Meer dan honderdzestigduizend toeschouwers en vermoedelijk twee miljard televisiekijkers. Het is duidelijk dat we het niet hebben over een voorstelling in een of ander Cultureel Centrum in « de Vlaanders ». Live Aid dus en een succes zonder voorgaande. Op één dag werd zo’n drie miljard Belgische frank ingezameld voor hongerend Afrika. Sommigen zien initiatiefnemer Bob Geldof (zanger van The Boomtown Rats) dan ook reeds als Nobelprijswinnaar voor de vrede en, ja, als ooit een Kissinger en een Begin met deze prijs konden gaan lopen, dan mag dat voor ons best.
Want het dient gezegd : onze pop-en-papvriendjes wisten waarvoor ze optraden. Zo lanceerde David Bowie meteen het voorstel om dit jaarlijks te doen, zo lang de honger niet uit de wereld gebannen was. Zo legde Udo Lindenberg (want er waren ook nog korte interventies uit andere landen, in dit geval dus de Bondsrepubliek) heel scherp de verantwoordelijkheid voor de hongersnood bij de bewapeningswedloop in Oost en West. Deze interventie werd herhaald voor de Amerikaanse uitzending en ook Bob Dylan kon niet nalaten te wijzen op de schrijnende onrechtvaardigheid in zijn eigen land (« Misschien kunnen een paar miljoen gebruikt worden om de hypotheken van de Amerikaanse boeren bij de banken af te lossen »). Zanger Bono van U2 daarentegen legde dan weer de vinger op de wonde bij dat andere machtsblok, want inderdaad ook de Sovjet-Unie had een inzending (de hardrockgroep Autograph) waarbij men het positief aanwenden van « high tec » onderstreepte. « De technologie hebben we al mee », zei Bono, « maar de technocraten nog niet ». Immers, « Live Aid » ging daar niet rechtstreeks in de ether, maar een « samenvatting » zou pas enkele dagen later worden uitgezonden. Het zal ons benieuwen of b.v. Lindenbergs tussenkomst de Sovjetrussische burgers heeft bereikt.
Maar qua politieke uitspraken schiet ook nu weer Geldof de hoofdvogel af met zijn reactie op het « gelukwenstelegram » van Margaret Thatcher. « Zolang ze niet met geld over de brug komt, hebben we aan dit soort boodschappen geen boodschap, » aldus Geldof.
Maar er was dus ook nog muziek. Zestien uren en veel goeie. Ondanks vele technische mankementen maakten deze perfectionisten geen complimenten, maar zij trachtten elk op een originele wijze te schitteren. Verscheidene groepen kwamen nog eens samen, er waren unieke combinaties (Sting met Phil Collins; Elton John met George Michael; Mick Jagger met Tina Turner) en vooral de « oudjes » kwamen soms nog verrassend uit de hoek (The Beach Boys b.v.). Wel jammer dat tweemaal de apotheose een beetje werd verknald omdat de verwachtingen té hoog waren gesteld (in Londen kwamen de Beatles uiteindelijk toch niet samen en in Philadelphia was er geen spoor te bekennen van Michael Jackson en Bruce Springsteen). Toch kon de respectievelijke samenzang met « Feed the world » en « We are the world » wellicht nog menigeen ontroeren. « De mooiste dag uit mijn leven », zei Geldof. En binnenkort de mooiste dagen uit het leven van de Ethiopische kinderen ? (R.D.S. in De Rode Vaan nr.29 van 1985)
MUZIEK EN MAATSCHAPPIJ
In de jaren zeventig werd er vaak gediscussieerd over de functie van de sociaalbewuste zanger(es) in de maatschappij. Voor welke muziek moest hij/zij opteren? Moet men de boodschap verpakken in “gemakkelijke” muziek, zodat ze sneller ingang kan vinden bij de luisteraar? Of moet de muziek juist even “progressief” zijn als de boodschap zelf?
Deze discussies werden vooral uitgevochten in lezersbrieven in Tliedboek, maar ook in het panelgesprek over “muziek en maatschappij” dat wij in het kader van het Feest van De Rode Vaan organiseerden kwamen deze vragen aan bod. Ik heb die diverse fragmenten aan elkaar geplakt, zodat het lijkt alsof de verkondigers van die of die mening met elkaar in discussie gaan, wat m.i. de leesbaarheid bevordert, maar waarbij men zich dus goed voor ogen moet houden dat dit meestal zo niet is.
Nona Hendryx van de groep Labelle in “Het Volk”, anno 1987: “Labelle was over de hele lijn een sterk sociaal en politiek geïnspireerde groep, maar men herinnert zich van ons uitsluitend die ene funkhit Voulez-vous coucher avec moi ce soir. Dat geeft een vertekend beeld van mijn werk uit die tijd. Ik vind het niet minderwaardig om dansmuziek te maken, maar het is jammer dat het publiek blijkbaar in popmuziek uitsluitend dit soort vluchtige vergetelheid zoekt. Enkele jaren geleden zat me dat erg hoog, maar intussen heb ik dat leren aanvaarden. Ik weet nu dat ik niet heel mijn publiek kan veranderen. Ik ben al blij als ik enkelingen bereik. Dat is ook al iets. Bovendien vind ik dat er inderdaad een mentaliteitsverandering in de popmuziek bezig is. Dingen als Live Aid en Sun City waren tien jaar eerder volstrekt onmogelijk geweest.”
Little Steven: “Je moet realistisch zijn. Met platen los je geen problemen op. Je vestigt er wél de aandacht mee op die problemen, je brengt een discussie op gang. Dat is met Sun City in ieder geval gebeurd. Veel Amerikanen wisten vóór die LP niet eens waar Zuid-Afrika lag, laat staan dat ze beseften wat daar aan de gang was.”
Luc De Vos: “Ik heb geëngageerde kunst altijd zo overbodig gevonden. Met die algemeenheden en voor de hand liggende waarheden over wereldvrede en politiek komen wij geen stap verder. Het beste vind ik nog altijd gewoon met zijn allen algemene democratische verkiezingen houden en dan maar hopen dat de goeden aan de macht komen.” (De Volksmacht, p.12)
EEN NIEUWE VOLKSMUZIEK?
Miel Appelmans (foto): “We zitten in een situatie waarin de kleinkunst zodanig betutteld wordt dat ze compleet gerecupereerd en avontuurloos dreigt te worden. De volkszangers vormen de actiefste groep in dit geheel, en hun genre zelf moet hen tot bepaalde bedenkingen leiden. We noemen hun genre volksmuziek, enkel en alleen omdat ofwel hun materiaal ofwel tenminste hun stijl uit het volk komt. Maar de mensen van vandaag herkennen die muziek zeker niet als de hunne. Zou het niet mogelijk zijn dat de volkszangers samen weer naar de mensen gaan, de kermissen, de jaarmarkten, de fabrieken, de cafés, kortom alternatieven zoeken, hoe gedeeltelijk ook? We hebben de Gentse feesten gehad, en de Anderlechtse jaarmarkt en nog zo’n aantal gelegenheden. Moet er niet in die richting doorgewerkt worden?”
Wiet Van de Leest: “Dat is weer zo’n trend, alles moet geëngageerd zijn. Trouwens dat zingen van geëngageerde liedjes brengt absoluut geen aarde aan de dijk, tenzij dat je er geld mee verdient. De meeste mensen die komen zeveren over engagement zijn allemaal ergens vast binnen, ze hebben allemaal een goede, vaste job. Daar word ik ziek van.”
Dirk Van Esbroeck: “Ik denk trouwens dat de enige die de mensen bereikt met zijn engagement John Lundström is. Smartlappenmuziek die de mensen onmiddellijk herkennen, heel simpele teksten, het is iemand van hun leeftijd, dàt komt over bij de mensen. De mensen verstaan dat, maar voor het overige behoren de protestzangers hier in Vlaanderen helemaal tot de bourgeoiscultuur. Mensen als Miek en Roel die zitten nog veel dieper in heel die kleinkunstaffaire. En die tekstschrijvers (*) en zangers kunnen gemakkelijk over de sociale problemen zingen, want ze hebben allemaal vaste, vetbetaalde jobs.
Maar wat Appelmans daar zei van ‘dichter naar het volk’, hij bedoelt daar ook mee dat we ook op markten en dergelijke moeten zingen, daar zit misschien wel waarheid in, maar onze muziek is niet heel geschikt om op braderijen en zo te spelen. Het kan gebeuren zoals op het Muntplein in Brussel, daar kwamen de mensen gewoon tijdens de kantoorpauze kijken. Dat kwam formidabel over.”
Paul Rans: “Ik denk dat het wel mogelijk is, als ze er maar geen massamanifestatie van maken met alle groepen van Vlaanderen tegelijkertijd.”
Dirk Van Esbroeck: “Wij zouden wel graag in gevangenissen gaan spelen, waarom niet? Maar ja, je moet dat altijd zelf gaan vragen, dat is dan zo precies ‘die mensen willen er komen, ze willen Johnny Cash nadoen’. Ze interpreteren het altijd op die manier. Maar als er iemand is die dat wil organiseren, dan gaan we zeker.”
Willy Courteaux: “Ik vind dat we wel een beetje te optimistisch zijn in verband met deze nieuwe volkscultuur. Als je ziet dat men daar zelfs in de socialistische landen nog zo’n problemen mee had, dan kan men gerust stellen dat wij zelfs nog niet in een beginstadium daarvan zitten. Ik kan niet geloven in een nieuwe vorm van cultuur, zolang de maatschappijstructuren niet veranderd zijn. En zelfs dan zullen er nog tientallen jaren overheen gaan.”
Peter Cnop: “Maar heeft die volkscultuur wel ooit dergelijke afmetingen gehad als wij wel zouden wensen? En men kan misschien wel zeggen dat volkscultuur gecommercialiseerd is, maar zeker niet dat ze dood is. Ik denk aan platen, aan strips. Men kan daar tegen zijn, maar het is toch de bijna enige cultuurvorm waarmee het volk te maken krijgt.”
Willy Courteaux: “Er is hier een klein misverstand. Als wij het hebben over volkscultuur dan is dat over cultuur die door het volk zelf gecreëerd en beoefend wordt. Terwijl jij het hebt over cultuur voor het volk. Dat is valse volkscultuur.”
Jan Mestdagh: “Ik denk dat het ondenkbaar is dat er nog ooit een revival komt van oude volksmuziek. Misschien wel binnen een bepaald circuit, maar niet voor de man in de straat. Als er nog ooit een nieuwe volkscultuur komt (en ik geloof dat dit nu reeds het geval is) dan zal dat een cultuur zijn die zich bedient van de moderne media zoals radio, televisie, elektrische versterkers e.d. Het is dus zeer steriel heimwee te hebben naar die vroegere volkscultuur die volgens mij inderdaad zeer hypothetisch is. Het is zeer de vraag of indertijd iedereen doedelzak of zo speelde!”
Peter Cnop: “Terwijl dit juist nu in de tweede helft van de twintigste eeuw wél het geval is. De verkoop van gitaren is nog nooit zo groot geweest. In de jaren ’50 had je de skiffle-groepjes, in de jaren ’60 de beatgroepen en in de jaren ’70 de punks. Ze maakten misschien niet steeds goede muziek, maar ze maken muziek.”
Miel Appelmans: “Ik denk ook dat die nieuwe volksmuziek waarover Peter Cnop het heeft, dat dit gewoon dezelfde muziek is, gebracht door mensen die nog niet erkend zijn door de industrie, of gewoon dat peil niet halen.”
Willy Courteaux: “Er is nog een andere categorie, namelijk mensen die heel bewust van een politiek standpunt uitgaan en de muziek slechts gebruiken omdat zij daar toevallig het meeste talent voor hebben.”
Miel Appelmans: “Maar moet men dan dit standpunt verspreiden via kapitalistische firma’s?”
Dree Peremans: “Je kan inderdaad met alle mogelijke reclamemiddelen een lied aan het volk opdringen. Maar kan je er op die manier ook een volkslied van maken?”
Peggy Seeger: “Nee, waarom zou dat? De liedjes van Elvis Presley, om nu maar iemand te noemen, waren heel populair maar het zijn geen folksongs. Je kan hetzelfde zeggen van Blowin’ in the wind van Bob Dylan. Om een folksong te worden moet het iets hebben dat het volk mogelijk maakt dat lied te assimileren, er wijzigingen in aan te brengen. Want dat is juist een van de essenties van een volkslied, dat het bestaat in meer dan één versie. Ewan’s (haar echtgenoot Ewan MacColl) lied The Shoal of Herring bijvoorbeeld heeft in Ierland een andere versie met als titel The Shores of Erin. Het volk heeft er een ander lied van gemaakt en dat is de essentiële reden waarom het een volkslied geworden is.”
Dree Peremans: “In sommige van de liederen die je zelf hebt geschreven is er duidelijk een vorm van sociaal engagement aanwezig?”
Peggy Seeger: “Jaja, maar die liederen noemen wij nooit volksliederen, want die zullen verdwijnen samen met de situatie waartegen ze gericht waren.”
Martin Carthy: “Omdat een dergelijk lied steeds een te sloganesk karakter heeft en in onbruik raakt wanneer de actie die het moet ondersteunen, voorbij is. Wat is er trouwens nu nog overgebleven van Ewan MacColl? Niets! Hij is niet meer relevant. De ene keer zong hij over Ho Tsji Minh, een andere keer over Che Guevara, en iedere keer dat de rage voorbij was, moest hij zich op iets anders werpen. Als politiek zanger is hij nu compleet irrelevant en zelfs als folkzanger is hij nonsens. (…) Ik vind niet dat het wat uitmaakt of volksmuziek elektrisch of akoestisch gespeeld wordt. De mensen spelen deze muziek op de instrumenten die ze zich kunnen aanschaffen, dat maakt het juist tot volksmuziek. (…) Men zegt wel eens dat rock’n’roll de moderne internationale volksmuziek geworden is, maar daarmee ga ik niet akkoord. Soms is het wel goeie muziek, daar niet van. Maar je hebt er niet hetzelfde folkproces van mondeling overlevering van een muziek zonder bekende auteur, die een onbewuste keuze is van een gemeenschap. (…) Misschien zou de auteur het liedje na al die eeuwen niet eens meer herkennen, zodat je zou moeten spreken niet van één auteur, maar van honderden.” (Tliedboek nr.48 van mei 1977).
Walter De Buck: “Je kunt je inderdaad afvragen of dergelijke liederen tot de volkskunst behoren. Het enige strijdlied dat echt uit het volk geboren is, is naar ik weet Koevoet is beter dan boelie. Dit lied ontstond spontaan bij de wevers van de late negentiende eeuw, als reactie op de liefdadigheid van de rijke dames. Het lied werd daarna mondeling overgeleverd. Voor de rest is er geen enkel strijdlied dat echt ‘volkslied’ is. Ze werden allemaal geschreven door intellectuelen. Dit wil niet zeggen dat dergelijke liederen niet volksgericht waren, maar een echt volkslied is een synthese: het is van generatie op generatie overgeleverd en wordt zo geschaafd door de tijd. Je kunt je evengoed afvragen of de liederen van Preud’homme volksliederen zijn. Deze behoren ook tot een ander genre, alhoewel ze ook volksgericht zijn. Mijn bedoeling is in het medium te werken. Er zijn esthetische zangers en zangers die de tekst op de eerste plaats stellen. Dit laatste doe ik dus ook. De keuze die Karel Waeri maakte voor de onderwerpen van zijn liederen heeft mij een licht doen opgaan. Als je in het medium van de volkskunst werkt, moeten je liedjes over de realiteit gaan.”
Miel Appelmans: “Maar moet je je dan ook niet afvragen indien je je echt in een bepaalde traditie wil inschakelen, ook geen concrete stakingsliederen moet maken wanneer zich daartoe concrete gelegenheden bieden? Wordt Koevoet niet pas echt zinvol wanneer men die brug slaat, terwijl het nu enkel een leuk nummertje is, omdat het pikant is, en plezant, en iedereen kan meezingen? En waarbij de vraag blijft: moet men dan dit dan verspreiden via kapitalistische firma’s of moet men andere wegen zoeken?”
Willy Courteaux: “Nee, de vraag is: in welke mate is het in een kapitalistische maatschappij mogelijk om buiten het systeem te werken?”
Jef Turf: “Dat is een vraag die het onderwerp ver overstijgt.”

Ronny De Schepper

(*) Waaronder dus ook Miel Appelmans, RDS.

Selectieve bibliografie
Ronny De Schepper, Van protest tot profijt, van labeur tot lawaai, De Rode Vaan nr.39 van 1985.
Michel Ghuede en Richard Kalisz, Il y a folklore et folklore.
Jaap van de Merwe, “Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten. Het proletariërslied in Nederland en Vlaanderen”, Utrecht, Bruna, 1974, 400 blz.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.