalstadions toe. Een beetje zegen van boven komt altijd wel gelegen en is ook nog eens gratis en voor niks.
Ezio Granelli, de vrome baas van San Pellegrino, was wanhopig op zoek naar een bredere exposure voor zijn merk. Voetbal was nog niet zo aan sponsoring toe, het rennen des te meer. De tifosi waren stapelgek op hun corridori. Heldenverering pur sang, ze kusten volkomen idolaat de straatstenen waarover hun campionissimi voorbij denderden.
De keuze was snel gemaakt, maar er zat toch een giftig addertje onder het gras. Zijn mineraalwater stond immers voor een verfijnde smaak, reinheid en bovenal gezondheid; kortom voor een weldadig pure beleving. En zeker, ook in die dagen hing er al een zweem van doping en machiavellistische praktijken rond het professionele wielrennen. In die valkuil moest je niet zomaar blind intrappen. Dat kon je zuivere imago zomaar naar de knoppen helpen.
Granelli ging het anders aanpakken. Samen met de devote Vincenzo Torriani van de Gazetta dello Sport, de feitelijke zwaaibaas van het Apennijnse cyclisme, organiseerde San Pellegrino honderd amateurkoersen verspreid over heel de Laars. Met als apotheose de Corsa San Pellegrino, een zevendaagse etappewedstrijd voor de geselecteerden uit die ziftingskoersen. Allemaal bedoeld om die renners een cleane entree te bezorgen, straks bij hun opwachting in de vaart van de pedalerende volkeren. Als dirretore sportivo werd niemand minder dan de iconische oud-kampioen Gino Bartali aangeworven.

Gino, ook wel gekend als De Vrome of De Monnik,de man die ooit Italië behoedde voor een burgeroorlog. Een oprechter boegbeeld van katholieke rechtschapenheid viel er niet te vinden. Een man ook, die zijn jeugdige discipelen een ascetische en onbevlekte levenswijze kon voorhouden. Die
overspelige Coppi zou dat nooit gegeven zijn.
Bijkomend voordeel was, dat Gino zijn “Bartali”-fietsen mocht leveren aan de ploeg(en). Hoezo pro deo, mompelde l’Uomo de Ferro. Ook dicht onder de rook van het Vaticaan, gaat immers alleen de zon voor niks op.
Zo viel alles op zijn plaats en met de komst van de zowat zalig verklaarde Gino vloeide het water uit de Terme boven Bergamo overvloedig. In welhaast Bijbelse stromen. Het was nog net geen wijwater, maar veel scheelde het niet.
Ook de Lage Landen moesten natuurlijk kennismaken met dat weldadige aqua. Ter promotie was de formule van de 100 Corse ook naar hier geëxporteerd. Uiteraard in een mini versie voor ons klompenlandje. Met een finalewedstrijd van 160 kilometer in Helmond en omgeving.
Gino Bartali was in hoogst eigen persoon, met een complete ploeg amateurs vanuit het mediterrane fietswalhalla komen afzakken naar Hellimund. Ze lieten van die brave Hollanders geen spaan heel.
Plaats een tot en met vijf was, afgescheiden, voor mannen met welluidende namen als Carminati, Milesi, Gregori, Zabeo en Mapelli. En dat allemaal op een bidon met, namens de broederschap Sint Pellegrinus & Sint Juttemis, ingestraald bronwater. Zeg nou zelf, als je dan Buuts, Brekelmans of
Gisbers heet sta in het vertrek al op achterstand.

Ik ben er op mijn fietske, gekregen bij de Plechtige Heilige Communie, nog heen getrapt om de aankomst mee te maken. Om de tijd te doden was er ook nog een afwachtingscriterium voor beroeps en onafhankelijken. Op een volstrekt doods parcours in een leeg woonwijk in aanleg. Local hero Pietje Damen, wie anders, soleerde naar de overwinning. Altijd een beetje gefocused op de underdog had ik compassie met een renner die de hele koers in het laatste wiel gereden had. Op het oog een forse gestalte in dat deelnemersveld. Volgens het programmaboekje was het ene Norbert Koch uit Utrecht. Maar toen het om de plek ging reed hij toch mooi twaalfde. Noppie Koch dus, die zo leerde ik later, toen voornamelijk zijn brood verdiende als stayer op de baan. Ja,als je de abri gewend bent ga je natuurlijk niet op kop rijden. Twee jaar later stapte Noppie over van de fiets naar de zware motor en de derny. En liet zich kronen tot “Koning der Gangmakers”. Maar aan alles komt een eind. Ook aan de carrière van “den zwarten drieënveertig”. Het allereerste artikel, met die titel, dat “onze verslaggever” Bert Wagendorp schreef over het rennen ging over Noppie’s afscheid van de piste. Een magistraal verhaal uit 1988 (oei !) als opmaat naar meer van dat kaliber.
Zo zie je maar weer hoe een hete zomer met je op de loop kan gaan, je bovenkamer overhoop haalt, en je van Utrecht via Helmond naar voormalige coronabrandhaard Bergamo laat ketsen.
TB/PdM/8/20

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.