Het zal morgen al twintig jaar geleden zijn dat de Vlaamse schrijfster Loekie Zvonik is overleden.

Loekie Zvonik (eig. Hermine Louise Marie Zvonicek) werd geboren in Gent, maar zoals haar naam al laat vermoeden was ze van Tsjechische afkomst. Ze studeerde weliswaar Germaanse filologie in Gent en maar werd lerares Nederlands in Hasselt. Ze debuteerde in 1964 in het Nieuw Vlaams Tijdschrift met het verhaal ‘Maar in plaats van de koekoek’.
In 1972 verscheen haar roman “Hoe heette de Hoedenmaker?”, een boek over Dirk de Witte, een schrijver uit Kessel-Lo over wie Jeroen Brouwers ook veel geschreven heeft. Ze kreeg hiervoor de debuutprijs 1976 van de Vereniging ter bevordering van het Vlaamse Boekwezen.
Ook de tweede roman van Zvonik, “Duizend jaar Thomas” (1979), werd bekroond, deze keer met de Yangprijs 1980 en de Matthias Kempprijs. Zvonik stelde in haar debuut reeds de vraag naar de zin van liefde en dood, een thematiek die ze in haar tweede roman in een bredere context nader uitwerkte. In beide romans komen de personages op een reis tot een dieper contact waardoor de gestelde vragen zich intens aan hen opdringen. Een tweede thema is het verzet tegen de moderne massamaatschappij die de individuele ontwikkeling in de weg staat. Reizen vormt daarbij het symbool voor het leven zelf: de mens onderweg naar de dood. Thomas is zowel het jongetje Thomas dat, dansend op de rand van een spoorwegbrug onder de trein viel, als de jonge Guillaume Thomas (een soort reïncarnatie van de Franse dichter Guillaume Apollinaire), die de daad vrijwel herhaalt en te pletter stort op een vrachtboot. Volgens Chris Schraepen in Spectator van 4 augustus 1979 heeft “Duizend jaar Thomas” “iets van Wierook en Tranen, maar (…) minder sentimenteel verwoord”.
Dat gevoel had ik ook, maar dan enkel bij de eerste twee hoofdstukken die over het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog handelen, daarna krijgt de eros toch min of meer de overhand op de thanatos. Maar dan zonder het opwindende gevoel dat er bij “normale” mensen mee gepaard gaat. Of als het dan toch al even aarzelend de kop opsteekt, wordt het meteen weer de kop ingedrukt door een opmerking die moet illustreren dat “alle illusies van de schoonheid van het menselijk bestaan moeten eindigen in een onvermijdelijk verval”, zoals er zeer terecht op de omslag staat.
Deze opmerking, in combinatie met het begin dat, zoals gezegd, over de oorlog gaat, zou kunnen doen veronderstellen dat het hier om een rauwe, realistische roman gaat, maar het is precies het omgekeerde: dit is de zuiverste l’art pour l’art die men zich kan voorstellen. Om een voorbeeld te geven: op een bepaald moment zit het hoofdpersonage Marie (duidelijk een alterego van de schrijfster) in de trein met vóór haar een zestienjarige jongen die in een roman van Jean Cocteau zit te lezen, terwijl er naast haar een discussie aan de gang is over Leo Tolstoï en Emile Verhaeren (p.91-92). Tot zover wat het realiteitsgehalte betreft…
Ik wist al langer dat er muziek bestaat “om zelfmoord op te plegen”, maar dat is blijkbaar ook met literatuur het geval. Ik vervloek mezelf dat ik dit boek helemaal heb uitgelezen.
In 1983 verscheen ook nog “De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch”. Zvonik was gehuwd met Rudi Strybol, prof aan de VUB en (ooit) baas en vriend van Willem Elias. Strybol is in 2006 overleden, zijn echtgenote zes jaar vroeger, vermoedelijk aan kanker.
Jeroen Brouwers schreef over de Hoedenmaker: “Jaargenote [in Gent] was Loekie Zvonik: vijf jaar na De Wittes dood debuteerde zij in de letteren met de mooie, afstandelijk maar zeer liefdevol geschreven roman ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ Dit boek is één van de gaafste sleutelromans die mij in de Nederlandstalige literatuur bekend zijn: voor de mannelijke hoofdpersoon ervan heeft Dirk De Witte niet zozeer ‘model gestaan’, die mannelijke hoofdpersoon is Dirk De Witte, en de roman reveleert met historische exactheid en psychologische finesse de laatste maanden van het leven van Dirk De Witte – ik onthul hiermee geen geheim. De roman van Loekie Zvonik is het beste geschrift dat men kan lezen als men omtrent ‘de mens’ Dirk De Witte zou willen achterhalen wat hem bezielde (of juist niét bezielde) om eigenhandig een eind aan zijn leven te maken. Behalve grote literaire waarde heeft de roman even grote documentaire waarde en kan, behalve als roman, worden gelezen en geraadpleegd als nauwkeurige bijdrage tot een biografie van Dirk De Witte.”
En jeugdvriend (van Dirk De Witte) Andries Van Den Abeele gaat verder: “Roman is een conventionele benaming voor een vorm van literatuur die men thans onder de noemer ‘fictie’ brengt. Ten onrechte denk ik, want een roman is niet altijd een gefingeerd verhaal en houdt vaak méér realiteit in dan sommige zogenaamd waarheidsgetrouwe beschrijvingen en reportages. Het ‘objectief nieuws’ van de kranten, zo stelt men vast, zodra men op de een of andere manier bij dat ‘nieuws’ betrokken is geweest, wordt dikwijls gearrangeerd en gemanipuleerd, louter fictie eigenlijk. In het geval dat ons hier bezig houdt, is het duidelijk dat de auteur niets hoefde toe te voegen aan de naakte werkelijkheid. Ze had een dramatische episode beleefd en hoefde die slechts waarheidsgetrouw te rapporteren. Het ging hier niet om fantasie, maar om een met bloedend hart en met ogen vol tranen opgetekende histoire vécue.
Het verhaal gaat hoofdzakelijk over de twaalf dagen, van 15 tot 27 september 1970, die Dirk en Hermine samen doorbrachten, naar aanleiding van een internationaal seminarie voor filologen in Wenen. Tijdens hun studiejaren in Gent hadden ze even met elkaar gesympathiseerd en waren mekaar vervolgens uit het oog verloren. Het toeval bracht hen samen voor de gemeenschappelijke reis naar Wenen.
Zij wist niets af van Dirks evolutie. Hij gedroeg zich aanvankelijk normaal en ik vind hem in haar beschrijvingen zeer herkenbaar terug, des te meer omdat ze hem Didier noemt, de voornaam waarmee we hem op het college en ook daarna aanspraken. Hij ondertekende altijd Dirk, maar in de dagelijkse omgang was hij voor ons Didier, de voornaam van zijn geboorteakte. Ook op de overlijdensberichten van zijn ouders kwam hij met die voornaam voor.
Vanaf de eerste nacht in het congreshotel, waar ze de kamer deelden – daar had hij op aangestuurd -, liep het al flink mis. In de vroege morgen maakte Didier haar wakker, had afschuwelijk gedroomd en kroop bij haar in bed. Het onvermijdelijke volgde, waarop hij in huilen uitbarstte en zij hem als een kind moest troosten.
De dag daarop was het weer van dat. ‘En dan grijpt hij me vast, maar anders dan in de afgelopen nacht, alsof hij me in andere dingen dan mezelf doorboren moet, en dan stoot hij in mij zijn smarten los, over elke liefde die wanhoop is en elke vreugde die wanhoop is in het gezicht van allen die lijden in pijn en ziekte, in oorlogen en door onbegrip, wreedheid en zwakheid, dank zij en ten gevolge van god en de mensheid. En dan de kinderen die men verwacht wordt te verwekken. En die men niet verwekken kan. (…) Maar jij, jij Hermine zal me verlossen, jij zal me redden. Wil je me redden. Wil je me redden?’
Op een avond reden ze buiten de stad, zaten ze onder hoge bomen en deden ze, bij het horen van koeienbellen, de belofte dat als het met één van hen beiden slecht ging en hij de andere dringend nodig had, hij zou opbellen of een telegram sturen met als enig codewoord ‘koeienbellen’. ‘Zullen we nooit iets onherroepelijks doen zonder de andere daarvan op de hoogte te brengen?’ vroeg hij en zij stemde in. Uitgerekend hij vroeg het, niet zij. (p.78)
Didier praatte veel, honderduit. Over zijn vrouw Anna (*) en haar verslindende liefde, over zijn jeugd, over zijn ouders, en eindeloos over wat hem het leven onherbergzaam had gemaakt. Hermine: Ik probeer soms te zeggen dat er manieren zijn om in een betrekkelijke harmonie te leven met de omringende wereld. Maar hij luistert niet. Hij luistert eigenlijk nooit naar mij.
Op de terugreis, tijdens de laatste nacht die ze samen doorbrachten, vroeg ze hem: Zal je proberen gelukkig te zijn? Zal je helemaal opnieuw beginnen? Het zal niet zo moeilijk zijn. En hij beloofde het.
Opvallend was ook hoe bij Dirk alles in het teken was komen te staan van anderen, met wie hij zich vereenzelvigde. Hij moest in Wenen in dàt café zijn want Kafka was er geweest, hij moest in dié straat zijn want Gérard de Nerval (ook een zelfmoordenaar) had er gewandeld, hij moest op de passende plek Rilke citeren. En daarbij altijd maar Pavese en nog Pavese, en von Kleist en Dagerman en tutti quanti. Met Pavese stond hij op en ging hij slapen. Il mestiere di vivere, het dagboek van een aangekondigde zelfmoord, was zijn bijbel geworden. Hij las het dan niet eens in het Italiaans, maar in het Duits, de taal van de zwaarmoedigheid, waaruit het laatste eventuele straaltje zuiderse zon was uitgevlakt. Cesare Pavese: de puber die maar niet tot volwassenheid kwam; het tragische plezier zich te wijden aan de eigen onmacht; zich te beroemen op iedere mislukking; de strijd, niet om de zelfmoord te vermijden, maar om hem te verdienen. Finio vitam, ergo sum.
Ik zit in een huid die anderen me hebben aangemeten, schreef Dirk. In feite mat hij zichzelf andermans huid aan. Hij leefde niet meer als Dirk De Witte, maar als een dubbelganger van Pavese, een surrogaat voor Von Kleist, een kopie van Dagerman. Hij schreef niet aan een eigen dagboek, neen, hij las en herlas het dagboek van Pavese. Hij wist niet meer of hij zichzelf citeerde dan wel Pavese. Alles begon, alles eindigde met literatuur, met citaten, met vergelijkingen, met verbanden. Dat leven via via, we hebben het allemaal een beetje in ons, de reminiscenties aan onze lectuur, de imitatie ten aanzien van de bewonderde groten, vooral dan in onze jeugd: les maîtres à penser. Voorbeelden inspireren. Je moet daar evenwel niet in overdrijven, zoniet leef je niet meer echt, je leeft nog alleen bij procuratie, je wordt geleefd.
Een andere inspiratiebron vond hij in de Suzanne van Leonard Cohen. Niet zo bijster origineel, want in dat jaar was het dé song die je in artistieke kroegen kon horen. Hij zou de plaat nog een laatste keer op de grammofoon leggen, vóór hij die fatale dag de auto instapte. Ondertussen maakte hij ook weer de woorden van het lied tot de zijne, in zijn gesprekken met Hermine:
And you know that I’m half crazy,
but that’s why you want to be there. –
And you know that you can trust me,
for you’ve touched my perfect body with your mind.
(**)
In dezelfde periode genoot ik eveneens van de obsederende stem van Cohen. Ze weerklonk telkens weer in de nachtkroeg Ter Halle waar ik vaak kwam. Van de woorden hoorde ik evenwel maar flarden, ik had er geen behoefte aan er nader op in te gaan: de stem en de melodie volstonden, als achtergrond bij vrolijke, of soms (de drank hierbij helpend) nostalgische conversaties. Maar Dirk zocht er weer méér achter, moest zich met het verhaal vereenzelvigen en er nieuwe voeding in vinden voor zijn literaire ‘spelletjes’.
Net zoals met de stekende melodie van ‘Jeux interdits’, waar hij ook méér in zocht, één van de aangrijpendste muzikale herinneringen uit onze jeugd, gekoppeld aan de frisse en tevens lugubere film, – de enige melodie die hij behoorlijk uit zijn gitaar kon knijpen. Het verhaal van ‘Jeux Interdits’ had hem trouwens geïnspireerd voor één van zijn eerste en beste korte verhalen, ‘Isabelle 1940’, dat een zeer gelijklopend thema behandelde, dat van een jongentje op de vlucht in mei 40, dat op een boerderij onder de indruk kwam van een jong meisje; jongentje dat kort daarop door een ongeval om het leven kwam.
Op 27 september kwamen Hermine en Didier thuis, elk weer in eigen huis. Exact drie maanden vóór de fatale dag. Geregeld belde Didier op. Soms klonk hij opgewekt of ironisch. Maar dan weer terneergeslagen: “Help me. Ik kan niet meer. Ik kan niet meer leven thuis. Anna trouwens ook niet, maar ze gelooft dat ze me nog vasthouden kan. Ze wil me niet verliezen. Ze is bang. Ze heeft haar klauwen in mij geslagen. Het is fataal.”
Hij kwam bij Hermine thuis en schoof mee aan tafel aan, met het gezin. Hij zag er moe uit en afgetobd. Ze gingen buiten wandelen, in de regen. Ik ga er een eind aan maken, zegde hij, ik zal in de auto gaan zitten, ik kan niet meer, er moet een einde aan komen. Ze probeerde het hem uit het hoofd te praten en ontrukte hem de belofte dat hij haar zou opbellen als het niet meer ging. Ja natuurlijk, zegde hij. Ik zal telefoneren. Koeienbellen, zal ik zeggen.
Ze hebben mekaar nog een paar keer ontmoet en nog enkele malen getelefoneerd. Zij werd het moe dat met hem alles zo ingewikkeld was. Ze ging niet in op zijn ‘onzinnige spelletjes’, ze had hem door met zijn klachten en ingebeelde tragiek. Zodra hij voelde dat hij op haar geen greep kon krijgen, haakte hij af. Je vergeven? Ja zeker, alhoewel, zoals vroeger wordt het toch nooit meer. Op 11 december zagen ze elkaar voor het laatst. Kom me niet achterna, had hij haar gezegd. Ook zij, als gezonde en evenwichtige vrouw, had het ziektebeeld niet ontwaard.
En toen kwam de dag waarop het buiten sneeuwde, zijn vrouw van huis was en hij alles organiseerde, alle symbolen die aan zijn dood een betekenis moesten geven op hun relevante plaats legde. Hamlet open bij de monoloog ‘To be or not to be’, met de regels over het doodgaan:
To die – to sleep –
No more; and by a sleep to say we end
The heartache, and the thousand natural shocks
That flesh is heir to.

Pavese open op de laatste bladzijde (Geen woorden, een daad, ik zal nooit meer schrijven), bovenop een stapeltje onafgewerkte handschriften; daarnaast zevenentwintig bladen met een paar cryptische aantekeningen. Een briefje met enkele ultieme wilsbeschikkingen. Hij bracht de machinerie in gereedheid die, naar het voorbeeld van Stig Dagerman, van de auto een gaskamer moest maken, nam de slaappillen, zette de motor aan, trok de choke uit, legde een zware steen op de gaspedaal, kroop achter in de wagen en gaf zich over aan de eeuwige sluimering. No more. Rond vijf uur in de namiddag was alles voorbij. Kort daarop kwam Anna thuis en vond hem.
Hij had niet opgebeld. Geen ‘koeienbellen’ geroepen. Of toch? Hermine: ’s Anderendaags belt mijn zuster mij op en vraagt: Met wie praatte je gisteren zo lang tussen drie en vier? De lijn was voortdurend bezet. – Ik was er niet. Ik was de hele namiddag niet thuis. Heeft hij toch een laatste noodsignaal willen uitsturen? Een laatste kans willen geven aan het leven? De mogelijkheid bieden aan iemand om vlug in de auto te springen en bij hem de sleutel uit te trekken, de motor stil te leggen, vóór het onherroepelijke voltrokken was? Het lijkt er op. (***)
Tijdens de nieuwjaarsdagen verspreidde zich het nieuws van zijn dood. Anna gaf hem een kerkelijke uitvaart. Hij werd begraven op het kerkhof van de abdij van Vlierbeek. De vrienden kregen een gedachtenisprentje toegestuurd, met een citaat uit de onvermijdelijke Pavese: Der Schicksalgebundene Mensch ist nicht frei. Zeven maanden later, exact op dezelfde zevenentwintigste, deed zij alles nog eens precies over (dus zelfs dat detail om haar kat mee de dood in te nemen, zoals hij dat had gedaan met zijn hond, RDS). Ze ligt naast hem.”
Merkwaardig genoeg – of misschien juist niet (zie verder) – doet Van den Abeele geen poging om de titel te verklaren. Het antwoord vindt men in mijn Vlaamse Pocketsuitgave (1994) op p.47. Hij heet Domac en is net als Zvonik uit Bohemen afkomstig. Het stond op een naambordje in Salzburg en eigenlijk speelt het voorval verder niet zo’n belangrijke rol als men zou kunnen afleiden uit het feit dat de vraag als titel wordt gebruikt. Daarom is het misschien belangrijker vast te stellen in welke context het wordt gebruikt en dan wordt meteen ook duidelijk waarom Van den Abeele er liever aan voorbijgaat.
De vraag wordt namelijk letterlijk gesteld (p.49) in een tekst die Zvonik zou hebben gevonden in het zogenaamde “zelfmoordkoffertje” van Dirk De Witte, dat eerst in het bezit is gekomen van Zvonik en later van Jeroen Brouwers (die er nochtans “nauwelijks iets interessants” in had gevonden en “het op zolder gekieperd”, aldus Van den Abeele; was deze tekst er dan misschien uitgehaald? Of vond Brouwers ook die tekst niet interessant? Of… heeft deze tekst nooit bestaan?)
In die tekst beschrijft “Didier” een voorval bij de antiquair naast het huis van de hoedenmaker, waarbij hij “Hermine” aanspoort een houtsnede mee te pikken: “Neem mee, zegt hij, het is van jou, niet van een Oostenrijker.” (p.48) Ze wordt echter betrapt en er komt een hele scène van: “Een dievegge is ze, weg! weg! weg met het vreemde gespuis! en hij gaf haar opnieuw een klap op het hoofd.” (p.51) Waarbij Didier, nochtans dus de aanstoker van het incident, zich afvraagt: “Waarom laat ik haar slaan? Waarom houd ik die vent niet tegen? Geen Parcifal. Geen Walewein. Geen Floris. Ik heb het altijd geweten. Ik drijf in duizelingwekkende vaart af, aangezogen door mijn negatief dat me aantrekt.” (p.51-52)
Niet bepaald positief dus, en deze vaststelling keert ook weer in een kleine anekdote over hun ochtendritueel (p.67) waarbij Didier zolang de badkamer monopoliseert dat Hermine wel te laat moet komen voor het ontbijt en de ochtendzitting van het congres. Zijn enige commentaar als “tientallen punctuele intellectuelen” haar erop wijzen dat ze de voordracht stoort: “Je slaapt te lang.” (p.68)
Hermine schrijft dan ook p.134: “Ik geloof dat ik je in Wenen al begon door te hebben. Je hebt me misbruikt om zelf de tragische held te kunnen spelen in je noodlotsmythe.”
Zelfs Didier past een Tsjechische sage aan in een andere tekst uit het “zelfmoordkoffertje”: “Dienaren werden uitgezonden door een koningin om een plaats te zoeken voor haar nieuw rijk. Ze reden over berg en dal tot ze aan een open plaats kwamen. En op die plaats was iemand bezig een deur op te richten. Geen muren, geen huis, alleen een deur. (…) Een deur naar niets.” (p.138-139)

Ronny De Schepper

Selectief literatuuroverzicht [naar G.J. van Bork]:
Yang 96, 16 (1980), L.Z.-nummer;
P. Schampaert, `L.Z.’, in Kritisch lexicon van de Nederlandstalige lit. na 1945 (1982);
G. Durnez, L.Z.: een introductie (1983);
A.M. Musschoot, `De hellevaart van L.Z.’, in Nieuw Vl. Tijdschr., 36 (1983).

(*) Deze Anna of Anneke werkte als secretaresse bij uitgeverij Manteau, wat later (Standaard der Letteren, 15 maart 2001) nog aanleiding zou geven voor een discussie wie nu eigenlijk van wie had afgeschreven: Jeroen Brouwers met zijn debuutroman “Joris Ockeloen en het wachten” of Dirk De Witte met zijn afgewezen roman “Dichotomie van een geboorte”?
(**) Hier is iets merkwaardigs aan de hand. Deze tekst bestààt namelijk helemaal niet. Bij Leonard Cohen is het immers:
And you know that you can trust her
For she’s touched your perfect body with her mind.

Wat helemaal iets anders is!
Wellicht heeft de schrijver gemeend Cohen uit het hoofd te kunnen citeren op basis van de Nederlandse “vertaling” die Didier (of Zvonik) op p.128 heeft neergeschreven: “En je weet dat ik je vertrouw, want je hebt mijn lichaam met je gedachten aangeraakt.”
Maar dit is dus een parafrase van wat Cohen heeft geschreven en géén vertaling. Bovendien is er hier nergens sprake van een “perfect body” – terecht, want dat is uiteraard volkomen in tegenspraak met de onzekerheid van Didier over vanalles en nog wat, dus ongetwijfeld ook over zijn lichaam.
(***) Ik vind het logisch dat een jeugdvriend zo redeneert, maar ik ben het er niet mee eens. Op het moment dat hij het telefoonnummer vormt, is zijn hond reeds omgekomen op de manier zoals hij zelf wil sterven (“De enige die me nog begrijpt is mijn hond”, p.149). Op dat moment was er volgens mij geen weg meer terug.

Een gedachte over “Loekie Zvonik (1935-2000)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.