Gewekt door die meer dan irritante stoomfluit van de op een afstand van 900 meters gelegen – in vogelvlucht (en meer hoeft het geluid niet te overbruggen!) – fabriek. Vijf voor halfacht. In mijn halfslaap dringt het besef door: blijf maar wakker want dit is slechts de eerste oproep: de verwittiging ‘rep jullie’. Over vijf minuten toetert dat verdomde ding weer: opdat ik nog eens twintig centimeters hoog boven mijn matras opschrik en de arbeiders weten dat ze aan de slag moeten.

Het ontwaken is niet eens het ergste. Vreselijkst is dat dit geluid mij steevast visioenen bezorgt uit het tijdperk van priester Daens. Aalst. De industriële revolutie. Arbeiders, mannen en vrouwen, loonslaven, uitgebuit, die naar de donkere ongezonde werkplaatsen sjokken. Hongerlonen. Vervuilde kinderen, graatmager, hologig, lompen. Grauwe stegen. En regen, veel regen. Of mist. Het wordt één van die dagen. Ik besef het.

Hoera. Alsof hij er op gewacht had begint de Turkse tortel die al een eeuw zijn kampement in onze dakgoot opgeslagen heeft te roekoeën. Waarna prompt zijn maatje, of wederhelft, die drie huizen verder met hem in LAT-relatie leeft, ergerlijk enthousiast een goeiemorgen uitzendt. Verdomd toch. Dat ze stil gaan samenhokken, dan kunnen ze hun pornografische ochtendgroet in elkaars oren fluisteren. Ik heb geen boodschap aan hun getroetel. Laten ze gezellig ergens onder hun tweetjes ontbijten – eerst naar de bakker en dan…

Verduiveld, ik ben nu wel heel plots klaarwakker. Het is maandag, ook dat nog. De bakker is gesloten vandaag. Geen verse croissant dus. Alsof een mens op maandag niet moet eten. Niet van een verse, liefst nog warme croissant mag genieten – wellicht het enig vreugdevolle ogenblik in zijn troosteloze dag. Nee, de bakker verdient genoeg op zondag. Hij verkoopt dan voldoende peperdure taartjes. Kassa! Wat zou hij zich bekommeren om die schamele croissants die hij aan mij kwijt kan op maandag aan 1,10€. Sluiten dus. Mijnheer eet wel een oude boterham. Zal ik me nog eens op mijn andere zijde leggen? Of ik begin dan te piekeren, of ik kom in een nachtmerrie terecht en ontwaak pas over een uur. In beide gevallen geen beste start voor een glorieuze dag. Nee dus.
Beide voeten (opletten dat het linkerbeen niet eerst uit bed geslingerd wordt, onheil!) belanden op het ijskoude linoleum. Welkom in de wereld. Bienvenu dans la réalité. Wat een sensatie. Erger dan een elektroshock. Ooit gepoogd dit te ondervangen door een matje op de precieze plek te voorzien – gegarandeerd schoof ik gezien de onverhoedse beweging, met mijn slaperige kop en de rest van mijn op dat ogenblik weinig edel lijf onderuit. Afgevoerd dat moordwapen.

Ja, beneden is het anders: vloerverwarming. Ons aangesmeerd op een blauwe maandag, het kan ook een andere weekdag geweest zijn (geen weekend want dan waren die uitbuiters hun percentjes aan het tellen of mijn zuurverdiende centen aan het omzetten in Strottarga Bianco kaviaar en Glenfiddich 1937 whisky). Heerlijk toch altijd warme tenen, zo verzekerden ze. Vast en zeker. Altijd dikke benen. Altijd gezwollen voeten. Dus leg ik ’s avonds mijn koude stelten in mijn nek, krijg kramp in mijn kuiten terwijl de dure warmte behaaglijk ergens diep beneden mij opstijgt om zich op het plafond te vermeien.

Pantoffels zoeken – die liggen nooit waar ik hen ’s avonds achterliet; het is me een raadsel hoe zij zich iedere nacht zelfstandig verplaatsen maar ze doen het toch maar. Ik heb al gedacht een nacht wakker te blijven om hen te betrappen op het cruciale ogenblik van de misdaad. Helaas, ze zijn sluw en slim. Naar de badkamer nu. Irritant, een haar kronkelend vastgekleefd in het stuk zeep dat ik ter hand neem, vies. Hoe flikt zij dat toch. En ja, voor de duizendste keer… die tube tandpasta – steevast moet die fout geknepen worden. Goed, het zijn kleine ergernissen maar ze zijn er. Iedere dag. Het eerste uur kan niet meer stuk, dat heb ik al begrepen. Redden wat nog te redden is. Misschien brengt het ontbijt soelaas. Hoewel. Zoveel hoop… Dat is het lot tarten.
Het is duidelijk dat het een eenzame maaltijd wordt, de wederhelft heeft de tafel reeds verlaten met het achterlaten van de nodige ravage. De broodzak ligt open in de verwachting dat mijn boterhammen zich zo vlug mogelijk richting uitgedroogde staat begeven. De potten die de ingrediënten choco en confituur bevatten staan mij dekselloos op te wachten – een kleine attentie, ik hoef hen niet te openen, en ook de vliegen weten dit kleine gebaar ten volle te appreciëren.

De etiketten vermelden altijd dat ik 25 of 30 porties van de beloofde substantie kan aantreffen eens het deksel losgeschroefd is (een klus waarvoor ik soms de doe-het-zelver van de familie ter hulp moet roepen). Wat een onzin. Heeft een voedingsdeskundige hier de hand in, speelt een sadistische diëtiste hier voor oppergod. Wie bepaalt de grootte van mijn persoonlijke portie. Indien ik deze pot rabarbergelei of deze AH Chocospread van 750 gr hic et nunc uitlepel, dan is dit vandaag mijn portie en een knappe jongen die er dan nog 24 uit weet te toveren.

Dat er inmiddels nog slechts een halve kop koffie in de kan zit – er wordt zelfs aan mijn gezondheid en mijn zenuwgestel gedacht, cafeïne is nu eenmaal niet zo goed. En te hete drank evenmin – gelukkig zijn die resterende 53 druppels heerlijk lauw. Mits toevoeging van enige koude melk uit – jawel, de doos die ik tenslotte na enig speurwerk à la Sherlock Holmes leeg in de vuilnisbak ontdek – niet dus, zal werkelijk alles meevallen vanochtend, loof den Here. En ja jongen, ik weet dat jij naar buiten wil. Ik weet dat jij mij geen seconde rust gunt, dat ook jij bekommerd bent om mijn fysiek welzijn en mij wil laten bewegen. Bijzonder nobel. Dat je meteen die volle blaas wil ledigen en naar dat teefje van de buren lonken, dat is mooi meegenomen. Zo gaat dat iedere door god en Bas geschonken ochtend. Bas zijnde de voor onze dochter aangeschafte, door de eega miskweekte, en de mij tiranniserende dashond.  
Zodoende, trachtend een verharde korst met behulp van enkele druppels koude bittere drab door mijn keelgat te wurmen, nog hinkend op één voet terwijl ik probeer de andere in een schoen te wringen, sleurt dat kortpotig mormel me de deur uit. De straat op. Waar hij ten aanschouwe van de overbuurvrouw, het enige fraaie exemplaar uit de wijk, omstandig de poot opheft en uitdagend… enfin u begrijpt het – zo’n beest kent geen schaamte. Hoewel hij amechtig hijgt – te dik, overvoederd met mijn zuurverdiende centen – slaagt hij erin mij met zijn kromme wanstaltige stompen in ijltempo mee te slepen.

Wat verrichten al die jongeren op straat op dit gezegend uur? Moeten zij met hun vereelte zitvlak de schoolbank niet teisteren? Het zal wel weer zo’n ‘pedagogische studiedag’ zijn voor het onderwijzend personeel, een alibi om gezellig urenlang te roddelen, koffie slurpend en Lotusspeculaasjes knabbelend op kosten van de kas van het oudercomité. Terwijl de aan hun zorgen toevertrouwde toekomst van het land zich overgeeft aan bandeloos gedrag en de stad onveilig maakt, zich uit verveling overlevert aan gedachten die voortspruiten uit de abominabele opvoeding die zij thuis mag genieten; ideeën en plannen uitwerkt om de burger roodvonk, mazelen, indigestie en zenuwinzinkingen te bezorgen, de boel en alles er omheen om stelten zet met ADHD als psycho-medisch excuus. Zich een weg baant naar de volwassenheid.

En die vrouwen, wat een parade. Is het werkelijk een noodzaak dit getrippel onder het mom van boodschappen, iedere dag. Hoe nobel. De zorg voor man en kind. Het binnenhalen van voedselvoorraad, de jacht, de visvangst, de groentenkweek – op naar de kassa. In de rij, in het gelid, voor een babbel, het laatste nieuwtje. De dag dient gevuld. Want met 11 minuten de stofdoek laten wapperen over de porseleinen herder en de foto’s van opa en tante nonneke, en nog eens 9 minuten de stofzuiger hanteren, daarmee raken die lange uren niet gevuld. Oh sorry, stofzuigen, nee – natuurlijk u beschikt inmiddels over zo’n robot die het stoffig traject zelf afspeurt. Dan rest er nog enkel het koken, met de handleiding van Njam is dat ook fluks geklaard.

Verdikke Bas, ik kon het bevroeden, een plas was zijne majesteit niet voldoende om mij te pesten, die andere substantie wil hij ook nog kwijt. Midden het voetpad. Hopelijk heb ik… gelukkig vis ik een daartoe geconcipieerd attribuut, zijnde een papieren zakje, tevoorschijn. Inmiddels merk ik, terwijl ik me voorover buig, niet om het dampende kleinood voor het nageslacht te bewaren maar om te verhinderen dat één der ronddwalende huisvrouwen of sloffende jongeren er de schoen in zou deponeren (wat ik hen in feite grijnslachend zou gunnen) dat ik nauwlettend in de gaten gehouden word. Door drie knapen die zich plots als milieuactivisten ontpoppen, en door de bewoonster van de woning grenzend aan het voetpad dat door het dier waarvan ik de eigenaar ben (en dus de schuldige alsof ik persoonlijk iets op die tegels gedeponeerd heb…!) besmeurd werd. Oprapen die handel. Natuurlijk is hij er in geslaagd zijn substantie niet al te stevig te maken, dat wordt kliederen. Heeft allicht teveel zoetigheid gekregen gisteren en ik zit met de gebakken peren, enfin met… u snapt het.
Huiswaarts. Tijd voor de krant. Niet dat daar ooit enig boeiend nieuws in te vinden is. Zelfs niet eens iets wat je met enige goede wil nieuws zou kunnen noemen. Alles oudbakken. Een oorlogje hier, een overstrominkje daar, ginds een bosbrand, wat hongersnood, enkele burgeroorlogen, veel protestmarsen (de redenen kunnen variëren, dat is soms leuk). Ongevallen, her en der een moord maar ik prefereer een Stephen King of een P.D.James. Het enige werkelijk boeiende zijn de ‘advertenties’ van de sterfgevallen. Daar kan ik me bij me verkneukelen – telkens er iemand jonger dan ikzelf uit het leven weggeplukt is, kan ik een welgemeende grijns niet onderdrukken. Die heb ik dan toch maar mooi weer overleefd!

Zo gaat algauw een flink deel van de voormiddag met totale nutteloosheid en compleet zinloos voorbij. Tot enig amechtig gekef van Bas – hij heeft vast bronchitis of longontsteking, een rokershoest kan het niet zijn – mij waarschuwt dat tante Post de brievenbus vervuild heeft. Met twee rekeningen (te betalen binnen veertien dagen vanaf datum poststempel – alsof je ooit uit die vlek in de rechterbovenhoek zou kunnen aflezen in welk jaar onzes heren dat ding verstuurd werd!). En dan zes reclamebladen; natuurlijk kleeft er zo’n sticker op onze bus die alle dergelijke nonsens weert maar dan weten die jongens het huis legaal binnen te dringen via b-post. Zelfs met een folder. Vandaag van… kijk es aan, de afhaalchinees – in de aanbieding gefrituurde vleermuisvleugels als voorgerecht en kikkerbilletjes in kung pao-saus, auwrk, kikkers zwemmend in pinda’s.

Terwijl die smaak me door het hoofd spookt galmt een stem dat het middagmaal op tafel staat. Het hoogtepunt van de dag. Misschien – hoogstwaarschijnlijk zelfs – niet culinair, maar toch wat geestelijke afleiding betreft. Wat schaffen de potten? Soep – natuurlijk gaat die qua temperatuur veeleer de richting uit van gazpacho; maar zo is deze lauwe julienne niet bedoeld. Over naar… schnitzel, gekookte aardappelen en broccoli. Die dunne lap vlees in een regenjasje van paneermeel (ter bescherming tegen het vet waarin hij suddert waarschijnlijk) is meestal Duits georiënteerd, zijnde van het varken afkomstig – die lopen er daar blijkbaar in groteren getale rond dan kalveren of kippen; gevolg: een flinke onverteerbare en onsmakelijke vetlaag omkranst het pezige te verorberende resterende deel van het koebeest.

Broccoli, gezond, vitaminen A B C E en K, tegen maag-, long- en blaaskanker, helpt tegen alzheimer, goed voor geheugen, werkt zelfs verjongend. Ik besef het, iedere dag moet ik broccoli smullen en ik leef eeuwig. Dat lijkt me al een voldoende argument om die groente zelfs geen blik waardig te keuren. Bovendien is er die afschuwelijke fletse smaak en dito geur opstijgend uit de kookpot die mij steevast herinnert aan de openbare urinoirs uit mijn jeugd, de pisbakken waar steevast wegens permanente verstopping een restant… ik laat uw verbeelding liefst reukloos verder aan het werk.

Over mijn bord gebogen droom ik dan maar weg. 400€, zeven gangen inclusief wijn bij het Hof van Cleve. Holstein rund met aubergine, saffraan, sucrine; langoustine met groene asperge, verbena, edamame; afsluiten met chocolade en hammamthee. Dream on baby. Juist, tijd, hoog tijd om de realiteit te ontvluchten in een middagdut. Moge zij de uren in beslag nemen tot het avondmaal – of zelfs tot het uur slaat voor het avondgebed. Al zal de honger na dat middagdieet mij knagend wekken vrees ik.
Zo’n middagslaapje kan ontspannend werken. Buiten de waard gerekend, in casu mijn hoogstpersoonlijke buurman. Die het bestaat om, net wanneer ik mijn afgepeigerde lichaam inclusief ziel te ruste wil neder vleien, te starten met wat hij beschouwt als noodzakelijk tuinonderhoud. Een kwalijke hobby, een levensbedreigende bezigheid: tuinieren. In dit geval: zijn lapje bezaaide grond kortwieken, in de volksmond ‘het gras maaien/afrijden’. Wat hanteert hij daartoe? Een voorwerp dat wellicht zelfs de Cro-magnonmens zich tweedehands aangeschaft heeft. Die maaier maakt bij het starten zoveel herrie dat een gepensioneerde DC6 jaloers zou zijn. Moet hij die activiteit ontplooien op dit gezegende uur van de siësta, de middagrust. Ja dus, vermits zijn ganse leven één langgerekte siësta is. Zijn brein (nu ja?) kent niks anders: sinds het begrip ‘werkloosheidsvergoeding’ uitgevonden werd, een woord dat hij nog steeds vruchteloos tracht te spellen, en dat hij vermoedelijk een eerste maal hoorde toen hij in zijn wieg lag, opende zich een wereld vol perspectieven voor hem. Of beter: met welgeteld één perspectief, een wiskundig genie hoefde hij dus al evenmin te worden. Dus slijt hij zijn dagen in zalig nietsdoen en andermans siësta-verpesten met grasmaaier of hoempamuziek. Ik wacht geduldig, zo immens is zijn pelouse tenslotte niet.

Bijna ingedommeld vlieg ik met een ruk overeind, een harde knal. Een tweede stelt me gerust: ze zijn het gevolg van de zachtzinnigheid waarmee de afvalbakken op het voetpad gedeponeerd worden. Juist, vergeten, die had ik moeten buiten zetten. Maar wie kan nog wijs uit dat systeem. Ronde 1 en 2 en 3, afhankelijk van de wijk en straat. En dan het onderscheid, huisvuil, papier, gft, pmd, kga, de glascontainer, het recyclagepark, groot huisvuil – zakken in alle kleurtjes, grijs, oranje, blauw, roze, binnenkort regenboog indien je niet best weet tot welke categorie iets hoort, waar je het hoort te dumpen – een soort transgenderzak. Geef toe, het is vaak niet gemakkelijk, je moet soms een bachelor milieukunde bezitten om te weten bij welke zak je je nood moet uitstorten. Vergeten dus – dat betekent verwijten, herrie. Momenteel: wachten tot de wagen, het bonken der geleegde bakken en het geroep van de mannen, die na nieuwjaar opvallend trager en met extra veel lawaai hun ronde doen (het zijn immers vooral oudere, wat dove, niet goed te been zijnde exemplaren van het menselijk ras, die de grootste fooi geven), verstomd zijn.

Ik lig. Dommel. Tot: hoezo een aardbeving? Onmiskenbaar – tenminste dat was mijn overtuiging tot het ogenblik dat ik de slaap uit mijn hoofd heb weten te schudden zodat alle onheilsvisioenen verdreven zijn. Het geluid van een drilboor. Met enige moeite keren en wentelen de kronkels van mijn hersenen zich in een min of meer correcte positie, laten de grijze cellen zich ordenen volgens het gangbare SISO-systeem: ik constateer, analyseer en concludeer. Elders in de straat breekt men inderdaad een huis af. Vermoedelijk zit daar, te oordelen naar het dagenlange kabaal, meer beton in dan de Duitsers gebruikten voor hun Atlantikwall. Lawaai, gelukkig draagt de bediener van dat helse toestel een beschermende oortelefoon – zodat hij met onbeschadigde trommelvliezen in het weekend naar de 130 decibel van zijn favoriete band kan gaan luisteren. Wij, de buurtbewoners bevinden ons op veilige afstand; of niet. Irritant is het misschien wel. In ieder geval voldoende opdat ik de man inclusief toestel liefdevol zou dumpen in mijn afvalbak. Wat, bedenk ik, niet kan vermits die vol is; immers vergeten hem op de stoep te zetten. Geef ik het op? Het leven. Ik geef het op. Er kome wat komt. De avond bijvoorbeeld. En daarna de nacht.
Ach lieve lezer. Denk niet dat het zo’n vaart loopt. Echt niet. Onze hond heet niet Bas. Het is ook geen dashond. Meer zelfs, we hebben helemaal geen hond, nooit gehad. En de buren… dat zijn en waren, waar we telkens ook woonden, de vriendelijkste mensen die we ons konden wensen. Ontbijten deed ik niet, een kop koffie en een sigaret volstonden; dus dat geëmmer over hard brood! Goed, een croissant heb ik soms wel eens genuttigd. Maar wat wel waar is: mijn afkeer van broccoli. Reden waarom die kool dan ook nooit op het menu prijkt, god en eega zij gedankt. Momenteel is de lucht blauw, schijnt de zon, de temperatuur is behoorlijk en er wacht mij een interessant boek. Waarmee ik bedoel: het leven is zo kwaad niet.    

Johan de Belie                                               

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.