DE OMHELZING VAN DE BOA CONSTRICTOR
Lukas DE VOS

Erwin Provoost gaat officieel weg bij het VAF. Om persoonlijke
(gezondheids)redenen, zegt hij. Hij was gekozen omdat hij een
manager was. Hij heeft volgens IMDb ten minste 38 produkties op
zijn naam staan. Maar geen enkele regie. Bij de VRT is dat niet
anders: je kunt best een deskundige zijn in staaldraad of in
verzekeringen. Maar altijd gaat het om managers die over geld
gaan, niet over inhoud. Redakties zijn bedrijfsonderdelen
geworden, filmmakers uithangborden voor het genie van de staat.

Provoost kreeg het dus ook moeilijk om zijn voorganger Drouot te
evenaren, die had ten minste een zevental films als regisseur op zijn
lijstje staan (en een twintigtal produkties). Drie kortfilms, drie
langspelers: Dood van een Non (1975), Louisa, een Woord van
Liefde
(1972, met die lieve Willeke van Ammelrooy die zo schutterig
heen en weer moest huppelen in een wolk van mosterdgas, de
sloerie) en L’Étreinte (1969). Was daarbij ook art director bij Cash ? Cash ! (1967) van zijn kompaan Paul Collet (met wie hij een tiental
jaar zou samenwerken), en had het scenario geschreven voor Les
Lèvres Rouges
van Harry Kümel (1971). En Drouot had niet zomaar
thema’s aangepakt, maar uitdagende vragen: het bestaan van god
(een abstrakt thema), bigamie (en burgerlijk fatsoen), en in
L’Étreinte het sadomasochisme. Geen klein bier.
Dat zijn werk nog sterk gericht was op de Franstalige wereld lag
voor de hand. Zijn vader was een Fransman, de burgerij van
Oudenaarde neeg naar een onschendbaar standenverschil tussen
elite (Frans) en volksmens (Vlaams). Bovendien was het RITS, dat
pas afgescheiden was van de “tweetalige” instelling – Collet en
Drouot behoorden tot de eerste lichting afgestudeerden -, nog sterk
gericht op Franse voorbeelden. Logisch want toen bestond de
Franse film nog, met zijn tenoren Gabin, Belmondo, Bardot,
Constantine, Ventura, Anna Karina, Jeanne Moreau, Alain Delon
c.s., en de regisseurs van de Nouvelle Vague. Het intellektueel
klimaat werd nog goeddeels bepaald door Franse filosofen en
teoretici. Sartre, de Beauvoir, Foucault, Eliade, Lacan, Lyotard, Hara
Kiri, Greimas, Barthes, zij maakten goede sier in progressieve
milieus. Vooral het eksistentialisme en de zinloosheid van het
bestaan, de leegte van de kosmos en van de ziel, bepaalden het
landschap. De thema’s van Drouot liggen daarin ingebed. Wat
ontbrak was de ideologische gebondenheid. Sartres denkbeelden
gingen hand in hand met een star kommunisme, zijn bewondering
voor China (waar ook Bertrand Russell zich aan bezondigde) leidde
tot stugge stellingnames. (Later heel bleekjes overgedaan door
Harry Mulisch, die in gedurige aanbidding stond voor Cuba en
Castro).

In dat klimaat is L’Etreinte (foto) een bijzondere film. De
bevrijdingsfilosofie en -theologie (Vaticanum II was juist afgerond)
in een amorele wereld van vervreemding en leegte, zinloosheid en
lamlendigheid, trok zich op aan een afbraak van alle normen:
ideologisch, politiek, godsdienstig, zedelijk, seksueel, ekonomisch,
maatschappelijk. De politieke dimensie ontbreekt totaal bij Drouot,
maar de vrije liefde pour épater le bourgeois en de libertaire
gedachten waren al gemeengoed in het Frankrijk van de Revolutie.
Van Choderlos de Laclos tot Leo Taxil, van Sade tot Octave Mirbeau.
Wreedheid en sadomasochisme waren een uitweg voor wie alleen
nog sensatie overhield in het uitzichtloze bestaan. SM was
aangeleverd door Anne Desclos, die als Pauline Réage in 1954
Histoire d’O had geschreven om haar baas bij Gallimard te tonen
dat ook vrouwen erotiek konden schrijven.

Bij de première van L’Étreinte – De Omhelzing in Nederland – in het
Cameratheater van Utrecht, twee weken voor de provostad
Amsterdam ! – noemde het Algemeen Dagblad de film “Een
Belgische Histoire d’O”. De krant was best ingenomen met de
erotische film, want waar Réage van onderwerping een fetisj
maakt, “zo principieel serieus als haar Histoire wordt verteld, zo
opgewekt gehumeurd brengen Collet en Drouot de hunne. L’
Étreinte
zit barstensvol knipogen die met de erotische scènes de
kijker moeten duidelijk maken dat niemand precies weet wat
pornografie eigenlijk is”.
Begrippen verliezen al hun begrenzingen,
net als de sociale strukturen. De wereld wordt vloeibare leegte,
anything goes. Dat de regisseurs het oorspronkelijke verhaal
“parafraseren” is te zacht uitgedrukt. Ze kozen voor een andere titel
om auteursrechtelijke redenen. Maar de verwijzingen zijn
nadrukkelijk, de rijke lummel die Michel (Daniel Vigo) is, noemt zijn
slavin Giselle (de Antwerpse Nathalie Vernier) ‘Oe’ (leuk he, Histoire
d’Oe
), het boek van Réage staat ook ostentatief op een
boekenplank – bijzonder grappig of idioot is dat Leni (Laetitia Sorel,
foto), het bruine vriendinnetje van Michel, tijdens zijn afwezigheid in Hongkong, zoekt en blijft zoeken naar het forse boekwerk dat in
leer is ingebonden terwijl er amper twee schabben staan met
boeken.

Michel tiert voortdurend zoals Fransen doen wanneer ze
veronderstellen dat ze diepe emoties voorbrengen. Zijn
oppervlakkigheid wordt beklemtoond door zijn niet aflatende ijver
om sensaties te beleven, een Duracellkonijn op speed. Als hij
bestraffend denkt te kijken, zie je leeg gestaar. Hij overroept zich en
wordt ongewild een karikatuur. De karikatuur die Collet en Drouot
nodig hadden om de onderwerpingsdrift om te buigen tot strategie.
Zij rukken de verhoudingen uit met wortel en tak, want die zijn
gebonden aan kodes, afspraken dus, die Michel niet beheerst, niet
kan beheersen, omdat hij een onvolwassen, rotbedorven joenk
blijft. Te laf om te moorden, te dom om de begrenzingen van de
boksring te zien, te gretig om zich te manifesteren. De regisseurs
doen er alles aan om het realisme op te heffen, af te rekenen “met
de regels van de ‘realistische’ lectuur”.
En daar vergaloppeert de
recensent zich. “In de verbindingsfragmenten tussen twee scènes,
wanneer Giselle veel trappen loopt, wordt de ‘verfijnde
pornografie’ aangepakt; langzame camera, en dat herhaald, maken dat het is alsof men de paar noodzakelijke rustige maar o zo
vervelende pagina’s leest tussen twee hoofdstukken vol
uitspattingen”.
Het is net omgekeerd: de verveling zit in de aktie,
die geen aktie maar regel is. Het is op de statische, soms bevroren
momenten dat het discours van Collet en Drouot zich openbaart.

Giselle die ongenaakbaar en bewegingloos op bed ligt. Giselle die
hoog aan de wenteltrap blijft staan. Giselle met een pokerface,
meteen een spiegel die de andere personages en de kijker
voorgehouden wordt. Zij willen de leegte bezweren, terwijl de
verveling net in de bezigheid zit. De leegte willen vullen, met eigen
obsessies ongetwijfeld. Leegte is nochtans ruimte, een foedraal
voor bespiegeling. Leegte is ruimtelijk wat stilte in tijd is. Giselle die
weigert de deur te ontsluiten als Michel finaal instort en eigenlijk
toegeeft dat hij verlangt naar een rimpelloos burgerlijk bestaan, in
liefde en verbondenheid. Voor Michel is het boek Histoire d’O een
handleiding, een Baedeker zoals in If It’s Tuesday This Must Be
Belgium
. Voor Giselle is het amper een trapje naar haar volgende
stadium: de macht. Het dienstmeisje van het platteland heeft de
hollow man opengereten en de leegte gevonden en ingenomen.

Maar zoals het hoort komt berouw bij haar tegenspelers na de
domheid. In een kruciale scene wijst Giselle haar oom, een hoogst
fatsoenlijke farizeeër die haar wil “redden” uit het huis van ontucht,
maar haar al jaren besmuikt bespiedt, de deur. Na hem eerst
ontmaagd te hebben. Zijn lusten heeft opgeslokt en vernietigd,
want nu treedt de angst in, de angst om publiek te worden
afgemaakt als dat uitlekt. Daar zijn de rollen als magnetische polen
versprongen. Giselle heeft de macht over de leegte verworven.
Want elk spel is een machtsspel, is een gevecht, ook de politiek, ook
de ekonomie, ook de seksualiteit. Wie geheugenloos is als de engel
uit Barbarella heeft geen tegenstand meer – hij, of in dit geval zij,
de vrouw, beheerst door haar onthechting van zichzelf het
universum. De rest zijn woorden. Bedrieglijke konventies.

Nathalie Vernier heeft de kracht van de Medusa, rond haar
versteent de huis clos, die uitdeint tot de hele wereld. Het is
trouwens opvallend dat zij in amper zeven films meegespeeld heeft,
vrijwel altijd softporn, tussen 1969 en 1973. Haar ongegeneerdheid,
haar getrimde onbeschaamdheid deed me het meeste denken aan
de stoeipoezen in de korte fotoromannetjes van Le Professeur
Choron (Hara Kiri). Die vergelijking is niet gratuït. Want ook zij heeft
zich geleend voor een bijzonder zelfrelativerende satire, Klann –
Grand Guignol
(1970). De meest schaamteloze is evenwel Et Ma
Soeur ne Pense qu’à ça
(1970), die de Duitsers plomp vertaald
hebben als Die Pornoschwestern. Twee zussen, een slonzige deerne
en een verlamde rolstoelpatiënte, kunnen van een ekscentrieke
oom een omvangrijke erfenis krijgen als ze binnen de twee weken
hun maagdelijkheid opgeven. Voor de ene is dat geen probleem,
want al geperforeerd, voor de andere een dilemma, een soort
Doortje van F.C. De Kampioenen. Daar kom ik in een later nog wel eens
op terug. In elk geval deed Vernier genoeg ervaring op om art
director te worden bij het publiciteitsagentschap Havas.

L’Étreinte is een lange, te lange film om dat te bewijzen. Maar
tegelijk redupliceert die slow motion de lamlendigheid waaruit
verveling groeit, en dus wanhoop over het bestaan zelf. Wie
tegenover deze bewerking van Réage Just Jaeckin stelt (Histoire
d’O
, 1975), merkt meteen het kwaliteitsverschil. De Belgische film is
dan wel een popversie in de hippietijd (vandaar de rijke kleuren;
Giselles garderobe fungeert als “metafora estetica della sue
evoluzione morale e psicologica da sottomessa a potenziale
padrona”,
merkt darkglobe terecht op – in 2016), maar net die sfeer
laat Michel toe overdadig kleren te kopen. Of ontkleren. Een zinloze
bezigheid zoals de slaven aan een waterrad. Jaeckin is afgestofte
kitsj, niks meer. Een stoflaagje in een leegstaand huis. Waar Collet en
Drouot al de oplossing aanreiken, slaagt Jaeckin er niet eens in de
grondvragen te stellen. Fifty Shades of Grey is er een kloon van. Het
dichtst benadert nog de Amerikaanse regisseur Radley Metzger met
The Image (1975, foto onder), naar een boek van Cathérine
Rstakian (de vrouw van Alain Robbe-Grillet) uit 1956, L’image.

Ook Rstakian schreef onder een pennaam, Jean DeBerg. Maar
helaas had ze minder schrijftalent dan haar man. Wel de bekendste
dominatrix van Frankrijk. En dat is toch ook een stuiver waard. Ze
zouden het horen rinkelen bij het VAF. Als ze mijn tekst niet
kwijtspelen.

Lukas De Vos

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.