Zeggen dat ik groene vingers heb dan zou ik niet een loopje nemen met de waarheid maar een flinke marathon. Mijn enige reële contacten met het fenomeen aarde/plant bestonden, ten tijde van de lagere school uit: een experiment waarbij ik een witte boon deponeerde in een prop natte watten, deze bestudeerde via het drinkglas waarin het geheel laboratiumgewijs geplaatst was, in afwachting tot er zich iets als wortels zouden ontwikkelen. Wat tot mijn niet geringe verbazing geschiedde. Jubilate!

Vol enthousiasme zou ik me daarom als volleerd botanicus uitleven op een mij welwillend ter beschikking gesteld deeltje van de tuin, naast een iets groter dat mijn vader inpalmde (achteraf bleek hij een even fanatiek tuinder als ik, na één seizoen hield hij het voor bekeken). Daar plantte ik het meest eenvoudige, het kon niet misgaan: radijzen. Het ging ook niet mis. Maar het was, ondanks de oogst, zo onvoorstelbaar saai! Hoe kon dit nu in hemelsnaam tot een volksvermaak uitgroeien? Iets in de grond proppen, het dagelijks van water voorzien (afhankelijk van de stand van de lokale pluviometer, en wachten, wachten..; tot er een spriet groen verschijnt om tenslotte zo’n onooglijke knol uit de aarde te trekken – een bussel kost op de markt, ja hoeveel? Planten, bloemen… een wereld die aan mij voorbijging.
Kunnen we het zonder bloemen stellen vraag ik me af. Er is, buiten, toch nog wel wat ander fraais te zien. Ik blik omhoog, de blauwe lucht (desnoods een beetje grijzig hier), de zon, schuivende wolken… de diversiteit, bij vallende nacht, ochtendschemer, de diamantenschittering der sterren, dame Luna. Er is de zee, er zijn bergen die zich voor ons oog ontrollen. Onze blik kan glijden over bomen, struiken; hij kan dieren en desnoods de mens ontmoeten. Er moet perfect te leven zijn zonder bloemen dacht ik zo. Of zouden we hun kleuren missen, de geuren die ze verspreiden. Het feit dat we de bijen van een groot gedeelte van hun inkomsten beroven, en zo onze honingvoorraad zien slinken. Dat we een aantal symbolen laten verdwijnen. En zouden we het zonder hun signalen kunnen stellen, ze geven soms aan dat de avond valt, openen zich weer bij dageraad, en volgen de seizoenen. Ongetwijfeld vormen ze ook wel een basis voor hier of daar een herinnering. Of dat alles voldoende is om hun bestaan te rechtvaardigen? In feite staan ze daar stil en hoofdzakelijk nutteloos te wezen, of niet?
Er moet al meteen een onderscheid gemaakt worden tussen de exemplaren die zomaar, losweg in de vrije natuur hun gangetje gaan. Je kan het hen moeilijk beletten of kwalijk nemen. En daar tegenover de gekweekte, gecultiveerde (in cultuur gebrachte!) die ten bate van handel en commercie groeien, bloeien en welig tieren op aangelegde besproeide velden of – nog erger – in serres in artificiële klimatologische omstandigheden, beter verzorgd dan de mens die zit te koukleumen of te puffen, nee zuster bloem moet in de precieze temperatuur en de correcte vochtigheidsgraad kunnen existeren, och arme, kwetsbaar als zij is! Goed, met de veldbloemen lijkt me enige verzoening nog mogelijk.

Richt ik me nu, afgrijselijk, op het fenomeen artificiële bloem. Je treft hen in alle materialen aan, plastic, porselein. Zelf bezondigde ik me enkele zomermaanden lang aan zee met het verkopen – schelpen als tastbare bitcoins – van door mijn moeder vervaardigde papieren exemplaren in de meest afgrijselijke kleuren. Ze worden ook gesneden uit zeep, reuzel, en bij onze Chinese vrienden kunstig ter versiering van de loempia- en ‘nummer 36’ uit wortels, dus indien de bami pangang niet bevalt heb je toch nog iets om te beknabbelen.

Je kan er werkelijk alle richtingen mee uit, men bestaat het zelfs bloementapijten te leggen, of zoals in mijn stad een bloemenstoet te organiseren – die is inmiddels ter ziele, er bestaan niet zoveel kleurrijke akkers in de polders, ze prefereren de nuttiger patat denk ik. Uiteraard zie ik hen hier wel gretig neergepoot in de tuintjes waar ze de burger van zijn vrije tijd beroven: planten, besproeien, verzorgen, onkruid en ziekten bestrijden, verpotten, te gek om los te lopen wat er al niet dient te gebeuren om die ondingen enigszins fatsoenlijk in leven te houden als border. Terwijl ze in het veld aan ongecontroleerde wildgroei doen zonder het risico een GAS-boete te versieren.

Ah versieren, hier willen die sloebers hun nut bewijzen. Bijvoorbeeld door mannen die met een boeketje trachten een exemplaar van de andere kunne aan de haak te slaan, of – de tijden zijn geëvolueerd – het mag nu ook openlijker aan een man gegeven worden; of vrouwen aan… en alle andere mogelijke combinaties, ze zijn behoorlijk progressief, onze botanische kameraadjes. Met graagte pronken ze ook op uw tafel ter opfleuring van het menu; valt de osso bucco tegen of is de beurre blanc gekabbeld dan leiden zij de aandacht van de gasten wel af en is het etentje alsnog geslaagd. Ze misstaan evenmin als corsage noch in de haren van jonge meisjes al is dat helaas meer tot de Vlaamse folklore gaan behoren, de boerenbruiloften, Streuvels, de meisjes met de haren doorvlochten met een krans van veldbloemen, nostalgische oubollige poëzie. 
Ze laten zich nog steeds, voor wie lijdt aan inspiratieloosheid, gebruiken om als geschenk te fungeren: Valentijn (zeer gegeerd, hoewel parfum en pralines oprukken), verjaardagen… De concurrentie met de bongobons laat hen de laatste decennia wel het hoofd soms hangen. Maar ze blijven alleenheerser indien het er om gaat vergiffenis te vragen voor een begane fout: niets werkt zo kalmerend, beweert en hoopt men, als de rustgevende kleurenpracht van een goedgekozen assortiment van die liefst dure dingen (in zo’n geval moet de zondaar niet met pisbloemen aandraven natuurlijk).

Uitermate geschikt als offerande in zowat alle omstandigheden is de roos. Waaraan zij deze status verdient? Dat moet historisch gegroeid zijn, het is voldoende dat één belangrijk figuur haar onder haar vleugels nam en zij zat gebeiteld voor de rest van haar eeuwigdurend bestaan – eeuwig ja, want het is te verwachten en te vrezen dat ze niet te verdelgen, dat ze onuitroeibaar is. Zij is ook één der enige die een beetje mijn genade verdient, vermoedelijk omdat zij reeds in mijn jeugd zeer concreet aanwezig was – mijn moeder adoreerde haar als geschenk, en dan wel één uitzonderlijke, de rode baccara, of liever nog de heel donderrode baccara black. Onverwoestbaar. Ah ja, In Californië vond men fossielen, 40 miljoen jaren oud, van blaadjes van een roos. En zij was populair in de oudheid, o.m. in China; de Egyptenaren vlochten er kransen mee om aan hun overledenen mee te geven, terwijl de Grieken hen met het extract balsemden. De Romeinen waren dan meer vooruitziend: ze bevochten er de dood mee en fabriceerden er medicijnen uit. De ijdele Perzen beperkten zich tot het vervaardigen van make-up: rozenolie. In onze streken werd de roos in de 16de eeuw jubelend verwelkomd, plantenmeester Dodoens noteerde in zijn ‘Cruydtboek’ (1608) het bestaan van tien soorten. Het was Joséphine de Beauharnais – we schrijven zo ongeveer 1800 – die haar een flink duwtje in de bevallige rug gaf: zij legde (enfin liet aanleggen) een heuse rozentuin aan bij het kasteel waar zij en haar geliefde gemaal Napoleon zich vestigden, Malmaison. Het eerste rosarium! Voorbeelden wekken…

Het was ook niet altijd zo mooi en vredevol trouwens, denken we maar aan de Rozenoorlogen op het Britse eiland. Ze duurden van 1455 tot 1485, tussen de huizen van York met de witte roos in het vaandel en deze van Lancaster die de rode claimde. Symbolen? Nog steeds… zo staat de witte roos voor onschuld, de rode voor liefde, oranje is passie, geel helaas voor stervende liefde, roze betekent sierlijkheid. Natuurlijk worden we jaarlijks geconfronteerd met het 1 mei-attribuut bij uitstek… en van de ganse arbeidersbeweging en politieke partij. Maar ook staat zij voor de wonden van Christus, het bloed van de martelaren en is zij het onvervreemdbaar object waarmee zowel Maria, de maagd, als de heilige Theresia van Lisieux worden afgebeeld. Theresia: op haar doodsbed waren dit haar laatste woorden “Ik zal rozen uit de hemel laten regenen”.

Waren ze in de oudheid reeds van enig nut dan is dat arsenaal nog uitgebreid. Rozenwater, parfum, medicijnen, azijn, thee, confituur en zowaar tot in onze voeding: ze zijn best eetbaar, bij voorkeur ontdaan van hun doornen (enfin, het gaat trouwens uitsluitend over hun blaadjes). Je kan zelfs een bestseller over hen schrijven zoals Umberto Eco deed, ‘In the name of the rose’. Ook tot heel wat spreekwoorden gaf zij aanleiding. Slapen als een roos, geen rozen zonder doornen, op rozen zitten, het leven gaat niet over rozen alleen, lulletje rozenwater, rozengeur en maneschijn, de tijd baart rozen, iemand iets onder de roos vertellen (in het geheim), een varken onder de rozen (iemand die graag het foute doet), alle scheuten zijn geen rozen…

Gegeerd in de taal, meer nog bij fanaten die er heuse wedstrijden op nahouden. Men zoekt naar nieuwe variëteiten, men kruist en doet aan gebloesemd overspel. Men steekt elkaar de geurende loef af. Het resultaat: steeds min of meer andere rozen die de leek niet van elkaar zou weten te onderscheiden; een hobby als een andere. Bovendien telkenmale een gelegenheid om inventief een nieuwe naam op de creatie te kleven, bij voorkeur zo origineel mogelijk – of, om zich te profileren, met de naam van een celebrity aan wie dan met veel poeha een exemplaar kan geoffreerd worden. De gekste benamingen tref je aan bij de honderden die te vinden zijn in de rozentuinen. Charlie Brown, Lily Marleen, Mozart broederlijk naast Tchaikovsky, McCartney samen met Penny Lane, Guy de Maupassant en Honoré de Balzac, Christopher Marlowe… prinsessen zijn ook populair en dankbare rozige slachtoffers, net als filmdiva’s, zangeressen. 
Zij vindt enige genade in mijn ogen. Samen met de lavendel. Die dankt dat vooral aan zijn kleur, ik heb een voorliefde voor dat paars zoals het te zien is op de velden van de Provence; of in de potjes potpourri die gelukkig niet zo vaak meer te pronk staan op de boudoirs of salontafeltjes – welk een horreur, gedroogde bloemen! Lavendel, Plinius ((23-79) kon het gebruik reeds aanbevelen voor wie sukkelde met de heupen en volgens de Britse botanicus John Gerard (1545-1612) bestreed je er epilepsie mee. De muzikale non, zij liet ons prachtige muziek na, Hildegard von Bingen (1098-1179) bereidde er een elixir mee dat hielp tegen de hoest; en haar recept drie lepels lavendel in één liter wijn was uitstekend voor lever en longen, én zorgde voor een scherp verstand… dat zal wel, een liter wijn! Je vindt hem terug in het boeket Provençaalse kruiden, hij wordt verwerkt in kaas, gebruikt in de cosmetica, je vindt hem als zeep en hij is zeer populair om de linnenkast te laten geuren. Drank: de Baskische elixir Izarra is niet te versmaden, zon in het glas en op de smaakpapillen.. En dan de exclusieve lavendelhoning – men zorgt ervoor dat de bijen uitsluitend deze fraaie bloempjes met een bezoek vereren, discriminatie maar wel voor het goede doel, de smaak van de verwende mensensoort.

Nog mijn gunst genietend, nu wegens hun sierlijkheid en omdat ze teer en klein zijn: zo zijn er enkele. Vooreerst is er de myosotis, het vergeet-mij-nietje of nog het muisoortje, herbe d’amour, désespoir du peintre, schildersverdriet. De meest populaire naam, vergeet-mij-nietje, werd toegekend door Henry IV van Engeland in 1398. Hoewel een Griekse legende verhaalt dat god alle bloemen een naam gegeven had maar dit kleine ding over het hoofd zag zodat het uitriep: “Oh Heer, vergeet mij niet!”... Terwijl een middeleeuwse legende beweert dat een ridder deze bloempjes aan de waterkant wou plukken voor zijn geliefde, door het gewicht van zijn harnas in de rivier viel en nog net voor hij verdronk de ruiker naar haar kon gooien met de woorden “vergeet mij niet”. Er is ook een Griekse naïade, een zeenimf met deze naam, Myosotis. Het bloempje werd in 1926 gekozen als symbool van de vrijmetselaarsloge Zur Sonne te Bremen, maar in 1938 reeds in die hoedanigheid afgevoerd: de Nazi’s hadden het toen geclaimd voor hun Winterhulp en dat zinde de vrijmetselaars niet bepaald. In 1948 konden ze dan toch het blazoen van hun geliefde bloem weer oppoetsen en in het vaandel heffen. Ook voor de Armeense volkerenmoord, de Alzheimerliga, en de Verdwenen Kinderen geldt de myosotis als symbool. Bovendien schenkt zij ons een heerlijk fris parfum, o.m. te koop als ‘nontiscordardime’, de naam ligt niet voor de hand, ik hou het bij ‘vergeet-mij-nietjes’, makkelijker te onthouden!

Een andere is de daffodil (ook wel narcissus genoemd). Vijftig soorten bestaan er, hoofdzakelijk wit en geel. Ze waren al gekend in de oudheid lezen we bij de filosoof Theophrastus (371-287 voor X) en gedetailleerd beschreven door de botanicus Dioscorides ((40-90 na X). Hier vernamen we iets over dat tenger bloempje dankzij Linnaeus in zijn boek ‘Species Plantarum’ (1753). De daffodil zou goed zijn ter bestrijding van de pest (betwijfelbaar!), maar ook tegen mijten en wormen kunnen ingezet worden. Geloofwaardiger: er wordt galantamine uit gewonnen waarmee men tegen Alzheimer tekeer gaat. Zij is de nationale bloem van Wales, wat met voorgaande niks te maken heeft. In het Oosten staat zij voor geluk, fortuin, de Perzen schrijven haar mooie ogen toe. In de westerse wereld geldt zij ook als zinnebeeld voor de dood: gebaseerd op de mythe van Persephone die door de god Hades betrapt werd toen zij deze bloemen plukte in de onderwereld.
Het meiklokje, of Lelietje-van-dalen, muguet, sierlijk, een klein wit afhangend klein klokje. Populair om op 1 mei als geluksbrenger te schenken – het is rond die tijd dat ze mooi openbloeien in de tuin. Het was Charles IX van Frankrijk die voor het gebruik verantwoordelijk is. Er werd hem op 1 mei 1561 een ruiker bestaande uit deze bloemen aangeboden met de heilwens op geluk en voorspoed. Hij was zo gecharmeerd dat hij sindsdien alle dames aan het Hof op die dag een ruikertje schonk. En wij zitten er mee. Om ook te genieten van het parfum. Evenwel, de in flacons opgesloten geuren die er naar verwijzen zijn in feite fake vermits de bloempjes te teer zijn om te verwerken. Chemische samenstellingen die de geur wel sterk benaderen, die snuif je op, ersatz dus; voor the real thing ben je op de ruiker aangewezen. Fake dus: Anais Anais van Cacharel, Pleasures van Estee Lauder, en ook Le Muguet van Guerlain dat slechts op 1 mei exclusief verkocht wordt! Dat geldt gelukkig niet voor de wijn Napoli di Malvasia waar het soms in verwerkt zou worden. Opletten toch: dat lieflijk bloemetje is flink giftig. Maar zoals bekend sedert de 16de eeuw uitstekend tegen hartaandoeningen en epilepsie. Wie een beroerte vreesde draaide het gedroogd door zijn snuiftabak. Rozen, enkele kleine bloempjes, die kunnen op mijn mededogen rekenen. eén is er tegen wie ik een grondige aversie ontwikkelde. Geen idee waar zij vandaan kwam, de aversie dan, de origine van de bloem is wel te achterhalen. Het betreft de tulp. Hoe diep ik ook graaf in mijn verleden welke duik ik ook neem in mijn onderbewuste, het is niet te achterhalen waarom ik zo’n afkeer heb van deze in se toch vrij sierlijke bloem die in alle tinten verkrijgbaar is.
Ons toegewaaid uit Turkije: in 1551 stuurde de ambassadeur voor Oostenrijk, de Vlaamse humanist Ogier Gisleen van Busbeke, die de tulpen gezien had in Erdine, enkele zaden naar Wenen. Maar dat de ondingen hier te lande arriveerden geschiedde pas in 1561, toen arriveerden de eerste bollen in Antwerpen. Het was nog maar eens een Vlaming die ik verantwoordelijk moet stellen voor hun opgang en latere populariteit: Carolus Clusius, in de volksmond Charles de’l’Ecluse, de man die ook de aardappel onder zijn hoede nam, cultiveerde hen in de Hortus Botanicus te Leiden – en de Hollanders zaten er mooi mee opgescheept sedert 1593. Om haar nooit meer kwijt te geraken. Tulpen uit Amsterdam! Een naam had het beestje ook al, de Ottomaanse sultans droegen haar als symbool op hun tulband, hun ‘doelband’ (Perzisch), tulb-and…

Het zou er heel vreemd aan toegaan met de tulp. Zo rond 1600 betaalden dames aan het Franse Hof (of lieten betalen waarschijnlijk) een fortuin voor zo’n bloem die in hun decolleté moest prijken (om de aandacht te vestigen of al te leiden?). In 1635 betaalde men in Nederland voor een tulp met de naam ‘Semper augustus’ wat toen een grachtenhuis kostte; te lezen in het ‘Tulpenboek’ van ene Pieter Cos uit 1637 waar hij enige prijzen opsomt. Te gek, inderdaad. Tussen 1634 en 1637 woedde een tulpenmania, bekend als tulpenwoede, tulpengekte, bollengekte, bollenrazernij.

De wraak zou zoet zijn. De pest brak uit en velen veroordeelden de tulp: dit was een straf voor de eredienst voor de godin Flora die beleden werd via de tulp, Flora de bloemengodin uit de Romeinse mythologie. Zodat de auteur Cornelis van der Woude zich genoopt zag (misschien met financiële steun van de tulpenkwekers die de hetze tegen Flora en hun gekelderde inkomsten minder leuk vonden) een toneelstuk te schrijven ‘Het toneel van Flora’ (1637). “Het puyk der Blommen” zo roemt hij de tulp, en één der rijmelarijen in het stuk besluit zelfs: “so overtreft de Tulp het Gout en Diamant”. Ja, dat wilden ze best in stand houden, die telers, niet louter symbolisch natuurlijk. In ieder geval overleefde zij de pest en de pesterijen en zelfs dat toneelwerk. Zodat we nu nog kunnen genieten van tulpenvelden, van een jaarlijkse tentoonstelling in het Keukenhof te Lisse. Of je kan naar het Tulpenfestival in Noordoostpolder, Flevoland. Die tulpengekte in Nederland beschreef Alexandre Dumas in zijn roman ‘La tulipe noire’ (1850) waar dat ding onderwerp van uitmaakt. Overigens: tot heden is men er nog niet in geslaagd een perfect zwarte tulp te kweken. Al benaderen variëteiten als ‘Koningin van de nacht’ en ‘Zwarte papegaai’ dit ideaal wel. Andere kleuren bestaan er in overvloed. De rode is symbool voor elf jaren huwelijk, ja de perfecte liefde, en indien zij een zwart hart bezit: passie! Paars betekent koninklijk, geel vrolijkheid en wit vergiffenis. Nog een verhaaltje? De Turkse prins Farhad was smoorverliefd op de heel mooie Shirin. Toen hij vernam dat zij vermoord was stortte hij zich met zijn paard van de rotsen – waar zijn bloed gevloeid had, groeiden de rode tulpen…
Voilà, nu ga ik het onkruid tussen de stenen van de oprit uitkrabben. De voortuin behoeft geen zorg: op verzoek heeft het tuinderbedrijf die voorzien van plantjes die louter in groentinten en qua hoogte variëren – geen bloesemende spullen. De tuin zelf, een muur vol klimop, een tweede behangen met enkele druiven ten behoeve van hongerige merels en, nu ja, rozerode stokrozen. Een grasveld. Als toegift aan de procenten burgerlui onder ons vel: tot bloembakken omgevormde sierstenen bevatten enkele ordinaire bloemsoorten, ergens achteraan bloesemt jaarlijks een toef meiklokjes. Mocht dat kunnen zou er best nog een beetje edelweiss naast mogen, dat zal hier wel niet lukken. Maar goed, vanavond degusteren we tulpenbollen, gestoofd of gebakken best te pruimen, afgewerkt met enkele blaadjes van hun nakomelingen met lichte pepersmaak. Mijn wraak is zoet.

Johan de Belie            

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.