In de zomer van 1995 maakte toenmalig cultuurminister Luc Martens (foto Paul Van Welden – wikiportret.nl) de resultaten bekend van een onderzoek dat door professor Thérèse Jacobs van de UIA en haar assistent Dirk Stoffelen in 1994 werd uitge­voerd en waarin “als het ware terloops” gepeild werd naar de culturele belangstelling van de ondervraagden. Omdat deze zich er niet van bewust waren dat ze hier speciaal op werden ge­toetst, deden ze zich niet beter voor dan ze waren en de resultaten, zoals vastgelegd in de publicatie “Cultuurdeelname in Vlaande­ren”, zijn dan ook desastreus.

Vooral voor het theater zijn de cijfers ontnuchterend. Slechts een tiende van de bevolking gaat enkele keren per jaar naar de schouwburg en dan moet men er nog bij vermelden dat er in het onderzoek geen onderscheid werd gemaakt tussen een amateurthe­ater en een avondje avant-garde.

De echte liefhebbers, die elke week gaan, maken slechts 0,1 % van de bevolking uit. Onnodig aan te stippen dat het hier bijna uitsluitend hoger opgeleiden betreft. En vrouwen gaan meer dan mannen, maar dat wisten we al.

Als we ons mogen verlaten op een onderzoek dat de Brusselse KVS tijdens de zomer van 1997 heeft laten uitvoeren, dan blijkt dat het sociaal-cultureel werk toch nog een dam opwerpt tegen de toenemende desinteresse. Het verenigingsleven maakt immers niet minder dan 25 % uit van de kaartenverkoop!

Opvallend: dertig procent van de “verkoop” gaat naar… gratis uitnodigingen! (Daar zijn natuurlijk ook kaarten voor de sponsors bij.)

Ook de meest positieve vaststelling van deze studie, namelijk dat er evenveel mensen (42%) een tentoonstelling bezoeken als de bioscoop, is voor een groot deel op rekening van het soci­aal-cultureel werk te schrijven. Niet alleen zijn zij verant­woordelijk voor tal van groepsbezoeken aan grote tentoonstel­lingen die ook door individuen gretig worden bezocht (zoals recent René Magritte, Quinten Metsijs of Paris-Bruxelles), zij organiseren ook zelf tal van tentoonstellingen, die lokaal op grote belangstelling kunnen rekenen.

Ook het loutere cijfermateriaal spreekt voor zich: 46,2 % van de ondervraagden is lid van een sociale of culturele organisa­tie. Opvallend daarbij is dat de leeftijd daarbij geen rol speelt. De vaak gehoorde bewering dat jongeren afkerig zouden staan van het verenigingsleven, wordt hierbij dus weerlegd. Al dient gezegd dat ten opzichte van het vorige (weliswaar niet helemaal vergelijkbare) onderzoek, uitgevoerd in 1983, er weliswaar een globale stijging is van twee procent, maar dat de jongeren met 4,6% achteruitgaan, de studenten zelfs met bijna 11%! Dat de gepensioneerden met meer dan 14% stijgen, is echter géén teken van veroudering, wel van het feit dat gepen­sioneerden steeds actiever deelnemen aan het maatschappelijke gebeuren.

Vijftien procent van de Vlaamse volwassenen zegt dat ze in 1994 vrijwilligerswerk hebben verricht, gespreid over alle leeftijdsklassen, het bekende dieptepunt bij de jonggehuwden niet meegerekend. Wat opleiding betreft, is er geen rechtlij­nigheid aangetroffen, al hebben hoger opgeleiden de neiging sneller vrijwilligerswerk te verrichten. Niet toevallig ligt het vrijwilligerswerk het laagst bij werklozen (die kunnen daarvoor namelijk een schorsing oplopen). Opvallend is wel dat het over de hele lijn met 10% is gestegen t.o.v. 1983. Wel merkwaardig is dat, in tegenstelling tot de algemene cultuur-t­rend, mannen vaker lid zijn van een vereniging dan vrouwen. Wat vrijwilligerswerk aangaat, is er geen relevant verschil tussen de geslachten. Wat helaas wel opvalt, is dat vooral arbeidersvrouwen en werklozen afhaken. De mate van verenigd zijn stijgt dan ook met het opleidingsniveau.

In zijn “voorwoord” (beter zou zijn: “woord vooraf”) legt minister Martens er zelf reeds de nadruk op dat het hier enkel over cijfermateriaal gaat en dat dit dus slechts een (noodza­kelijke) aanzet kan zijn voor verder studiemateriaal.

Dat cijfermateriaal vinden we ook overvloedig in deel 5, “Cultuur­spreiding in Vlaanderen”. Deze studie van het gesubsi­dieerde podiumgebeuren door Jan Colpaert (EHSAL) en Miek De Kepper (FeVeCC) beschrijft en onderzoekt het aanbod en de spreiding van het door de overheid gesubsidieerde podiumgebeu­ren. Concreet gaat het o.m. over het podiumaanbod in de erken­de culturele centra. Onder het luik Volksontwikkeling worden gegevens vermeld over de sprei­ding van de culturele manifesta­ties, een ruim, gesubsidieerd aan­bod, waarvan erkende gemeen­telijke culturele raden, culturele raden en erkende culturele organisaties gebruik kunnen maken.

Uit dit onderzoek kunnen een aantal conclusies worden getrok­ken :

     ‑ dataverzameling : het gebrek aan eenvormigheid van de gegevens die bij de administratie beschikbaar zijn, bemoei­lijkte het onderzoek. Een eenvormig elektronisch formulier wordt aanbevolen.

     ‑ spreiding : er is een duidelijk verband tussen de aanwezigheid van culturele centra en het aantal podiumac­tivi­teiten : in 238 gemeenten, waar 50 % van de bevolking woont, vinden slechts 7 % van de podiumactiviteiten plaats en zijn er slechts 6 culturele centra. In de overige gemeenten, waar 50 % van de bevolking woont, vinden 93 % van de podiumactivi­teiten plaats en zijn er 69 culturele centra en/of kunstencen­tra.

     ‑ culturele regio ’s : Vlaanderen telt 20 ‘witte’ gemeen­ten, d.w.z. gemeenten zonder gesubsidieerd podiumaanbod. Dit kan worden opgevangen door die gemeenten te situeren in een regionale context : een culturele regio, met een culture­le centrumgemeente. De studie biedt een eerste aanzet daar­toe.

Alhoewel deze studie werd uitgegeven door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap als deel 5 in de reeks “Cul­tuurstu­dies”, is ze wegens het zeer specifieke karakter niet in de boekhandel te verkrijgen. Ze kan wel gratis worden aangevraagd op de admini­stratie cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, depar­tement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Markiesstraat 1, 1000 Brussel, tel.02/507.42.45, fax 02/507.42.39.

De publicatie “Cultuurdeelname in Vlaanderen in 1994-1995” kost 150 fr. en kan worden bekomen na overschrijving van het verschuldigde bedrag op rekeningnummer 091-2201002-04 van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Communicatie en Ontvangst, Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel met vermelding “Cultuurstudies, deel 3”.

Ook de twee vorige publicaties in deze reeks kunnen daar tegen dezelfde voorwaarden worden besteld.

Het eerste deel is “Hermes op de planken”, de stilaan overbe­kende studie van prof. Guido De Brabander over de economische impacten van de podiumkunsten in Vlaanderen.

Deze studie vormt ook de basis van deel 2, met name “Bedrijvi­ge Muzen”, maar naast de podiumkunsten komen hierin ook de musea aan bod en dan meer specifiek de managementsaspecten in beide sectoren.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.