Hawaiaan Duke Kahanamoku eindelijk aanvaard als beste Olympische zwemmer

Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat de Amerikaan DUKE KAHANAMOKU op de Olympische Spelen in Antwerpen zijn wereldrecord 100 meter vrije slag op 1.00.4 bracht. De 30-jarige van Hawai afkomstige Kahanamoku wordt al iets beter aanvaard dan acht jaar eerder in Stockholm, waar de man die achter hem eindigde overal werd gehuldigd als ‘de snelste blanke zwemmer’. Racisme in de sport – en vooral dan nog op de Olympische Spelen – het was helaas geen alleenstaand geval…

“In het handvest van het IOC staat dat rassendiscriminatie niet aanvaard wordt,” aldus toenmalig IOC-voorzitter Jacques Rogge op het debat in Gentbrugge (zie op deze blog: debat over sport en politiek). Dat lijkt volkomen logisch, ware het niet dat één van zijn voorgangers, met name de Amerikaan Avery Brundage een plat staaltje van racisme heeft ten toon gespreid waar het zijn vroegere tegenstander op de atletiekpiste, de indiaan Jim Thorpe betreft…
Volgens Rudolf Steiner (1861-1925), de inspirator voor de zogenaamde Steinerscholen, is er een vergelijking mogelijk tussen de verschillende rassen en de ontwikkelingsfasen in een mensenleven. Zo is in zijn ogen het zwarte ras het equivalent van het kindzijn (*), het gele ras komt overeen met de adolescentie, de mens in zijn volwassenheid is “uiteraard” blank en de veroudering, “gedegenereerdheid” noemt hij het zelf, wordt gedragen door het rode ras. Op een andere plaats worden apen en indianen zelfs in één adem vernoemd…
Eén van die “gedegenereerden” was Jim Thorpe (1888-1953), in 1950 uitgeroepen tot de grootste atleet van de eerste helft van de twintigste eeuw. Thorpe beheerste immers alle disciplines van de atletiek en was verder een uitblinker in American football, baseball, ijshockey, roeien, zwemmen, tennis, ja zelfs in golf, bowling en biljarten. En ook in lacrosse, een ploegspel bij de indianen, want Thorpe was dus inderdaad een indiaan, wat hem duur te staan is gekomen…
Thorpe, in zijn glorieperiode 1,80m lang en 84kg zwaar, won in 1912 bij de Olympische Spelen in Stockholm de vijf- en de tienkamp. In de (niet langer bestaande) vijfkamp werd hij vier maal eerste. Enkel in het speerwerpen was hij “ondermaats” (vierde). Daarbij was hij ook nog eens vijfde in de individuele hoogspringwedstrijd en zevende in het verspringen.
In de tienkamp behaalde hij, gerekend volgens de later in gebruik genomen tabellen, 6.756 punten. Het zou hem 36 jaar later bij de Spelen in Londen nog een tweede plaats hebben opgeleverd. Bij de overhandiging van de medailles noemde koning Gustav V hem dan ook “de grootste atleet ter wereld”, waarop Thorpe spontaan antwoordde: “Oh, thanks, king!”, een anecdote die anno 1993 aan waarde heeft ingeboet, omdat Lance Armstrong, na het behalen van zijn wereldtitel wielrennen op de weg in Oslo, hetzelfde antwoord gaf aan koning Harald van Noorwegen.
Reeds enkele weken na zijn Zweedse triomfen moest Thorpe echter zijn geschenken ten belope van 50.000 dollar (een klein fortuin in die tijd) en zijn olympische medailles inleveren. Hij werd bovendien van de uitslagen- en recordlijsten geschrapt. En waarom? Omdat ene Roy Johnson, sportverslaggever van de “Worcester Telegram” in Massachusetts, had achterhaald dat Thorpe als student met een semiprofessioneel baseballgezelschap was opgetrokken en daar benevens verblijfskosten ook nog 60 dollar (ongeveer 3.000 fr.) maandelijks had verdiend. Andere olympische deelnemers hadden dat ook gedaan, maar Thorpe was zo naief of zo eerlijk geweest om onder zijn eigen naam deel te nemen. En vooral: hij was een indiaan en hij werd in hoofdzaak het slachtoffer van de racistische onverdraagzaamheid van één man…
AVERY BRUNDAGE
Die man was zijn landgenoot Avery Brundage, voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité van 1952 tot 1972. Pikant detail: Brundage was vijfde (dus eigenlijk zesde) geworden in de vijfkampwedstrijd die door Thorpe werd gewonnen.
Dat hij het was die het eerherstel tegenhield, wordt o.m. bewezen door het feit dat de Amerikaanse atletiekfederatie Thorpe in 1973 in ere herstelde, amper een jaar na het aftreden van Brundage (**). Maar het IOC durfde het zelfs niet aan om Thorpe eerherstel te gunnen, terwijl Brundage nog in leven was.
Brundage was nota bene ook diegene die er als voorzitter van het Amerikaans Olympisch Comité eigenhandig voor zorgde dat de Verenigde Staten de fameuze Spelen van Berlijn in 1936 niet zouden boycotten, al was een meerderheid ervoor te vinden om dat wél te doen. Om Hitler niet te ontstemmen zette Brundage coach Lawson Robertson van de Amerikaanse atletiekfederatie onder druk om in de 4x100m de joden Marty Glickman en Sam Stoller niet op te stellen naast Wykoff en Draper. Het ironische is nu dat in hun plaats de zwarten Metcalfe en Owens werden geselecteerd, waardoor Jesse Owens op die manier zijn vierde gouden medaille kon halen op de Spelen (na de 100 en 200 meter en het verspringen), wat de heer Hitler al evenzeer griefde. Ne mens kan toch nooit goed doen, nietwaar? (Jesse Owens klopte overigens de Nederlander Tinus Osendarp, die later lid zou worden van de SS.)
In 1986, toen Brundage al jaren dood was, mocht Glickman de afstand die hij normaal had moeten lopen in het Olympisch stadion eens afwandelen, waarna hij zich in een scheldcanonnade tot de loge richtte waar Hitler vijftig jaar eerder had gezeten en alles was alweer vergeven en vergeten.
Maar het meest opmerkelijk was de furieuze reactie van Brundage op de black panther-groet van Tommie Smith en John Carlos, resp.goud en brons op de 400m in Mexico ’68. De twee moesten hun medailles inleveren en werden levenslang geschorst. De andere zwarte atleten wilden zich solidair tonen, maar Jesse Owens werd ingezet om de gemoederen te bedaren. Voor Smith en Carlos was er echter geen genade mogelijk. Er deden de vreselijkste verhalen over hen de ronde. Dat ze in bittere armoede leefden, als clochard of ten hoogste bij de vuilniskar, maar op de begrafenis van de Australiër Peter Norman, die destijds zilver behaalde en zich solidair toonde met de twee rebellen door een mensenrechtenbadge te dragen, zagen ze er toch netjes uit. Het is op zich al merkwaardig dat zij in Australië werden uitgenodigd om de kist te helpen dragen. The times they are a-changing?
Toch is wat gebeurd is, typisch voor de Olympische beweging. Wordt immers ook de huidige voorzitter IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch er in het boek “The Lord of the Rings” door de auteurs Vyv Simson en Andrew Jennings niet van beschuldigd een fervente Franco-aanhanger te zijn geweest? Terwijl de omstreden voorzitter van de internationale atletiekfederatie Primo Nebiolo het dan weer meer zag zitten bij Mussolini. Rare jongens die IOC’ers… Niet te verwonderen dat het Nobelprijs-comité verontwaardigd reageerde omdat zij het internationale reclamebureau Grey Advertising hadden gecontacteerd om te lobbyen zodanig dat ze bij hun honderdjarige bestaan in 1994 de Nobelprijs voor de Vrede zouden toegekend krijgen. Reactie van Aud-Inger Aure, een Noors parlementslid voor de christendemocraten: “Het zou bespottelijk zijn de Nobelprijs voor de Vrede toe te kennen aan het IOC, een organisatie van zelfgekozen bonzen met een voormalige falangist als voorzitter.” Ook de Noorse skiloper Vegard Ulvang (drie gouden medailles in Albertville) zei: “Het IOC-beleid staat in veel opzichten haaks op het idee van de Nobelprijs voor de Vrede. Dat blijkt o.m. door het vraagstuk van de deelneming van Joegoslaven aan de Olympische Spelen in Barcelona. Dat men nu de Nobelprijs praktisch wil kopen, zegt in wezen alles over het IOC.”
CURIOSUM
Jim Thorpe was ook later nog vaak het slachtoffer van racisme toen hij noodgedwongen als profsporter aan de slag moest. Hij speelde bij een paar football- en baseball-teams, maar men vertelt dat hij ook daar vaak aan kant werd gelaten. Niets is echter minder waar. Vooral zijn football-carrière was zo indrukwekkend dat zijn beeld een vooraanstaande plaats kreeg in the American Football Hall of Fame in Canton, Ohio. Het is pas na afloop van zijn professionele carrière, toen hij al 42 was, dat hij een beetje pathetisch een eigen football-team ronselde dat uitsluitend uit indianen bestond en die in de pauze ook stammendansen uitvoerden en hun bekwaamheid met lasso en tomahawk ten toon spreidden.
Hij trad in navolging van zwemmer-Tarzan Johnny Weissmuller als curiosum ook op in een paar films (b.v. “She” uit 1935, maar ook die van zijn eigen leven, met in de hoofdrol Burt Lancaster), maar het succes bleef uit. Teleurgesteld trok Thorpe terug naar zijn reservaat, waar hij zijn indiaanse naam Wah Tho Huk (ook soms Wa Tho Huck geschreven) weer aannam (zijn Engelse naam had hij van zijn Ierse vader, een verkoper van whisky – en eender wat eigenlijk – aan de indianen). Van dan af kwam hij aan de kost als toeristische bezienswaardigheid in traditionele kledij.
Het was uiteraard niet te verwonderen dat de atleet deze afgang psychisch niet aankon en verslaafd raakte aan de drank. Hij overleed in 1953 in een woonwagen in Californië.
Zelfs een dode indiaan is echter nog geen goede indiaan, zo zou blijken. Toen zijn (derde) echtgenote immers zijn lijk liet ontgraven in de buurt van zijn geboorteplaats Shawnee in Oklahoma, om het (tegen betaling) te laten overbrengen naar Mauch Chunk, een verlaten mijnwerkersdorp in Pennsylvania, dat Jim Thorpe City werd herdoopt, in de hoop bezoekers te lokken, werd ook dat geen succes.
Toch bleef vooral zijn dochter naar eerherstel streven. Het zou echter nog tot oktober 1982 duren (wanneer de Olympische atleten dus al lang miljonairs waren), vooraleer men Jim Thorpe in zijn titels herstelde en de medailles opnieuw aan zijn familie overhandigde. Zij het dat hij zelfs dan nog “ex-aequo” werd geplaatst met de atleten die in zijn plaats de gouden medaille hadden gekregen. Het dient echter gezegd dat de begunstigden, met name de Zweed Hugo Wieslander en de Noor Ferdinand Bie, zo sportief waren van de medaille te weigeren. Toch werden ze “willens nillens” op de Olympische erelijst ingeschreven.
Ter gelegenheid van de Olympische Spelen in Los Angeles 1984 (toen Brundage dus reeds een tiental jaren was overleden), vond men dat het tijd was dat er alsnog iets zou gebeuren. Daarom mocht Jims kleinzoon Bill Thorpe als eerste het Olympisch vuur op Amerikaanse bodem dragen, samen met Gina Hemphill, de kleindochter van Jesse Owens.
Deze schamele eerbetuiging kan echter ten hoogste een schaamlapje voor het IOC zijn. Of zoals Joris Jacobs het terecht stelde bij de honderdste geboortedag (11 juni 1988): “Het tragisch wedervaren van Jim Thorpe is kenschetsend voor het patriarchale, autoritaire stelsel dat door de decennia heen, inzonderheid in het olympisch bereik, werd aangehouden.”
Op een minder dramatische manier kreeg deze onfrisse geschiedenis een heruitgave in Tokio 1964. De Sioux Billy Mills had omwille van zijn atletische capaciteiten een beurs voor de universiteit van Kansas gekregen, maar had daar ook met racisme van medestudenten en van zijn coach af te rekenen. Zijn doorzettingsvermogen leverde hem echter wel de gouden medaille op in de 10.000m. Zijn verhaal wordt verteld in de film “Running brave” van D.S.Everett uit 1983 met Robbie Benson in de hoofdrol. Er is natuurlijk ook weer een rol weggelegd voor Graham Greene en een paar andere indianen.
ZWARTEN SUPERIEUR?
Ondertussen zijn het niet meer de “native Americans” die de atletiek domineren, maar de “Afro-Americans”, zoals ze nu “politically correct” heten. Wat de spurtnummers betreft dan, want op de lange afstand zijn het dan weer Kenianen en Ethiopiërs die domineren. Stilaan groeide de overtuiging dat het zwarte ras, althans op dit vlak “superieur” was. Begin 1997 kwam antropoloog Jeroen Scheerder (KUL) echter tot de bevinding dat de individuele verschillen in atletische kwaliteiten veel groter zijn tussen zwarten onderling dan tussen het blanke en het zwarte ras in het algemeen. Zijn conclusie was dan ook dat het eerder sociaal-culturele factoren waren die tot het onderscheid hebben bijgedragen.
Denkend aan de “Flandriens”-theorie (het moeten knokken om toch ergens te geraken op de maatschappelijke ladder) zou men als “bewijs” van Scheerders stelling vooral het boksen kunnen aanhalen. Denk in dat verband aan het “politieke” duel tussen de Duitser Max Schmeling en de zwarte Amerikaan Joe Louis ten tijde van nazi-Duitsland, wat in 1938 evenveel ophef maakte als de overwinningen van Jesse Owens.
Minder geweten is dat in het gloriejaar van Owens, 1936 dus, deze twee reeds eerder samen in de ring hadden gestaan. En toen won Schmeling. Schmeling was namelijk wat men noemt “the thinking man’s boxer”. M.a.w. hij bestudeerde zijn tegenstander en zocht diens zwakke punt. Zo had hij gemerkt dat de “linkse directe” van Louis altijd erg laag vertrok, zodat zijn kin onbeschermd bleef. Hij oefende erop zo toe te slaan om met zijn rechter over Louis’ linker te gaan en zo recht naar zijn kin. En jawel hoor: bingo!
Maar twee jaar later was het Joe Louis die de omstandigheden in zijn voordeel liet spelen. Schmeling kwam immers langzaam op stoom en Joe Louis zorgde er deze keer voor dat hij het zo ver niet liet komen: van bij de aanvang overrompelde hij de Duitser met een bombardement van slagen.
Max Schmeling werd wel vooruitgeschoven door het nazi-regime als symbool voor het Arische ras, maar zelf was hij helemaal geen aanhanger van het nazisme. Integendeel zelfs, hij heeft zich later nog ingezet om het leven van verscheidene joden te redden.
Joe Louis van zijn kant werd door zijn rasgenoten oorspronkelijk van “Uncle Tomming” beschuldigd (om deze uitdrukking te begrijpen: zie op deze blog “Racisme in Hollywood”). Dat was echter eveneens ten onrechte, maar hiervoor moet men de geschiedenis van het boksen een beetje kennen. Het is namelijk zo dat tot 1908 de zwarten niet mochten vechten om de wereldtitel bij de zwaargewichten. In dat jaar was er echter Jack Johnson, die als eerste mocht meedoen en ook meteen de wereldtitel veroverde. Johnson was echter een stuk ongeregeld: hij was frequent dronken, scheurde volgens Humo rond “in opzichtige bolides” (al zal dat “scheuren” in 1908 nog wel meevallen, hij tufte misschien tegen dertig per uur door de straten) en, vooral, hij overtrad de wet door met blanke vrouwen te scharrelen. En meteen werd de “colour barrier” dus weer ingevoerd. Tot Joe Louis op de proppen kwam. Daarvoor diende hij wel als een “Uncle Tom” te worden opgevoerd door zijn manager, maar in zijn privéleven was Joe Louis wel even wild als Johnson. Het is zelfs zo dat hij in 1981 totaal berooid is gestorven, zodat niemand minder dan… Max Schmeling zijn uitvaart heeft bekostigd.
DANIEL AMOKACHI
Toen ik destijds de Nigeriaanse stervoetballer (toen nog amper een 17-jarige belofte) Daniel Amokachi ging interviewen, had ik ook een paar vraagjes voorbereid over tovenarij en bijgeloof in het Afrikaanse voetbal. Maar zoals hij daar zo voorbeeldig aan tafel zat met een groot kruis op zijn borst, leek hij mij daar niet de meest geschikte gesprekspartner voor. Ik zeg hem dat ook. Hij lachte zijn witte tanden bloot (om het nu ook eens met een cliché te zeggen): “Dat is inderdaad niks voor mij. Al zijn er zelfs in Nigeria wel witch-doctors actief in bepaalde ploegen, jawel. Ik kom echter uit een zeer religieuze familie uit het noorden van het land. Ik ben een christen, maar ik ben opgevoed in een moslimgebied en ook moslims zijn natuurlijk streng religieus. Mijn vader was een uiterst strenge militair, maar dat kwam dat van pas, want tot mijn vijftiende was ik nogal een lastpost voor mijn vijf zusters en mijn ene broer.” Op mijn blikken van ongeloof lacht hij: “Jaja, ik was een opvliegend baasje.” Maar dan gaat hij verder: “Nee, dergelijke praktijken komen vooral voor in landen als Zaïre of Senegal. Toen dit land in de Afrikaanse beker tegen Algerije moest spelen b.v. dan riep de keeper de hulp van witchcraft in. Maar dat stelt niks voor.”
Dat is zoals Jean-Marie Pfaff die altijd hetzelfde broekje draagt of met de rechtervoet het veld op wil, lach ik.
Jean-Marie Pfaff? Consternatie. Allé, ge gaat me nu toch niet vertellen dat ge Jean-Marie Pfaff niet kent zeker? Ah, die Jean-Marie Pfaff! Natuurlijk kent Amokachi Jean-Marie Pfaff. Kom zeg, wie zou er nu Jean-Marie Pfaff niet kennen? Dat is zelfs in de binnenlanden van Afrika een begrip.
In 1994 werd Amokachi getransfereerd naar Everton, waar hij meteen razend populair werd. Zo werd hij b.v. door het Labour-bewind gebruikt op een affiche-campagne tegen de werkloosheid (“There are still some strikers left in Liverpool”). De Amokachi van Liverpool was overigens niet meer te vergelijken met die van Brugge. Hij reed toen rond met een Porsche en droeg alleen maar pakken van Versace en schoenen van Paciotti. Hij is in 1995 trouwens gehuwd met het Tunesische fotomodel Nedia Mejri, die hem prompt een tweeling “schonk”. Op het einde van het seizoen kwam er echter onenigheid (met Everton bedoel ik) en vanaf het seizoen 96-97 kwam Daniel dan ook uit voor het Turkse Besiktas.
Jean-Marie Pfaff achterna? Meer nog, in een interview van Jan Antonissen in Humo van 23/6/1998, zei Amokachi zelfs dat hij in de toekomst presidentskandidaat wil zijn. Akkoord, dat het hem een beetje in de mond wordt gelegd op een moment dat president Abacha (overigens een vriend van Amokachi, via diens oom, die zijn lijfwacht was) is overleden, maar toch vraag ik me af of dit wel dezelfde Amokachi is die ik heb gesproken. Een voorbeeld: “Ik speel geen voetbal om Ronaldo te worden, godbeware me, neen, ik wil geld, veel geld, en leven in de wereld waarin ik wil leven.” Daarmee bedoelt hij de VS. Hij is trouwens al aan het oefenen: “I’m a crazymotherfuckingkindaplayer.”
Het gaat zelfs zo ver dat voetbalscout Bart De Bruyne in de Gazet van Antwerpen van 21/12/1998 een verband legt met de Nigeriaanse economische vluchtelingen naar ons land (denk aan de dood van de 20-jarige Semira Adamu door het kussentje van de rijkswacht op 22/9/1998): “Het is moeilijk om Afrikanen uit te leggen dat ze in België moeten rond komen met 50.000 frank per maand (sic, RDS) terwijl Daniel Amokachi in de plaatselijke blaadjes pronkt met tien limousines.”
POLITICAL CORRECTNESS
Als die “Flandrien”-theorie dus klopt, dan zou het binnenkort bergaf moeten beginnen gaan met die zwarte suprematie. Maar volgens Gilbert Roox in Het Nieuwsblad van 25/8/2000 is deze opvatting enkel te wijten aan “political correctness”: “Sinds de nazi’s is praten over aangeboren verschillen tussen rassen een wetenschappelijk taboe. Zelfs als het over de atletische superioriteit van zwarten gaat. ‘Want daarmee wordt geïnsinueerd dat zwarten dichter bij de dieren staan dan de rest van de mensheid,’ zegt Harry Edwards, de Amerikaanse sociologieprofessor die het Black Power-protest op de Spelen van 1968 organiseerde.”
En over de “Flandrien”-theorie gaat hij verder: “Het verhaal snijdt hout, maar verklaart beslist niet alles. Want als honger en kansloosheid in de sport de doorslag geven, waarom staan er dan niet meer Oost-Europese sporters aan de top? Bovendien zijn lang niet alle zwarte sterren het product van het getto. Carl Lewis en Michael Jordan zijn kinderen uit de middenklasse. En olympisch 100-meterkampioen Donovan Bailey toerde in een vroeger leven als beursyup in een Porsche rond.”
Het artikel van Roox is duidelijk een reflectie bij een artikel dat de Amerikaan Jon Entine publiceerde. Daarin komt hij tot de conclusie dat zwarten meer spiermassa bezitten, langere benen hebben dan blanken en een lager percentage lichaamsvet. Ze hebben ook meer testosteron in hun bloed, wat hogere prestatiepieken en een sneller herstel na de inspanning mogelijk maakt. Allemaal kenmerken die een goudmijn zijn voor prestaties in explosieve, anaërobe sporten zoals voetbal (denk aan de Brazilianen!), basketbal en de korte loopnummers.
In andere sporten betekenen deze kenmerken dan juist weer een handicap, aldus Entine. Door hun zwaardere geraamte zwemmen Afrikanen als bakstenen (er is slechts één zwarte Olympische winnaar in het zwemmen). “En in het wielrennen doen zwarten al helemaal niet mee, omdat het bij uitstek een uithoudingssport is,” voegt ongetwijfeld Roox zelf eraan toe, want Entine zal zich daarmee wel niet bezig houden. Toegegeven, de enige bekende zwarte wielrenners (de Amerikanen Major Taylor en Nelson Vails) zijn sprinters, maar wat doet hij anderzijds met de dominantie van de zwarten in de marathon en andere loopnummers over een lange afstand? Entine zelf spreekt daar wel over: “Omdat daar training meer verschil maakt. Uithouding is maar voor een kwart overgeërfd. Van 800 meter tot de marathon zullen er dus altijd blanke lopers zijn die kunnen meedingen met de besten. Maar de wereldtop zal Afrikaans blijven.”
Bij de vrouwen zijn de verschillen minder opvallend, maar dat heeft natuurlijk te maken met de ondergeschikte positie van de Afrikaanse vrouw en het taboe dat op vrouwelijke sportbeoefening rust (zie elders op deze blog). Angela Davis stelt trouwens onomwonden: “Een straatarme zwarte vrouw heeft volgens mij veel meer gemeen met een straatarme blanke vrouw dan met een rijke zwarte vrouw.”
INTEGRATIE
Maceo Parker wijst in Humo van 8/4/2003 op het feit dat muziek in niet geringe mate heeft bijgedragen tot het afschaffen van de segregatie in de VS. Dat lijkt ook logisch dat hij dit verklaart, aangezien hij de zwarte saxofonist is van o.a. James Brown. Daarom is het echter des te opvallender dat hij als een nog belangrijker factor de sport noemt!
Het hangt er echter wel van af hoe men het bekijkt. In het seizoen 96-97 waren 79% van spelers in de NBA (de Amerikaanse National Basketball Association) zwart, maar slechts 24% van de coaches of de managers was zwart. In het Amerikaans voetbal (de National Football League) lagen de verhoudingen ongeveer gelijk: twee derde van de spelers zijn zwart, maar slechts één coach op tien. De baseball-competitie daarentegen mag dan nog vooral blank zijn, toch zwaaien hier ook al 25% Latino’s de plak (of de bat). Maar ook hier stelt men vast dat slechts 4% van hen het na de actieve loopbaan tot coach brengt…
Wat de zwarte Amerikanen betreft, was er in de jaren vijftig ook een incident rond het “overlopen” van Jackie Robinson. Deze baseball-speler was de eerste zwarte die in een blank team mocht spelen (***). De zwarte gemeenschap was trots op hem en het was dan ook een zware slag toen hij zich openlijk aan de zijde van Richard Nixon schaarde, toen die het opnam tegen John Kennedy. Daarop werd zanger Harry Belafonte door de Kennedy-clan aangezocht als tegengewicht. Deze aanvaardde pas nadat er ook politieke hervormingen zouden aan vastzitten.
In Frankrijk wordt de minister van sport de jongste jaren steeds gezocht in het milieu van de atletiek. Bij de socialisten was dat de kleurling Roger Bambuck. Toen nadien de reactionair Chirac aan het bewind kwam, werd hij vervangen door Guy Drut.
In België zat Bruno Brokken voor het Vlaams Blok in de Hoge Raad voor de Sport; toen hij om beroepsredenen in 1994 wenste te worden vervangen, schoof het Blok zijn collega Desruelles naar voren, maar die werd door minister Weckx geweigerd omdat hij “een bekend promotor en gebruiker van doping” is. In 1995 nam Brokken ook ontslag als vertegenwoordiger van het Blok in de Raad van Bestuur van BLOSO. Hij nam tevens ontslag uit de sportcel van het Blok omdat hij vond dat de federalisering de sport niet ten goede is gekomen. Het BLOSO (geleid door Carla Galle nota bene) houdt zich volgens Brokken teveel met topsport bezig, iets wat ze beter zouden overlaten aan het BOIC, een kritiek die men overigens ook bij de CD&V hoort, die het geld liever naar de “basis” ziet gaan, aangezien die toch vooral katholiek is. Anderzijds is de SP.A ook niet bepaald een toonbeeld, als men b.v. de verplichting van minister Vande Lanotte als maatstaf neemt om bij de interland België-Turkije eind augustus 1996 ook tot Belg genaturaliseerde Turken te dwingen in het vak van de Turkse supporters plaats te nemen.
HOOLIGANISME
Bij onderzoeken over hooliganisme, bleek nochtans dat daar opvallend weinig vreemdelingen bij betrokken waren. Fancoach Lieve Bogaert van A.A.Gent: “Ik denk niet dat dit iets te maken heeft met latent of openlijk racisme dat aan bepaalde sides wordt toegeschreven, want degene die er dan wél bij betrokken zijn, die zijn dan ook heel goed in de groep opgenomen. Van rechtse ideeën heb ik overigens nog weinig gemerkt. Er lopen wel een paar skinheads bij, maar in het dagelijkse leven kom je die ook wel eens tegen, dus waarom dààr niet?”
Vooral in Nederland wordt toch ook vaak verwezen naar racistische uitlatingen aan het adres van de spelers?
Lieve: “Dat gebeurt hier ook. Het nabootsen van een aap b.v. Maar ik zou dat toch geen puur racisme willen noemen, want het gaat dan enkel over kleurlingen van de tegenpartij. De Zaïrees Balenga b.v. wordt door de A.A.Gent-supporters op handen gedragen. Dat is trouwens de enige speler die even contact met hen heeft gehad. En Vlaamse spelers van de tegenpartij worden ook uitgescholden, hé.”
Amokachi: “Als we op verplaatsing spelen doen ze dat in mijn geval ook, maar als ik goed speel, staan diezelfde mensen te applaudisseren. Ik denk dus dat ze dat niet doen uit racisme, maar om je uit je concentratie te halen.”

Ter gelegenheid van de match Nederland-België van 6/9/97 nam Ludo Vandewalle in Het Laatste Nieuws een interview af van Molukker Simon Tahamata (op dat moment reeds enkele jaren Belg) o.m. over het racisme. “Bij Oranje lijkt een probleem tussen blank en gekleurd te bestaan,” stelt Vandewalle. “Een groep rond de broertjes De Boer tegenover een groep rond Seedorf, Kluivert, Reiziger…”
“Het probleem werd overgenomen van Ajax
,” weet Tahamata. “Daar ontstond de wrijving omdat de winstpremies niet voor iedereen gelijk waren. De gekleurde jongens voelden zich tekort gedaan. Bij het Nederlands elftal verdient iedereen evenveel. Daar mógen geen wrijvingen zijn.” (Tussen haakjes: alle Nederlandse spelers stonden een deel van hun winstpremie voor een totaal van twee miljoen af aan Jean-Marie Bosman, die door het fameuze arrest naar hem genoemd de voetbalmarkt had opengegooid, maar nu door de BVB wordt geboycot; de BVB noemde het gebaar van de Nederlanders trouwens “een maneuver”.)
“Het sterkste Nederlands elftal kan niet uitsluitend uit blanken of uitsluitend uit kleurlingen bestaan
,” gaat Tahamata verder. “Ik kan niet begrijpen dat één groepje zegt dat zij Nederland pakweg Europees kampioen zullen maken. Stel je voor dat ze Surinaams praten onder elkaar…”
“Dat zou gebeurd zijn,”
weet Vandewalle.
Dat heb ik gehoord, ja,” antwoordt Tahamata. “Dat is fout. Indien je zoals op het EK drie weken samen bent, kan het niet dat je Surinaams begint te praten. Je moet een groep vormen en de taal is een belangrijk bindmiddel. Dat probleem moet zo snel mogelijk uit de wereld, maar ik begrijp, het is een heel delicate kwestie. Bondscoach (Guus) Hiddink loopt op eieren.”

Ronny De Schepper

(*) Daarom waarschuwde Steiner blanke zwangere vrouwen dat ze mulattenkinderen zouden krijgen als ze “negerromans” lazen. Bij zwarten overheersen immers de “lagere (seksuele) driften” blijkbaar zo sterk dat ze ook via lectuur operationeel zouden zijn!
(**) Men dient wel toe te geven dat Avery Brundage ook in andere gevallen de amateurstatus tot het uiterste wilde vrijwaren. Daarom was hij het ook die rond 1967 eiste dat de internationale wielerunie, de UCI, in twee takken werd gesplitst, de FICP en de FIAC, een splitsing die pas onder Hein Verbruggen in 1992 werd ongedaan gemaakt.
(***) Alleen voor baseball of voor alle sporten?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.