Tien jaar geleden schreef ik al eens een artikel met deze titel, waarin ik het dan ook heb over de voorgaande keren dat de Tour in Nederland is gestart. Maar vijf jaar geleden ging de Ronde van Frankrijk dus van start in Utrecht – al zal dat zonder fiets (zie foto) wel enige problemen opleveren, maar allé, het had erger gekund: als de Tourstart was voorzien in de Schilderswijk van Den Haag bijvoorbeeld…

“Wielrennen was en is nog steeds een katholieke sport! Kijk maar naar de landen waar het is ontstaan: Italië, Spanje, Frankrijk en België. Allemaal katholieke bolwerken. Zelfs in Nederland vond en vind je bijna uitsluitend katholieken die koersen. Het bedrog, de leugens en het gesjoemel die in het wielrennen altijd hebben bestaan en die steeds weer met de mantel der liefde worden bedekt: dat verwijst toch naar het katholicisme. Drie weesgegroetjes en het is je vergeven! En het is mijns inziens nog steeds zo. De kruiperige devotie van de supporters voor die in blitse pakken gestopte renners met zonnebrillen die misschien wel vol EPO zitten, dat doet toch denken aan de slaafse onderdanigheid waarmee de katholiek naar het kerkelijke gezag opkeek! Weet je wat ik het mooiste vind? De ochtend voor Milaan-San Remo, als Bartoli, Bugno, Chiappucci en al die anderen in Milaan op dat plein staan en zich door een priester een kruisje laten zetten. En enkele uren later staan ze de boel misschien weer te belazeren. Ik zal dat nooit begrijpen. (…) Het wielerpubliek wil de waarheid niet kennen. Als je er niet over spreekt, is het niet gebeurd. (…) Maar laat in godsnaam nooit iemand zeggen dat er een hardere sport dan wielrennen bestaat of een mooier evenement dan de Tour. Goed, ultra-triatlon is misschien nog zwaarder, maar dat is geen sport meer. Dat is waanzin. Die lui moeten ze gewoon opsluiten.” Aldus de Nederlandse wielerreporter Mart Smeets in de Gazet van Antwerpen van 26/4/1997.
Het is dan ook niet toevallig dat het wielrennen in Nederland iets later is doorgedrongen dan in de katholieke zuiderse landen. In “Een Halve Eeuw Wielersport” van G.Hoogenkamp staat het volgende opgetekend over de eerste Olympia’s Tour: “Het buitenlandse voorbeeld had aanstekelijk gewerkt en, dankzij de lofwaardige bemoeiingen van de A.S.C.Olympia, werd dan ten onzent ook eindelijk een rondrit door het gehele land gehouden. De wedstrijd die op 19, 20 en 22 augustus 1909 verreden werd, was een groot succes. Op de eerste dag werd het traject Amsterdam‑Maastricht (249 km) verreden, dat eindigde met een overwinning van Chris Kalkman vóór van Staveren, Fransen, de Visser en van de Pol enz., in totaal 12 man, die over de afstand 10 uur 12 min reden. De volgende dag werd Maastricht‑Groningen (322 km) verreden. Op dit gedeelte werd M.Gooy overwinnaar voor Kalkman en als derde werden geklasseerd: van Staveren, van de Pol, Fransen, Peereboom en Wentink. Door aanrijding van een wagen kwam de hoofdgroep van 8 man ten val. De gebruikte tijd was ongeveer 14 1/2 uur. Na een dag van rust werd het traject Groningen‑Amersfoort (171 km) aangevangen. Het weer was nu nat en guur geworden en de renners werden met slijk overdekt. Achilles (pseudoniem voor B.Mulckhuyse) won dit stuk voor Kalkman, met als derde van Staveren en Peereboom als vierde. De tijd van de hoofdgroep was nu 7 uur en 7 minuten. De totale classificatie werd daardoor de volgende: 1. Chr. Kalkman 5 pnt; 2. G.van Staveren 8 pnt; 3. M.Gooy en Achilles 12 pnt; 4. A.van de Pol 15 pnt; 5. G.H.Fransen 16 pnt; C.Peereboom 17; C.de Visser 22; J.Wentink 25; C.van Dam 25; L.Groussot 27; Joh.Hönemann 27; M.Simmermans 31; J.C.Konz 37 en A.Bellersen 39 punten. Deze 15 deelnemers reden den geheelen tour uit.”
Ook in Nederland werd op een bepaald moment, in 1913, door de Minister van Verkeer en Waterstaat verboden nog langer wegwedstrijden te houden. Dat jaar en het jaar daarop werd het Nederlands kampioenschap dan ook in België verreden (tussen Gent en Brussel). Alhoewel het verbod na de oorlog zou worden opgeheven, was dit toch één van de redenen waarom het baanrennen in Nederland oorspronkelijk populairder was dan het wegrennen.
Toch zou het nog tot 1933 duren vooraleer er voor het eerst een zesdaagse plaatshad. Uiteraard was dit in Amsterdam, maar de kaartjes waren zo duur dat het geen succes werd. Daarom schakelde de organisatie de legendarische radioreporter Han Hollander in die op dode momenten toch nog commentaar gaf alsof er gevlamd werd dat de stukken eraf vlogen! Toen op de koop toe de legendarische zesdagenrenner Jan “Kanonbal” Pijnenburg bij een val zijn sleutelbeen brak, maar toch bleef meespurten, kwam het publiek dan toch nog op het spektakel af.
Pijnenburg (die zijn naam dus alle eer aandeed) won die zesdaagse samen met zijn al even legendarische ploegmaat Cor Wals. Toch wordt over Wals minder gesproken. Hij werd tijdens de bezetting van Nederland door de nazi’s immers lid van de SS en verloor zo het aanzien van de wielerliefhebbers. Toen hij in 1941 kampioen werd in een shirt van de SS, wilde niemand hem de bloemen overhandigen, zodat men een terreinknecht moest dwingen het te doen. Tijdens zijn ereronde werd hij bekogeld met zitkussentjes. Als reactie meldde Wals zich vrijwillig aan voor het Oostfront. Lange tijd werd het verhaal verspreid dat hij bekend stond als een bloeddorstige kampbewaker en dat zijn voornaamste slachtoffer in het concentratiekamp van Neuengamme Jan Van Hout zou zijn geweest, gewezen uurrecordhouder en toevallig ook uit Eindhoven. Van Hout overleefde de martelingen niet. Wals zelf kwam ervan af met enkele jaren gevangenisstraf en – ongelooflijk maar waar – huwde de weduwe van Van Hout. Hij is pas in 1994 overleden. Enkele jaren na zijn overlijden werd dit verhaal echter tegengesproken door onderzoeksjournalist Dominique Elshout van het blad Achilles.
Tijdens de oorlog nam de belangstelling voor de zesdagen spectaculair toe (escapisme ongetwijfeld) en dus was dit voor mensen als Schulte, Derksen en Van Vliet een gunstige periode, ook al omdat zij probleemloos visa konden krijgen om te gaan koersen in Denemarken, Duitsland, Italië en zelfs in het neutrale Zwitserland. Bovendien was er reeds van vóór de oorlog (als gevolg van de Wall Street Crash) een afspraak dat baanrenners op basis van de recette zouden rijden, juist omdat er een grote crisis was en de toeschouwers wegbleven, maar nu had dit dus een omgekeerd effect. Banden- en benzinegebrek maakten wel o.m. stayerswedstrijden onmogelijk.
In 1942 kwam een verordening die joden uitsloot van wedstrijden. Toen het slechter begon te gaan met de Duitsers werd wedstrijdsport uiteindelijk wel op 14 september 1944 verboden. Het baanwielrennen zou zich daarvan niet echt herstellen, maar wegrenners worden van dan af wel populairder. Toch bleef de andere opvatting over het wielrennen zich doorzetten o.m. door een merkwaardige afkeer voor sponsors. In de Ronde van Nederland startten de ploegen oorspronkelijk dan ook onder een algemene naam (Nederland A, België B…) in plaats van de sponsornaam. In 1948 b.v. waren er – op papier – wel degelijk 12 ploegen (6 regionale Nederlandse ploegen + 2 Belgische + een Zwitserse, een Italiaanse, een Franse en een Luxemburgse) aan de start, maar volgens bepaalde bronnen droegen de renners gewoon hun club- of merktrui en waren er dus geen afzonderlijke truien voorzien, tenzij voor de leider (de traditionele oranjetrui).
Maar andere tijden, andere zeden. Het zal menigeen verwonderen dat Sauna Diana uit Zundert, die wel degelijk op de eerste plaats een relaxsauna is, zoals dat dan deftig heet, het wielrennen sponsort. Dat wordt echter al begrijpelijker als men weet dat het bedrijf wordt uitgebaat door Corrie en Frans Siemons, de ouders van oud-beroepsrenners Jan en Marc. Zij hebben wellicht ook in 1995 de pornoketen “Erotic Discount Centre” als sponsor in het wielrennen geloodst.
Op 24/07/2005 deelde het Nederlandse persbureau ANP dan weer mede dat modekoning en voormalig wielrenner Theo Sijthoff afgelopen donderdag in zijn woonplaats Brecht in België was overleden. De Nederlander werd 69 jaar. In de jaren zestig en zeventig was Sijthoff actief als wielrenner. Later werd hij een bekend couturier. Hij heeft onder meer kleding voor koningin Beatrix ontworpen. Ook tal van film- en tv-sterren wisten de weg naar zijn winkel in Rotterdam te vinden. Op het toppunt van zijn roem had hij 38 mensen in dienst. Later gingen de zaken minder. Bovendien was hij al jaren ernstig ziek. Ondertussen bouwde de Vlaamse wielrenner Jean-Baptist Claes in ons eigen land een heel imperium uit van vrijetijdskledij (J.B.C.).
Anders verging het echter Wim Koopman. Volgens Fred van Slogteren is dat nu een dakloze zwerver in Rotterdam die in het kleine park aan de Maas de nacht doorbrengt. “’s Ochtends vertrekt hij met zijn racefiets (nou ja iets met een krom stuur) op weg naar de jacht op voedsel, drugs of wat dan ook. Hoewel hij al een zestiger moet zijn houdt hij dit leven al jaren vol. Geestelijk is hij volkomen de weg kwijt, want er komt geen zinnig woord meer uit. Als hij staat dan staat het bovenlichaam bijna haaks op het onderlichaam. Een stumperd, maar helaas zijn dit soort mensen niet te helpen. Je moet maar hopen op weer een zachte winter. Rotterdam zit vol met dit soort stumperds. Een groot schandaal dat we daar als fatsoenlijke samenleving geen oplossing voor weten.”
Henk Bruijntjes bevestigt dit verhaal en voegt eraan toe dat hij ook Wim z’n eerste (en laatste?) vrouw Nel heeft gekend. “Later heb ik meegemaakt dat Wim en Nel hun eerste zoon Omari hebben genoemd. Naar de Russische (Armeense) sprinter Omari Phakadze. Een wereldsprinter, Wereld- en Olympisch kampioen maar inmiddels overleden. Wim was een groot bewonderaar van hem. Ik heb Wim in de jaren zestig heel goed gekend. Op verzoek van Jan Derksen, die toen KNWU-baancoach was, heb ik om Wim de gelegenheid te geven om optimaal te kunnen trainen op de baan van het Olympisch Stadion bij mij in huis genomen. Ik woonde toen in Amstelveen, op een steenworp afstand van het O.S.”
“Zowel Jan als ikzelf, maar ook anderen waarvan ik de namen nog wel zou kunnen noemen, waren van mening dat de toen nog jonge wielrenner Wim Koopman zoals zoveel jonge renners in dié tijd maar ook in deze tijd, niet ál te gedisciplineerd leefde voor zijn sport. Met andere woorden, Wim had naar onze (mijn) mening als renner meer mogelijkheden dan dat er tot dán toe uit was gekomen. Maar dan moest zijn training, schuine streep leefwijze, wél geoptimaliseerd worden. Jan vond dat als Wim bij mij in huis zou gaan wonen en er wat meer regelmaat in z’n leventje werd gebracht, dat zijn sportieve prestaties ten goede zou komen.”
“Zo gezegd, zo gedaan. Er is toen een band tussen Wim en mij gegroeid waarin alles wat in zijn kop speelde bespreekbaar was. Of dat nou om geld ging waarvan hij wel iets nodig had, of liefdesproblemen of zaken die met zijn ouders te maken hadden, ik was voor hem een vraagbaak/praatpaal. Overigens deed ik dat graag en dat ging me als amateur-psycholoog die ik soms kan zijn gemakkelijk af. Het doel van de hele onderneming was om voor hem zo goed mogelijke voorwaarden te scheppen om te presteren.”
“Maar ook daarnaast, heb ik veel met Wim beleefd op onze buitenlandse reisjes die een gevolg waren van uitzending door de KNWU naar sprinttornooien en uitnodigingen door buitenlandse organisatoren. Want Wim was uiteraard Nederlands kampioen sprint. Maar dingen vergaan, zo ook de band die ik had (en ik hoop hij met mij) met Wim Koopman. Natuurlijk denk ik zo af en toe daar nog weleens aan. Zo ook dus die avond dat ik hem trof, jaren geleden, in Rotterdam.”

Aan de andere kant van het spectrum rijden er nu ook al professoren rond in het profpeloton. Om de ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Rolf Gölz wat op te vrolijken, heeft Jan Raas destijds diens vriend Drs.Peter Gänsler in dienst genomen. De heer Gänsler hoopte nog voor het begin van het wielerseizoen zijn doctorstitel in de bedrijfseconomie binnen te rijven. Daarnaast zat in de ploeg van de confectiepakken ook nog een Belgische licentiaat wiskunde (Jan Mattheus). Spijtig dat psycholoog Maarten Ducrot naar de WC‑papier‑ploeg van Walter Godefroot was overgestapt, want anders kon er nog wat afgelachen worden samen aan tafel na een zware bergrit! Dat is nog eens iets anders dan Eddy Planckaert die deuren uitbreekt of Vanderaerden onderspuit met het brandblusapparaat. En wie legde er alweer drollen in andermans sporttas? Maar die tijd is dus onherroepelijk voorbij. Onze Flandriens hebben nu ook al kaas gegeten van cultuur. Misschien kan Marc Reynebeau uiteindelijk toch nog als sportreporter aan de slag?

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.