De liefde voor de film heb ik niet met de moedermelk ingezogen, evenmin binnen gelurkt via de fles noch opgeslurpt met de paplepel. Het zat er nooit echt in. Toen ik de jaren des puberteits bereikte had ik vermoedelijk nog maar twee films genoten die naam waardig – ik laat hier enkele Dikke en de Dunne-capriolen en consoorten buiten beschouwing, hors concours – en die hoogtepunten hadden zich afgespeeld op vrij prille leeftijd. Sneeuwwitje en The Bridge over the River Kwai. Terwijl onze verder weinig cultuurgevoelige provinciestad toch over drie bioscopen beschikte. Het is duidelijk, mijn ouders waren geen filmfanaten, het witte doek lokte hen niet.

Als gevolg werd het mij, hun emotionele en intellectuele erfgenaam, evenmin vergund kennis te nemen van wat zich aan frivools en/of gewelddadigs ontrolde in het pluchen duister van één der drie inmiddels ter ziele gegane lokalen. Die nu vervangen zijn door één modern complex, waar de consumptiemogelijkheden uitgebreid zijn: niet alleen de ijsbonbons en met chocolade omwikkelde ijsjes tijdens de pauze maar nu is het smikkelen van popcorn, felgekeurde (E…)snoep in puntzakken, chips (bbq, paprika, pickles) terwijl Johnny Depp Katie Holmes in de luren legt, of Leonardo DiCaprio een andere beauty naar de strot grijpt.

Film, het ging mij voorbij, en dat bleek onherstelbaar. Heel vreemd vermits ik later terecht kwam op het RITCS waar ik kennis maakte met heel wat bewegende beelden, o.m. onder de bezielende leiding van Jo Röpcke die ook wekelijks op tv zijn filmrubriek verzorgde. Daar leerde ik houden van de ‘betere’ film. Helaas, de liefde was nooit zo groot dat ik een bioscooploper zou worden; het theater slorpte interesse en tijd op. Film belandde op het tweede plan, of derde na ook nog de literatuur. 

Een nevenaspect hiervan was dat, terwijl rondom mij in de lagere school en de eerste jaren van het middelbare, een aantal knapen dweepten met filmdiva’s, ik weinig affiniteit kende voor die godinnen. Al kende ik hen wel. Er was ook moeilijk aan te ontkomen. Het was niet van filmaffiches dat ze mij toelonkten – helaas bevonden de zalen waar de ontuchtige, frivole en agressieve exploten tweedimensionaal getoond werden, zich ver van mijn wettig toegestane wandelroute huis/school. Maar in zelfs brave boekjes, Libelle, Rijk der Vrouw, werden ze wel eens vermeld – liefst vergezeld van een niet al te prikkelende foto. Vooral echter doken ze op bij wikkels van chocoladerepen, zodat ik hier mijn geringe kennis indien gewenst kon bijspijkeren.

Gewenst? Nauwelijks, mijn interesse was gering. Wat wil je, ik zag hen niet bewegen, ze bleven starre weliswaar fraaie beelden maar zo levenloos; het ontbrak hen aan achtergrond, aan verhaal. Natuurlijk ging er enige bekoring uit van de exotische namen, dit waren niet Marieke of Elsje of Greetje… Dit was Ava Gardner (1922-1990). Inmiddels weet ik dat zij acteerde in ‘Show Boat’ en in ‘The Night of the Iguana’. Soms leerde ik uit een artikel in zo’n damesblad wel eens iets over hun privéleven; nu ja ‘leren’, of ik dat ooit klasseerde in de rubriek boeiend of historisch belangrijk materiaal betwijfel ik. Dat Ava gehuwd was met de acteur Mickey Rooney, daarna met klarinettist en bandleider Artie Shaw die dan weer net gescheiden was van die andere diva Lana Turner. Om tenslotte na zijn scheiding van Nancy, Frank Sinatra aan de haak te slaan.. Wat ook niet zo lang duurde. Dat zij innig bevriend was met Ernest Hemingway las ik ook… of literatuur dan wel alcohol de basis vormden van deze band weet ik niet.

Rita Hayworth (°1918), bijgenaamd ‘the Love Goddess’ , danseres en actrice, deed het nog beter met zo’n vijf huwelijken. Zij versierde o.m. Orson Welles en prins Aly Khan. Terwijl zij schitterde naast Glenn Ford en Fred Astaire. Om in 1987 te overlijden aan alzheimer. Nee dan was Greta Garbo (1905-1990) intelligenter, zij bleef ongehuwd; had wel een lange blijkbaar boeiende relatie met de beroemde dirigent Stokowski en vertolkte interessante rollen als deze van Mata Hari en Anna Karenina. Zij verzamelde zoveel kunst van o.m. Renoir, Bonnard, van Dongen, Kandinsky dat deze miljoenen waard zou blijken. Ook in hààr leven duikt Hemingway op: hij schetste een imaginair portret van haar in zijn roman ‘For whom the bell tolls’.

Ah niet te vergeten, ‘onze’ Audrey Hepburn, immers geboren te Elsene in 1929, al is zij Britse, en overleed zij in Zwitserland in 1993. Tweemaal gehuwd slechts, o.m. met de regisseur Mel Ferrer. Heel wat bekende films op haar actief naast acteurs als Humphrey Bogaert, Gregory Peck, Cary Grant, klinkende namen, dé haantjes van Hollywood. Zij schitterde in ‘The Nun’s Story’, ‘Breakfast at Tiffany’s’, ‘My fair Lady’. Ik mag haar niet verwaarlozen of ik roep ongetwijfeld de vloek van een ganse natie over me heen, de Italiaanse Sohia Loren (°1934 en vermoedelijk nog alive and kicking). Was gehuwd met de regisseur Carlo Ponti. Liet haar goddelijk lichaam en talent stralen aan de zijde van grootheden als Marcello Mastroianni, Clark Gable, Cary Grant, Charlton Heston en Peter Sellers. Met Marlon Brando verscheen zij in ‘A countess from Hong Kong’ van Chaplin terwijl zij een Oscar in de wacht sleepte voor haar rol in ”Two Women’ (1961) van Vittorio de Sica.

Filmdiva’s… ze verschijnen voor mijn geestesoog, puur en zuiver. Brigitte Bardot, zelfs zij, haar prikkelend sexy uiterlijk kon mijn energie en testosteron niet werkelijk in beroering brengen. Liz Taylor, Marilyn Monroe, Judy Garland, Gina Lollobrigida, Ingrid Bergman… Voor deze laatste bewaarde ik later stiekem een boontje, maar pas toen ik haar tenslotte wel aan het werk gezien had en constateerde hoe terecht zij zich bekroond wist met drie Oscars.
Conclusie: deze ooit toch ook tamelijk gezonde puber ging achteloos voorbij aan al dat vrouwelijk fraais dat de media voor hem in petto hadden? Leidde hij een kleurloos bestaan met in zijn kamer kale muren, zonder posters? Nee toch niet. Welke beroemdheden sierden dan zijn dagdromen? Waren het mannen die naar mijn idee zin- en meestal ook doel-loos achter een bal over een grasveld strompelden? Of frisse knapen die elkaar tweewielig achterna zaten om als eerste de top van een heuvel te bereiken, hopend op één zoen van een Franse schone wat het begin en meteen einde van een romance betekende? Absoluut niet, geen interesse. Wat dan wel?

Laat ik eerst even schetsen: toen mijn negen jaar oudere broer huwde haalde ik daar toch twee voordelen uit: een lieve schoonzus en de verhuis van mijn kleine kinderkamer met tuinzicht naar zijn grotere kamer aan de straatkant. Meteen een ruimer bed en grote maagdelijke muren. In dat bed bracht ik, slaaptijd, talloze uren door, héél wakker – met de transistorradio op de buik of tegen het oor gekneld. In het gezelschap van twee vrienden, die zich van een bont gezelschap verzekerden. De eerste was het radiostation Europe n°1, opgericht in 1952. Daar startte men in 1959 met een programma ‘Salut les copains’, gepresenteerd door twee legendes, Frank Ténet en Daniel Filipacchi. Franse pop, wat vaak betekende populaire Angelsaksische deunen voorzien van een Franse tekst en stem; en ook de originelen ontbraken gelukkig niet. Een venster op de 60-er jaren muziek. Daarnaast bleek ook France Inter die moestuin ontdekt te hebben. De naam van het station kwam er pas in 1963, voorheen heette het Paris-Inter en daarna France1. In 1965 sprongen ze daar op de pop-kar met een programma van 22u tot 23u3O, gepresenteerd door José Artur. Het zou lopen tot 2005. Fenomenaal om veel redenen: de intro’s o.m., de generieken zoals lange tijd ‘Sittin’ on the dock of the bay’ van Otis Redding. En de talloze interviews met popsterren en andere beroemd- en beruchtheden. Drijvende kracht José Artur had heel wat in zijn mars, de laatste jaren beschreef hij iedere dinsdag radiofonisch de tekeningen die de volgende dag zouden gepubliceerd worden in Charlie Hebdo en in Le Canard Enchainé…

Inmiddels zal het wel duidelijk zijn dat het geen sporthelden waren die mijn dagen en nachten opvrolijkten met hun medicinaal getrainde spieren, noch filmdiva’s met hun stralende King-of Mentos-glimlach. Mijn verleiding geschiedde auditief. Maar gezien een mens – en ook een puber (een mens in embryonaal stadium zo bleek) – niet leeft bij de gratie van zijn emotioneel gehoor alleen (het oog wil ook wat!) zocht én vond ik… Waar? In de krantenwinkel uiteraard. Maandelijks. Het diende zich aan als op een presenteerblaadje: droeg het niet net dezelfde naam als het favoriete programma, ‘Salut les copains’!

Logisch vermits het de bezielers van de uitzending waren die dit gedrukte kleinood op de markt lanceerden. Stof was er voldoende voorhanden al klinkt dat tamelijk oneerbiedig voor namen als Johnny Hallyday, Eddy Mitchell, Richard Anthony, Claude François, Frank Alamo, Sheila. De Britse en Amerikaanse pop kwam eerder bescheiden aan bod, alleen de heel groten zoals The Beatles, The Rolling Stones en Elvis Presley kregen de plaats die ze verdienden; of soms voor het gerecht niet verdienden want reeds bij het tweede nummer was het reeds raak met een publicatieverbod wegens een cover met een agressieve foto van Elvis – tot kon verklaard worden dat het een beeld uit een film betrof.

Het duo startte met hun papieren versie drie jaren na de muzikale, dus in 1962, en zou dit volhouden tot 2000 – later evenwel niet meer maandelijks maar twee- en tenslotte driemaandelijks. In het eerste nummer was ene Sylvie Vartan over acht pagina’s te zien als mannequin waarmee zij uit haar comfortzone stapte – maar dat zal toch niet onterecht geweest zijn. Helaas was ik toen nog iets te jong, die eerste uitgaven gingen aan mijn neus en aan al de rest van mijn organen en klieren voorbij.

Geen nood, ik haalde mijn schade ruimschoots in dankzij dé huisfotograaf Jean-Marie Périer (°1.2.1940). Hun hofleverancier die eerst zijn sporen verdiende bij Marie-Claire en Paris Match. Zijn biologische vader is zanger Henri Salvador (van ‘Juanita Banana’ en ‘Zorro est arrivé’ en ‘Mange des tomates mon amour’), toen zijn moeder deze in de steek liet, terwijl zij zwanger was om te huwen met de man die de fotograaf tot zijn volwassenheid als zijn echte vader zou beschouwen. Hij was een jazzfanaat en slaagde er in de groten uit die wereld voor zijn camera te halen, Miles Davis, Dizzy Gillespie, Ella Fitzgerald… een visitekaartje voor de popwereld van ‘Salut les copains’. Iedere maand kon ik mij verlustigen aan de glamoureuze foto’s. Glamour… maar vooral artistiek, Périer verstond zijn vak – composities waren prachtig, doch hij wist hen telkens dié toets mee te geven die elke prent een meerwaarde bezorgde. De mens achter de artiest werd getoond, het wezenlijke achter de zanger; er school iets breekbaars in zijn werk. Al was er soms ook een stunt zoals de befaamde ‘Photo du siècle’ in 1966 toen hij er in slaagde maar liefst 46 zangers – de beroemdste – samen te brengen om hen op zijn gevoelige plaat te vangen (foto YouTube). Zesenveertig, én nr. 47 was Chouchou, de mascotte van het tijdschrift, het ventje met het Beatleskapsel, de handen nonchalant in de zakken van zijn jeansbroek: hij werd een hype, merchandise verzekerd, hij is als sleutelhanger nog zeer gegeerd! Périer zou zich nog ontpoppen tot filmregisseur in twee films met o.m. Jacques Dutronc.

Foto’s daar draaide het grotendeels om in het tijdschrift, maar ook info, interviews, een hitparade, de populaire maandelijkse rubriek ‘J’aime… je déteste’ waarin een vedette telkens haar of zijn voorkeuren of afgrijzen blootlegden (iets als ‘De 7 hoofdzonden’ van Humo), liedjesteksten die ons in staat stelden luidkeels een en ander mee te brullen. Meteen een fraai excuus voor deze vier-wekelijkse aankoop: ik spijkerde mijn talenkennis bij, lezend en zingend, en vooral: foto’s savourerend…
Wie genoot zoal het dubieuze voorrecht mijn kamerwand met haar zwijgende roerloze aanwezigheid te sieren? Het is een contradictie met wat ik inleidend verkondigde, er werd een mooie plaats aan mijn muur geruimd voor een jongedame die zich vooral binnen het filmmilieu profileerde. Mijn excuus: ik kende, en ken haar nog, hoofdzakelijk via haar liedjes, haar zangcarrière. Marie Laforêt, 5.10.1939 – 2.11.2019. Acteerde in meer dan zestig films o.m. in ‘Plein Soleil’ (1960) van René Clement, gebaseerd op ‘The talented Mr.Ripley’ van Patricia Highsmith, naast Romy Schneider en Alain Delon. Even later zou zij te zien zijn naast Charles Aznavour in ‘Le Rat d’Amérique’. Haar carrière was gestart in 1959 onder de hoede van die andere regisseur Louis Malle in een film die uiteindelijk diens lijst van afgewerkte producten zoals ‘Au revoir les enfants’ en ‘Le souffle au coeur’ niet zou halen, en waarvan louter de titel op het kerkhof van de cinematografie overbleef ‘Libertés’. Film en toneel, maar ook muziek, drie passies, en het was dankzij deze derde dat ik haar leerde kennen. Een vierde: zij huwde vijfmaal en liet zich even vaak scheiden, maar of dit een passie of een hobby was? Het tweede lied dat zij op het publiek losliet, in 1963, was geschreven door de zanger van Armeense herkomst Daniel Gérard (deze van ‘Butterfly’): ‘Vendanges de l’amour’, een nummer dat naar het hart, naar de ziel en ook nu nog naar al de rest van mijn oude corpus grijpt. “Nous les referons ensemble demain les vendanges de l’amour, ceux qui se quittent un jour. Et le soleil de bel âge brillera après l’orage un beau matin pour sécher nos pleurs”. Twee jaren later verraste zij nog eens met een bewerking door Pierre Barouh die ook voor onderlijning bij de film ‘Un homme et une femme’ instond, van ‘Katy Cruelle’, de ‘gewetenloze’ die op haar zestiende een eerste minnaar versierde: “Lorsque j’étais enfant tout en écoutant le vent je partais en rêvant tout au bout de la terre. Où vas-tu Katy sans coeur? Je vais où va le vent… je suis la fille du vent.” In 1966 oogstte Laforêt succes met twee vertalingen, gebruikelijk in chauvinistisch Frankrijk, vaak nogal ergerlijk voor wie vertrouwd was met de originele versies; hoewel ook de Franse versies meestal niet slecht waren… ‘Marie-Colère’ bleek niks minder te zijn dan ‘Paint it black’ van The Rolling Stones, van ‘The sound of silence’ naar ‘La voix du silence’ was een klein stapje… hier verzorgde Richard Anthony de tekst voor Laforêt. Een jaar later was er de song die misschien als enige echt populair werd in Vlaanderen, die in ieder geval af en toe de ether nog eens bereikt, ‘Ivan, Boris et moi’, nostalgie over de jongemeisjes-jaren, hoe vier meisjes op stap gingen met drie jongens – en nu, de vluchtige telefonische contacten, over huishouden, kinderen… Vertalingen? Respect, liefde voor het origineel en zijn vertolkers… In 1977 brengt zij een ode, of liever zingt zij haar leedwezen uit over het feit dat the Beatles niet meer bestonden op een tekst van Michel Jourdan, ‘Il neige sur yesterday’: “Yellow Submarine fût englouti, Jude habite seule un cottage à Chelsea. Le vieux sergent Pepper a perdu ses medailles, Lady Madonna a tremblé mais ce n’était pas de froid, il a neigé sur yesterday…”. Het heeft inderdaad op het verleden gesneeuwd, de jaren van la Laforêt raakten ondergesneeuwd – zij is niet meer. En natuurlijk is ook haar foto reeds lang van de muur van mijn jongenskamer verwijderd – ik vertrokken, de ouders wijlen, het huis in andere handen, – en al de tastbaarheden verpulverd.
Zo verging het ook haar twee rivalen. Nu ja, in de hitparade concurreerden ze misschien, niet in het leven; evenmin in mijn liefde of genegenheid, bewondering, aanbidding, hoe men het ook wil betitelen. Al bezat ik toch wel de grootste boon voor Françoise Hardy. Zij leek mij een beetje meer toegankelijk dan de mysterieuze ‘Katy Cruelle’ die voor mij een romantisch personage bleef, onwezenlijk, niet benaderbaar… ik wist toen ook weinig over haar, er waren die enkele liedjes, ik bezat een EP (vier nummers bevatte die), de foto’s… Nee dan Françoise, haar ontmoette ik in artikels, ik leerde haar kennen via interviews, zij werd duizendmaal gefotografeerd, en de songs kwamen ook over de grens binnen – wat ze nog steeds doen. ‘Tous les garçons et les filles’, ‘Mon amie la rose’, ‘La maison où j’ai grandi’… ze worden nog vaak gedraaid op de nationale en andere (niet alleen nostalgische voor aan jicht lijdende hardhorige luisteraars) zenders. Geboren te Parijs op 17 januari 1944. Betoverend mooi met haar donkere lange haren, slanke figuur (‘de asperge’ noemde zij zichzelf gekscherend) – logisch dat zij maandelijks zo veel te kijk stond in ‘Salut les copains’. Daar was nog een reden voor: gedurende de eerste jaren van haar carrière was zij de vriendin van fotograaf Périer, de snoodaard, de onderkruiper, het duivelsgebroed! Het was dus met gemengde gevoelens dat ik dagelijks haar beeltenis, veelvuldig aan de wand bevestigd, bekeek: zij prachtig, maar vastgelegd door mijn medeminnaar. In 1962 vloog zij de hitparade binnen met dat nummer waarvan zij de tekst schreef ‘Tous les garçons et les filles’, er werden twee miljoen exemplaren van verkocht en het is nog steeds vaak te horen. Ook in coverversie van Timi Yuro, the Eurythmics, Carla Bruni, Gigliola Cinquetti en vele anderen, zelfs in het Zweeds en het Vietnamees; het heeft haar en componist Roger Samyn geen windeieren gelegd. Ook voor het nostalgische ‘La maison où j’ai grandi’ (1966) schreef zij de tekst. Niet voor ‘Mon amie la rose’ dat in 1964 verscheen, Cécile Caulier tekende hier voor de breekbare woorden, Jacques Lacombe voor de muziek. Inmiddels had zij, in 1963, voor Monaco deelgenomen aan het Eurovisiesongfestival met ‘L’Amour s’en va’. Zij behaalde de vijfde plaats, broederlijk naast Alain Barrière die dat deed voor Frankrijk met ‘Elle était si jolie’ – beide bleken heel wat succesvoller met hun liedjes dan winnaar Denemarken en de andere concurrenten die hoger genoteerd stonden… Voor België eindigde Jacques Raymond op de tiende plaats met ‘Waarom?’. ‘Comment te dire adieu’ was een tekst van Serge Gainsbourg. ‘Je ne suis là pour personne’ en ‘Dis-lui non’, nog twee hoogvliegers die ik met rode oortjes uit mijn transistor opzoog, schreef zij zelf. Hoe graag had ik haar ooit op een scène gezien, in de spots, zich begeleidend op de gitaar. Mijn dag- en nachtdromen. Soms had men de goedheid haar te laten horen in de eigen opnamen in het Duits, Engels, Spaans, Italiaans. Zij slaagde er in haar carrière verder te zetten, maar de vele nieuwe albums bereikten ons land niet meer, de golf van het succesvolle Franse chanson was voorbij. En wat men ook beweerde, dat Françoise Hardy het Franse antwoord op the Beatles was…? Om tegen die heren op te tornen in haar eentje! 
Al bleef zij niet alleen, in 1981 huwde zij haar collega Jacques Dutronc – het koppel had reeds lang een LAT-relatie (hij woonde in Montecello, zij in Parijs) en daaruit was in 1973 een zoon Thomas Dutronc geboren. Het is alles te lezen in haar autobiografie die in 2008 verscheen ‘Le désespoir des singes.. et autres bagatelles’, in het Nederlands weinig spiritueel vertaald als ‘De autobiografie, een roemrijk vrouwenleven’. Geacteerd heeft Françoise Hardy ook, o.m. in de film van Roger Vadim naar het toneelstuk van Françoise Sagan ‘Château en Suêde’ (1963) en in ‘What’s new Pussycat’ van Clive Donner. Vermeld ik nog dat Bob Dylan haar honoreert in zijn gedicht ‘Some other kind of songs’! Helaas zette de kanker in 2004 een punt achter haar optredens en artistieke ambities, vooral toen een tweede aanval in 2015 haar vloerde; in december 2019 werd zij opgenomen in het ziekenhuis… en momenteel? Ach Françoise, een engel, mijn ‘anima’, het meisje van mijn puberjaren… nee, zij bleef daarvoor teveel een godin, de afstand was te groot.
Die bleek kleiner ten overstaan van de derde in de rij, Sylvie Vartan, °Iskretz 15.8.1944, Bulgaarse origine (vader; moeder Hongaarse). Het gezin vluchtte weg uit Bulgarije naar Parijs in 1952 en reeds in 1961 nam Sylvie Vartarian (haar echte naam) een eerste plaatje op dankzij haar broer, muziekproducer Eddie Vartan: ‘Panne d’essence’. Haar performance, onschuldig uiterlijk, en de genrekeuze bezorgden haar in de pers de naam ‘La collégienne du twist’. In 1962 toerde zij met Gilbert Bécaud, een jaar later met Johnny Hallyday met wie zij de film ‘D’où viens-tu, Johnny’ zou opnemen. In 1965 huwden ze, een zoon David zou uit deze gemeenschap die duurde tot 1980, geboren worden. Hij verwierf bekendheid als componist, drummer, pianist… en F3-piloot. Sylvie hertrouwde in 1984 met de producer Tony Scotti. Inmiddels had haar muzikale carrière een hoge vlucht gekozen met titels als deze van Carole King, ‘Le loco-motion’ en vooral het swingende ‘La plus belle pour aller danser’ op tekst van Charles Aznavour dat net als het even succesvolle ‘Si je chante’ op de lp ‘Sylvie à Nashville’ uit 1964 prijkten. Dat jaar stond zij 41 keren op de bühne als support act van The Beatles naast Trini Lopez. En verscheen zij in de Ed Sullivan-show. En langzaam begon zij ook aan een filmcarrière: zo’n tien films leverde dat op waaronder ‘Malpertuis’ van Harry Kümel naar de roman van Jean Ray waar zij de rol van Bets vertolkte. Vartan deed wat wel meer popzangeressen ambiëren, zij opteerde voor een ander genre en ging zich wijden aan de jazz. Twee autobiografieën verhalen haar levensloop… 

Drie dames die zusterlijk mijn kamer en mijn dromen bevolkten. Wie de toenmalige hitparade bekijkt kan terecht de vraag opwerpen: waar is France Gall (9.10.1947-7.1.2018)? Met haar zijn twee vreemde dingen aan de hand… Zij genoot inderdaad mijn belangstelling niet ondanks liedjes als ‘Sacré Charlemagne’ (1964) en het controversiële ‘Annie aime les sucettes’ (1966), te dubbelzinnig voor veel radiostations. Net als dat hijglied uit 1967, voor Brigitte Bardot geschreven door Serge Gainsbourg, geïnspireerd door Picasso, maar pas twee jaren later beroemd/berucht geworden in de versie met de auteur zelf en Jane Birkin, ‘Je t’aime… moi non plus’. Gainsbourg was het die voor France Gall haar grote succes schreef: ‘Poupée de cire, poupée de son’ waarmee zij in 1965 te Napels het Eurovisiefestival won. Dat zou het andere bizarre element zijn: in mijn povere gevulde platenkast van die jaren trof je de zoetgevooisde zwoele stembanden van mijn godinnen niet aan. Ze kwamen tot mij louter via een kleine Grundig transistor, door mijn vader gekocht in Duitsland. En – geluidloos – dankzij hun foto’s. Later bezat ik een koffergrammofoon, daarna een betere Dual. Maar één der eerste plaatjes in mijn bezit was die winnaar van France Gall, een geschenk van mijn broer. Het werd wachten op nieuwe technologieën en weemoed: pas dan haalde ik mijn lievelingen op cd en in compilatie, hun successen verzameld, binnen bereik. Terwijl France Gall een tweede adem gevonden had eind jaren tachtig met prachtige nummers van Michel Berger die ook onze contreien moeiteloos veroverden, ‘Babacar’, ‘Ella, elle l’a’, ‘Evidemment’ en ‘Il jouait du piano debout’ (1993).
Overgestapt naar de wereld van de Angelsaksische pop, fan van the Beatles en daarna Rod Stewart, waren er dames die ook daar, of later, mijn belangstelling genoten. Nico, Annie Lennox, Janis Joplin, en bovenal Marianne Faithfull die ik bovendien literair omarmde. Was ik mijn engelen ontrouw, de godinnen uit mijn puberteit… allerminst. Nooit vergeten, steeds gekoesterd in een – weliswaar duister stoffig hoekje – van mijn geest en hart. De foto’s, vergeeld, gekreukt, gescheurd, ze verdwenen allen. De moderne media stellen me in staat hun beeld met het beroeren van enkele toetsen op te roepen; hun muziek tover ik even gemakkelijk tevoorschijn. Weemoed, nostalgie, herinnering… of dit de échte sentimenten van mij als dertien-, veertienjarige benadert… dagen, maanden, jaren werpen een schaduw over zelfs de zonnigste plekjes van de jeugd. Desondanks, de uren memoreren, ze waren mooi, “On est bien peu de chose, et mon amie la rose me l’a dit ce matin, à l’aurore je suis née… me suis fermée la nuit, me suis réveillée vieille; et je serai poussière pour toujours demain”.     

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.