“Een fototoestel heeft slechts een vijftigste van een seconde nodig om de werkelijkheid tot in een rimpel vast te leggen, en de techniek – hoe cybernetisch ook – zal wel nooit meer dan een arme poging zijn om het wonder van onze bezintuiging en vooral onze bezieling na te bootsen.” Aldus Johan Daisne in zijn roman ‘Bazatzeartea’ (1962). Dat mag dan wel waar zijn maar ik ben mijn ganse leven fan geweest van foto’s.

Niet van het zelf fotograferen, laten we wel wezen. Hoewel we ooit alles in huis hadden om een bescheiden fotolaboratorium in te richten, vergroter, chemische ingrediënten, tot rode lampen toe – nooit gebruikt. Mijn eega hoopte er ooit een hobby in te vinden; niet dus. En ik? Zelf fotograferen bleef een wensdroom. Beperkt tot enkele kiekjes telkens we op reis gingen. Niet de typische toeristische plaatjes waarop wij zelf fungeerden tegen een panoramisch vergezicht of een miljoen malen geportretteerd bouwwerk of antiek object of folkloristisch gebeuren. Ons vind je niet terug terwijl we de toren van Pisa trachten te behoeden voor de fatale val, dergelijke frivoliteiten waren niet aan ons besteed. Een zonsondergang, of opkomst (het verschil zelden merkbaar op onze kiekjes), heel veel meeuwen, rotsen waar het water omheen klotst, en voor de buitenstaander onbegrijpelijke dingen omdat ze voor ons dan toch een link vormden met de reis of met wat dan ook.

Soms, helaas, ging die link inmiddels ook voor ons in de plooien van de tijd en van de ouderdom verloren en breken we ons nu het hoofd waarom we in hemelsnaam dat toilet in Spanje op de gevoelige plaat vereeuwigd hebben; misschien een geluk dat we het niet meer weten. U begrijpt het – het merendeel van onze pogingen ging de richting van het artistieke uit. Met pover, zeer pover resultaat. Edoch wij waren tevreden, een eenzame meeuw op een staak, wat mos op een rots, een flits uit een vuurtoren… het was voldoende om ons hart ietsje sneller te laten kloppen.

Slechts één keer mocht ik een werkelijk quasi professionele foto klikken. Onder de hoede van een gepassioneerd liefhebber; hij zorgde voor belichting, kadrering, en ik nam een vriendin in het vizier… Het resultaat van die eenmalige klik bezit ik nog. Terwijl, schaamtelijk, ik enkele jaren studeerde aan het RITCS en daar o.m. ook de basisprincipes van de edele kunst onderwezen kreeg. Maar het was de opleiding toneel, gevolg: in de praktijk kreeg ik daar geen camera in handen, het bleef bij blabla. En bij kijken… waaraan ik een liefde voor de foto overhield. Gebiologeerd door drie namen. Hen zou ik even willen belichten.
Wie waren de drie die in de voetsporen van de pioniers van de fotografie, Niepce en Daguerre, de uitvinders, traden? Zij die mij biologeren. Nadar, Man Ray en Sander. Laat ik eerst de spots richten op de vreemdste figuur van het drietal, Félix Tournachon, geboren te Parijs op 5 april 1820 en er overleden op 20 maart 1910. Zijn naam Nadar dankte hij aan de rage, rond 1840, waarbij in de artistieke milieus waarin hij verkeerde (met zijn vrienden Baudelaire en Gérard de Nerval) aan substantieven het achtervoegsel ‘dor’ werd toegevoegd: zo werd zijn gedeeltelijke naam ‘nachon’ nogal bizar Nador.

Een complexe persoon die zelfs in ons land tot heden zeer tastbare sporen zou nalaten. Fotograaf, maar ook schrijver, ballonvaarder en cartoonist. Dat laatste leverde o.m. een beroemde karikatuur van dichter/zanger Béranger op. Zijn literaire werken namen niet zo’n heel grote vlucht in tegenstelling tot zijn ballons hoewel een roman als ‘La robe de Déjanire’, verwijzend naar de Griekse mythologie, en ‘Le miroir aux alouettes’ toch gesmaakt werden door de incrowd. Memoires bundelde hij in ‘A terre et en l’air’, terwijl hij ook pamfletten schreef als ‘Le droit au vol’ over zijn grote passie, de ballonvaart. Zijn meest bekende, en vaak herdrukte werk, is ‘Quand j’étais photographe’, een serie herinneringen aan, en portretten van, tijdgenoten.

Literatuur… in 1840 was hij zelfs hoofdredacteur van het tijdschrift ‘Le livre d’or’ waaraan Balzac, Alexandre Dumas en Gérard de Nerval meewerkten. Schrijven… kende zijn literaire loopbaan uiteindelijk geen hoge vlucht, dat werd voldoende gecompenseerd door zijn beroep enerzijds, maar ook door zijn passie, de ballon die hem bekend en populair maakte bij het volk. “Lorsque je sentis que je fuyais la terre, ce n’était pas du plaisir, c’était du bonheur” schrijft hij. Het is op deze wijze dat hij een afdruk liet in België. Toen hij op 26 september 1864 te Brussel aan de Botanique opsteeg, verzamelde daar zo’n massa die een te gevaarlijk gedrang veroorzaakte, dat hij ter bescherming dranghekken liet plaatsen – die prompt de naam ‘nadar’ kregen, en behielden…

Hij was het ook die zich inzette om uit te knobbelen hoe een ballon bestuurbaar kon gemaakt worden, en daar ook in slaagde. Meteen combineerde hij de ballon en zijn werk in de luchtfotografie; dit bleek interessant voor de militairen én voor het meer vredelievende kadaster. Tijdens de oorlog, 1870, lanceert hij bovendien met ballonnen een luchtpost onder de naam Neptune die brieven bezorgt aan en van soldaten aan het front.

Een bezige bij deze Félix maar wat heeft hij vooral nagelaten dat zo fascinerend en mooi is: foto’s. Portretten vooral. Die hij eerst – bescheiden begonnen – maakte in zijn mansarde, rue Saint Lazare 113, maar rianter verhuisde in 1860 naar een studio aan de Boulevard des Capucines 35. Wie defileerden niet allemaal voor zijn lens… Talrijk zijn de portretten van Sarah Bernhardt, een gewillig model wier beeltenis, als dame maar ook vaak in één van haar beroemde rollen, gretig gekocht werden door bewonderaars. Zij straalt persoonlijkheid uit op het ene, drama op het andere: intrigerend is o.m. de opname van haar ‘Theodora’ in het gelijknamige toneelstuk van Victorien Sardou – karakter en passie in een momentopname, hoe actrice en fotograaf hier samenwerkten.

Nadar bevond zich in het brandpunt van het artistieke Parijs, bij uitbreiding van het ganse kunstminnende Frankrijk – en dat vertolkt zich in de reeks portretten die hij naliet. Hoeveel schrijvers defileerden niet in zijn atelier om hun gelaatstrekken te laten vereeuwigen. Baudelaire, Alexandre Dumas, de dichter Stéphane Mallarmé, Georges Sand, Jules Verne met wie hij ongetwijfeld over fantastische luchtreizen fantaseerde, en Emile Zola. Honoré de Balzac stond huiverig tegenover de fotografie: ieder ‘lichaam’ op deze wereld, al wat stoffelijk is, bestaat volgens hem uit diverse ‘spectres’, lagen – en een foto zou telkens met zo’n spectre aan de haal gaan!

Ook de auteur Théophile Gautier beweerde dat een foto niet enkel het uiterlijk maar ook de ziel van de geportretteerde blootlegde. Daarin kon hij misschien gelijk hebben hoewel niet in de zin die hij initieel bedoelde: Nadar trachtte inderdaad met zijn foto’s te peilen naar het wezen van de persoon, hij toont wat schuilt in het innerlijk, tracht zijn model te bewegen om zich bloot te geven, alle pose te laten varen. Dat wou hij ook tot uiting brengen in zijn grote project ‘Panthéon Nadar’ waar hij duizend foto’s van kunstenaars uit alle disciplines wilde samenbrengen: “en conservant à chacun l’imméconnaissable ressemblance physique des traits, l’allure personnelle – et le caractère, c’est à dire la ressemblance morale, intellectuelle.”

Magie, spiritisme… Balzac, Gautier en ook Gérard de Nerval stonden oorspronkelijk weigerachtig tegenover het medium – al was de auteur van ‘La comédie humaine’ dan toch dol op beelden die geschoten waren door Daguerre (!) – maar uiteindelijk doken ze toch op voor de lens van de meester en kunnen we hun gelaatstrekken bewonderen. Ook musici dienden zich aan, Claude Debussy, Hector Berlioz, Franz Liszt, Charles Gounod, Offenbach… En zelfs beeldend kunstenaars bleken bereid penseel, verf, of steen en beitel eventjes te verloochenen en zich over te leveren aan iets dat in één flits de realiteit op papier zou overbrengen. Edouard Manet, Claude Monet, Eugène Delacroix, Gustave Doré, Auguste Rodin.

Ook politici haalde Nadar zijn atelier binnen, maar het dienden wel buitenbeentjes te zijn: de progressieve Clemenceau, ‘le tigre’, en de Russische anarchist Peter Kropotkin die in Frankrijk in de gevangenis belandde. Hij aarzelde trouwens niet om zelf zijn nek uit te steken, zo smokkelde hij na een bezoek aan Victor Hugo die in 1862 te Brussel in ballingschap verbleef, diens manuscript ‘Napoléon le petit’ en veertig exemplaren van het boek ‘Châtiments’ mee naar Frankrijk.

Hij bezocht onze hoofdstad wel vaker, o.m. met zijn goede vriend Félicien Rops die van hem een – heel vriendschappelijke maar treffende – karikatuur tekende. Rops stond in 1874 zelf aan de wieg van de ‘Association Belge de Photographie’. Nadar beperkte zijn activiteiten niet tot binnenshuis of tot zijn ballonmand. Hij ging ook de hort op. Getuige hiervan indringende foto’s als b.v. een meisje met een schaap, of eentje waar twee bejaarde mannen aan een tafeltje discussiëren – een unieke momentopname. En bijzonder de prent waar een moeder haar baby de borst geeft, onthullend en teder. 
Bovendien zijn er ook de reportages gebleven. Nadar bezocht de Parijse onderwereld, letterlijk: de catacomben en de riolen. In die tijd werden vier maal per jaar rondleidingen georganiseerd doorheen de catacomben onder de Franse hoofdstad, bereikbaar via zestig ingangen. Met een gevarieerde groep geïnteresseerden daalde Nadar de negentig treden af op zoek naar de zes à zeven miljoen skeletten die daar al eeuwenlang opgeslagen werden. Sedert de Romeinse periode, de Normandiërs: ontruimde kerkhoven, ontmantelde kerken, alle rangen en standen, politieke opvattingen, religieuze gezindten, alles kriskras door elkaar… Hoe zou iedereen zichzelf nog ooit terugvinden in deze vaak op een hoop gegooide knekelhoop, kilometerslang, bij het Laatste Oordeel mocht dat ooit werkelijk komen, opperde Nadar? Hij leest her en der de opschriften: bijbelverzen, poëtische zinnen, spreuken. Soms stuit hij op een aanduiding die verwijst naar de herkomst van de gebeenten, de plaats van opruiming. Dan wordt hij geconfronteerd met een grafsteen ‘Tombeau de Gilbert’, maar waar in hemelsnaam bevinden zich tussen deze duizenden de beenderen van die Gilbert… Dan is er plots een altaar… kan hier een eredienst gelezen worden voor, ja voor welke gezindte, ze zijn talloos en onherkenbaar en anoniem stelt hij.

Later zoekt hij die andere minder macabere onderwereld op, de riolen. Een verkenningstocht in een wagentje, door het stinkend afvalwater van de stad – het levert heel wat, soms humoristische, bedenkingen op. Ook kritische: over vervuiling, voedselverspilling, ‘de mens vernietigt zichzelf’ schrijft hij. Hij klaagt aan hoe goederen die men moeizaam van de andere kant van de wereld laat komen onachtzaam behandeld worden, ze spoelen hem in de riolen voorbij. Een kritische geest – in een andere tekst zal hij zo ook zijn bedenkingen uiten over het gevangenissysteem – niet de schuldvraag lijkt hem essentieel, wel in hoeverre een persoon nog een gevaar is voor de maatschappij, hoe hij kan gerehabiliteerd worden. Hij gaat in de ondergrond aan het werk en toont de buitenwereld de eerste foto’s van dit lugubere oord.

Dan is er de riolering van Parijs, hier zet hij een project op stapel dat hem drie maanden ononderbroken werk en heel wat hoofdbrekens kost: fotograferen in volslagen duisternis met behulp van magnesium en nog primitieve elektriciteit in een beperkte ruimte. Bovendien wil hij, om een beeld te geven van de afmetingen, een menselijke figuur in beeld brengen – maar het nemen van een foto in die omstandigheden duurt achttien minuten, te lang om iemand roerloos een pose te laten aannemen, dus behelpt hij zich met poppen… Het werden beklijvende, hallucinerende, sfeervolle meesterwerkjes, verbluffend hoe hij dit met nog primitieve middelen verwezenlijkte – technisch én artistiek!

Tenslotte zal hij de frisse Parijse lucht weer inademen in het bezit van honderd foto’s die hem nog beroemder maken. Al is ‘beroemd’ en ‘bekend’ relatief want we lezen bij hem ook hoezeer er al vlug een felle concurrentiestrijd ontstaan is tussen fotografen. Overal duiken kleine ateliers en winkeltjes op, het zich laten ‘portretteren’ wordt populair bij de burger. Sommige fotografen blijken uitstekende handelaars, weten zich via reclame te profileren of het toeval kan een rol spelen: indien een hooggeplaatst persoon zich laat fotograferen in een atelier dan zit de portrettentrekker gebeiteld. Anderen experimenteren, velen kunnen er tenslotte nauwelijks van leven… Nadar schetst dit segment van het leven gedetailleerd, van binnenuit, gelardeerd met anekdotes, soms humoristisch: een boeiend relaas is te vinden in ‘Quand j’étais photographe’. Waar we ook een stuk aantreffen over zijn wederwaardigheden met zijn cliënteel, hilarische scènes, maar waaruit blijkt dat hij een te eerlijk man was en een slecht koopman – rijk is hij nooit geworden, passioneel wel, boeiend ook. En vooral: hij liet ons een massa prachtige foto’s na van cultureel en sociaal Frankrijk.
Man Ray, “Je ne photographie pas la nature, je photographie mon imagination”, °Philadelphia 27.8.1890 – Parijs 18.11.1976, geboren als Emmanuel Rudnitzky zal hij in 1912 de naam Man Ray adopteren. Inmiddels studeerde hij architectuur, tekenen, schilderkunst aan diverse instituten te New York. En fotografeert zijn werken… In 1914 huwt hij de Belgische dichteres Adon Lacroix om het volgend jaar Marcel Duchamp te ontmoeten. De Franse kunstenaar wilde een “art sec” creëren, “dont le dessin mécanique est le meilleur exemple”. Dat vond hij terug in een aantal foto’ van Man Ray die hij een plaats reserveerde in het ‘Salon Dada’ van 1920 te Parijs. Een jaar later, op 22 juli, zou hij Man Ray verwelkomen op het station Saint-Lazare waar deze kennis maakte met André Breton, Paul Eluard, Aragon, Philippe Soupault. Met aan zijn zijde nu Alice Prin, de befaamde Kiki de Montparnasse (1901-1953), zangeres, actrice, auteur van memoires, die tevens zijn lievelingsmodel zou worden en garant zou staan voor talrijke prachtige naaktfoto’s, is Man Ray snel gelanceerd in de Franse hoofdstad. Enerzijds binnen de kring van dadaïsten en surrealisten, anderzijds – hij kende uit New York het klappen van de zweep – ook in de modewereld en de high society: hij is een tijdlang een gewild en goed betaald mode- en portretfotograaf. Zijn wereld blijft echter deze van de kunst, hij ontmoet dichteres Gertrude Stein (“Rose is a rose is a rose is a rose”), Picasso, Cocteau, Georges Bracque. Vooral: hij experimenteert en plaatst zich op de kaart van de fotografie met twee vindingen. De rayographie: hiermee fotografeert hij zonder toestel, “For me there’s no difference between dream and reality. I never know if what I’m doing is done when I’m dreaming or when I’m awake” schrijft hij, en noemt het een avontuur, geen experiment.

De criticus Emmanuelle de l’Ecotais formuleerde wat hiertoe nodig was: “Inspiration, imagination et réflexion”. Hiermee gaf hij inderdaad aan banale voorwerpen een andere betekenis, hij maakt hen los van waartoe ze oorspronkelijk bedoeld waren, transponeert hen naar een andere realiteit, een andere dimensie. Alles kan in aanmerking komen: bloemen, gebruiksvoorwerpen als keukengerei, geometrische figuren… Dit is poëzie in beeld, een spel van licht en schaduw. Daarnaast gebruikt hij, wellicht als eerste, de techniek van de solorisatie (hoewel dit procedé spelenderwijs reeds gehanteerd werd her en der maar niet als definitief in de fotografie toegepast): hij maakt licht op het ogenblik van het ontwikkelen zodat een soort materialisering ontstaat op het papier, een aura – wat uiteraard niks te maken heeft met spiritisme. Met deze twee genres, rayographie of photogramme, en solorisatie, werd Man Ray opgenomen in de kringen van Dada en van het surrealisme. Hijzelf nam daarvan afstand en bleek wars van de terminologie.  
Beroemd zijn de vele foto’s van vrouwen, veelal naakt. Favoriet model is als genoemd Kiki. André Breton schrijft dat de dames zich evenwel geen illusies moeten maken, het is Man Ray niet om henzelf te doen – een lichtglans op hun parels, een schaduw, dat interesseert de fotograaf, hoewel? Ze zijn een voorwerp voor hem. Man Ray verhaalt de anekdote waarbij iemand informeert naar de dame die model stond voor een naaktfoto – hij bracht de man naar zijn atelier en toonde hem een plaasteren kopie van de Venus van Milo… Toch blijken veel van deze prenten een uitdagend karakter te bezitten. Zo is er o.m. de reeks ‘Blanc et noir’ uit 1929, die een vrouw toont, deels omhuld in zwarte banden – wat sm suggereert zonder het te zijn. En de reeks, een aantal scènes, getiteld ‘Mr. and Mrs. Woodman’ (1947): twee houten popjes die in weinig aan de verbeelding overlatende erotische scènes gefotografeerd werden.

Hoe evolueerde de tijdlijn inmiddels: in 1924 publiceerde het tijdschrift ‘Littérature’ de inmiddels allicht bekendste foto van de meester: ‘Le violon d’Ingres’. Daar zien we de naakte Kiki ruggelings, zittend – met op haar rug twee zwarte tekeningen die een viool suggereren. De viool, na het schilderen de tweede passie van Ingres – zoals vrouwen voor Man Ray de tweede passie waren na de fotografie; bovendien is de beeltenis van Kiki hier net zoals deze van de vrouwen op twee werken van Ingres, ‘La Baigneuse’ en ‘Le Bain Turc’… een speels idee!

Was Kiki een vast model, dan werd vanaf 1929 de fotografe Lee Miller (1907-1977) de trouwe compagne van Man Ray. Het was met haar, als model en muze, en geliefde, dat hij de solorisatie ontwikkelde. Publiceerde hij in 1934 een boek met 105 foto’s, een jaar later verscheen de dichtbundel ‘Facile’ van Paul Eluard, met foto’s van hem, en in 1936 volgde een tentoonstelling in het MoMA te New York. Zijn artistieke naam was definitief bevestigd. Hij bevond zich ook in het middelpunt van kunstzinnig Parijs, alle artiesten schoven aan voor hun portret. Behalve reeds genoemden defileerden Giacometti, Max Ernst, Tristan Tzara, Joan Miro, James Joyce, George Eliot, Antonin Artaud, Matisse, Ernest Hemingway, Brancusi. Zo’n foto, stelt Man Ray, is steeds een beetje dubbel, winst én verlies. Het is een momentopname, iets dat definitief en onherroepelijk voorbij is. Anderzijds legt het een moment vast, is het iets blijvend – het moment wordt verankerd. In 1963 publiceert hij zijn autobiografie, welke titel zou beter geschikt zijn dan ‘Self Portrait’? “There have always been, and there still are, two themes in everything I do: freedom and pleasure”. Niet bepaald een slecht levensmotto.
Tenslotte is er als derde in mijn fotografentriumviraat een man die niet veel grootheden voor zijn lens haalde, August Sander (Herdorf 17.11.1876 – Keulen 20.4.1964). Wat hem vooral interesseerde was de mens, in al zijn facetten. De start van zijn carrière school in zijn militaire dienst (1897-1899) toen hij als assistent-fotograaf Duitsland doorkruiste. In 1904 begon hij met een eigen studio in Linz, Oostenrijk – dat jaar wist hij reeds foto’s te tonen op de wereldtentoonstelling te Parijs. In 1909 keerde hij terug naar Keulen om daar een studio in te richten. Drie jaren later begon hij per fiets het platteland af te schuimen op zoek naar mensen om te portretteren. Dat zou tenslotte resulteren in de documentaire reeks ‘Menschen ohne Maske’ en in het boek ‘Antlitz der Zeit’ dat in 1929 verscheen. Zestig foto’s waarin hij mensen van alle standen, uit alle bevolkingsgroepen vastlegde; met een voorwoord, een essai van de auteur Alfred Döblin (“Sander is er in geslaagd sociologie te schrijven, niet met woorden maar met beelden, met foto’s van gezichten en niet louter van kleding”).

Het werk zou door de nazi’s in 1936 in de ban gedaan worden, vernietigd – deels zelfs de platen – omdat de mensen in beeld niet beantwoordden aan het arische ideaal! Erger evenwel: zijn zoon Erich, socialist en actief verzetslid tegen het nazisme zou in 1944 omkomen in het concentratiekamp. Daarna zal Sander zich een tijdlang toeleggen op het fotograferen van de natuur en de architectuur. Met o.m. in 1946 een serie over het door de bombardementen verwoeste Berlijn, maar ook met beelden waarin hij op zoek gaat naar de poëzie die schuilt in de mechanica, in het geïndustrialiseerde. Tenslotte zal zijn archief zo’n 40.000 negatieven bevatten. Fotografie en de mensen, maar daarnaast zijn de grote passies: antiquiteiten, schilderijen en boeken…  
Wat was het belang van Sander als fotograaf. Vast niet het feit dat hij zich in artistieke kringen bewoog, slechts weinig kunstenaars kwamen voor zijn lens, enkele nauwelijks bekende schilders, musici als Richard Strauss en Wilhelm Furtwängler zijn de enige beklijvende namen. Hij leeft verder met dat monumentale werk dat pas in 1980 verscheen en zo’n 600 portretten bevat die Sander maakte sinds hij in 1912 zijn focus richtte op de ‘gewone’ mens en dit bleef doen tot zijn dood. Hij baseerde zich op de woorden van Goethe “Ist nicht das Herz der Kern der Natur des Menschen?”

Zelf schreef hij: “We weten dat mensen gevormd worden door het licht en de lucht, door overgeërfde trekken, en door hun daden. Uit hun voorkomen leiden we af wat iemand al dan niet doet. Van zijn gelaat lezen we af of hij gelukkig is of bedroefd.” Daar ging hij naar op zoek. Dat heeft hij nagelaten, dat is zijn erfenis die postuum werd samengesteld en wereldkundig gemaakt. Daarin telkens die foto met als onderschrift ‘Zirkusleute’, ‘Bauern’, ‘Konditormeister’, ‘Brautpaar’, ‘Tapeziermeister’, ‘Arbeiterkinder’, ‘Boxer’… honderden foto’s die spreken. Anoniem? Ze dragen inderdaad meestal geen eigen naam. Maar ze zijn daarom des te persoonlijker: achter ieder beeld, achter ieder gelaat, in iedere ‘aankleding’ gaat niet alleen een persoon maar een bevolkingsgroep, een ganse geschiedenis (maatschappelijk én individueel) schuil.

Al deze mensen vond hij hoofdzakelijk terug in het relatief kleine gebied van Westerwald dat hij goed kende – daar zou hij alle types terugvinden die de Duitse maatschappij bevolkten. “Diese Menschen, deren Lebensweise ich von Kind auf kannte, faszinierten mich wegen ihrer Nähe zur Natur… Alle Typen, die ich so entdeckte, lassen sich unter dem Begriff des Archetypus fassen. Sie repräsentieren alle charakteristischen menslichen Eigenschaften.” Dit universele vond hij daar, in al die individuen, in wat hij aan types, beroepen verzamelde, projecteerde zich de ganse maatschappij. Dat was het wat hij wou weergeven. Hij maakt een visuele inventaris. Van de notaris tot de boerin, van het groepje studenten tot de secretaresse van de radio, en ook de fiere groep nazi’s in het treinstation te Keulen met op de achtergrond een reclame ‘Kölnisch Wasser’. Binnen dit opzet verdween het individu naar de achtergrond maar wie naar zo’n foto kijkt – en ze zijn allen zeer streng, sober, meestal zonder details die de aandacht afleiden, zonder achtergrond – ontsnapt niet aan het verhaal dat achter het individu schuilt; de camera van Sander is hoe dan ook te indringend opdat hij dit facet zou verwaarlozen. Nog deze anekdote: naar hem werd een krater op de planeet Mercurius genoemd: de krater Sander bezit donkere randen en is omgeven met een reeks lichtpuntjes…           

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.