Het is vandaag 55 jaar geleden dat de Hollywood-producer David O.Selznick (foto YouTube) is overleden. (Alhoewel soms wordt gezegd – bij Alcide b.v. – dat de initiaal “O” in zijn naam voor “Oliver” staat, is deze door David O. Selznick zelf bedacht en staat hij nergens voor. Hij heeft zelfs geen tweede naam: zijn geboortenaam is “David Selznick”.)

Selznick was de zoon van Lewis J.Selznick, een filmproducent uit het tijdperk van de stomme film. Lewis J.Selznick liet door Harley Knoles een film draaien die moest waarschuwen voor de verspreiding van de bolsjevistische ideologie: “Bolshevism on trial” was gebaseerd op het boek “Comrades” van Thomas Dixon en de hoofdrol werd niet vertolkt door Tsaar Nicolaas II. Nochtans had Selznick hem een aanbod gedaan: “Als kleine jongen werd ik in Rusland door uw politie mishandeld, maar nu ik hoor dat u ook zonder werk zit, heb ik geen rancune en daarom bied ik u deze job aan,” zo luidde zijn telegram.
De oudere broer van David was filmproducent en agent Myron Selznick. David zelf studeerde aan de Columbia-universiteit en werkte bij zijn vader tot deze in 1923 failliet ging. Na het faillissement van zijn vader maakte Selznick twee korte documentaires, één over boksen en één over Rudolph Valentino als juryvoorzitter van een schoonheidswedstrijd in Madison Square Garden.
In 1926 vertrok Selznick naar Hollywood, waar hij terechtkwam MGM-baas Louis B.Mayer, een oude zakenpartner van zijn vader. Bij MGM ging hij aan de slag als assistent van de story editor, de persoon die onderzoekt of een bepaalde synopsis of (literair) werk geschikt is om een film van te maken. Hij werd daar al snel productieassistent en associate producer van de B-films van MGM.
In 1928 verliet hij MGM voor Paramount. Drie jaar later, in 1931, verliet hij Paramount weer om Hoofd Productie te worden bij het destijds in financiële problemen verkerende RKO. Onder zijn leiding wist RKO weer enkele successen te boeken, waaronder King Kong uit 1933. In 1933 keerde hij weer terug bij MGM om daar de zeer ziek geworden producent Irving Thalberg te vervangen. In drie jaar tijd bracht hij een reeks van belangrijke, prestigieuze producties uit, zoals A Tale of Two Cities, David Copperfield en Anna Karenina (allen uit 1935).
In 1936 overleed Irving Thalberg, op dat moment de machtigste man in Hollywood (vandaar dat hij model stond voor “The last tycoon” van Scott Fitzgerald), net op een moment dat hij overhoop lag met Louis B.Mayer, omdat hij Mayer had afgeraden de rechten te kopen voor “Gone with the wind” en daardoor ging diens schoonzoon David O.Selznick ermee lopen. Daarvoor richtte Selznick zijn eigen productiemaatschappij op, Selznick International Pictures. United Artists distribueerde de films van Selznick International. De studio bracht onmiddellijk een reeks kassuccessen en klassiekers voort, zoals The Prisoner of Zenda, A Star Is Born en Nothing Sacred, allemaal uit 1937. Deze romantische komedie vertelt het verhaal van een roddeljournalist (March), die de ‘naderende’ dood van een meisje (Lombard) uitbuit, maar tussen de helse actie en de cynische wisecracks door groeit natuurlijk een onweerstaanbare liefde. Producer David O. Selznick deed voor deze film beroep op William A. Wellman (1896‑1975). ‘Wild Bill’ Wellman was al een zeer gewaardeerd cineast tijdens de stille periode (o.m. met “Wings”, 1927), maar het was vooral met zeer uiteenlopende films als het bikkelharde “Public Enemy” (1931), het veel bekroonde “A Star is Born” (1937) en “Nothing Sacred” dat Wellman zich op de eerste rij van de Hollywood-regisseurs plaatste.
Vanaf 1936 werden ook de eerste échte films in Technicolor vertoond (met als allereerste “Becky Sharp” van Rouben Mamoulian), met een systeem waarbij de film opgenomen werd op drie afzonderlijke kleurennegatieven. Op een paar conservatievelingen (die zegden dat de kleurenwarreling voor hoofdpijn zou zorgen) na reageerde de kritiek positief: hopelijk zou door de introductie van kleur het “gebabbel”, waarop men sinds het tot stand komen van de klankfilm zo verzot was, opnieuw wat meer naar de achtergrond verdringen, ten voordele van het “beeld” zelf. “A star is born” van William Wellman kreeg in 1937 dan ook de eerste oscar voor kleurenfotografie. Producer David O.Selznick zou nog herhaaldelijk gebruik zou maken van dit systeem, b.v. ook nog in “Gone with the wind”. Toch zou de grote internationale doorbraak van de kleurenfilm nog op zich laten wachten tot de ontdekking van de hypergevoelige kleurenpellicule (Eastmancolor).
Gone With the Wind (1939) was een van de duurste filmprojecten van zijn tijd, maar wist veel mensen naar de bioscoop te lokken en gold voor een lange tijd als de best bezochte film aller tijden. Voor deze film won hij zijn eerste Academy Award voor Beste Film. Nochtans had Will Hays, je weet wel: de man van de Hays Code, weer voor problemen gezorgd: de fameuze slotzin van Clark Gable, “Frankly my dear, I don’t give a damn”, kon volgens hem niet door de beugel. Selznick hield gelukkig voet bij stuk. Voor “I’ve never held fidelity to be a virtue” gaf hij in ruil wél toe en knipte deze bekentenis van Rhett Butler eruit.
“Gone with the wind” is, na “Birth of the Nation”, een tweede “blockbuster” over de Civil War, die opnieuw de discussie over het racisme in Hollywood aanzwengelt. Niet minder dan acht oscars vielen de film immers te beurt, waarbij ook één voor Hattie McDaniel als beste bijrol, die hiermee de eerste zwarte werd om een oscar te behalen. Zij was ook de eerste zwarte die aan het oscar-banket mocht aanzitten i.p.v. het te bedienen. Nochtans was dat precies het soort rollen dat ze vooral zou spelen, waardoor ze vanuit de zwarte gemeenschap wel veel kritiek kreeg. McDaniel zag het anders: “Nu krijg ik zeven duizend dollar per week om de rol van een meid te spelen. Als ik dat niet deed, zou ik zelf een meid zijn en slechts zeven dollar per week verdienen!” Andere bronnen zeggen echter dat deze woorden haar door een ghostwriter van de studio in de mond zijn gelegd. Privé zou ze b.v. wél hebben gezegd nooit meer de rol van een meid te willen spelen. En op de première van “Gone with the wind” in Atlanta mocht ze niet aanwezig zijn…
Toen David O.Selznick de Britse Vivien Leigh (door bemiddeling van Laurence Olivier) boven zijn buurmeisje Paulette Goddard (die daar samenwoonde met Charles Chaplin) verkoos als Scarlet O’Hara, ontstond er in het noorden van de V.S. een oproep tot boycot van de film “Gone with the wind”, maar in het zuiden zei men: “Liever een Britse dan een Yankee!”
Haar man Laurence Olivier kreeg ter compensatie de rol van Darcy in “Pride and Prejudice” toegeschoven, maar… “despite the lavish sets and opulent costumes, Pride and Prejudice had to be shot in black and white, because David O.Selznick had used every available reel of Technicolor film in existence to make Gone With The Wind.”
Oorspronkelijk was George Cukor de regisseur van de eerste “officiële” draaidagen van “Gone with the wind”. Het allereerste wat gefilmd werd was echter de brand van Atlanta, omdat MGM toch het plan had opgevat om een aantal oude decors te verbranden om plaats te maken voor nieuwe. Zo is de fameuze brandende muur niets anders dan de muur van King Kong!
Dat de “acteurs” in de brand stuntlui zijn, dat verwondert natuurlijk niemand, maar straffer was dat op dat moment de hoofdrolspelers nog niet eens bekend waren, tenzij dan misschien Clark Gable, die door het publiek gewoon werd “opgeëist” voor de rol van Rhett Butler, waardoor hij juist daarom er helemaal geen zin in had. Bovendien haatte hij als anti-semiet producer David O.Selznick. Anderzijds hield hij aan de film wel zijn typerende snorretje over dat hem voor de rest van zijn carrière niet meer zou verlaten.
Daarna volgde de kennismaking met Scarlett op het bal, waarop men nota bene op een bewegende vloer danste, omdat Clark Gable een hark is als danser. Na tien dagen hadden ze nog maar 23 minuten film, waarvan er dan nog tien opnieuw moesten worden gedraaid. Ook het ritme van de film zelf lag volgens producer David O.Selznick veel te laag. Cukor wijdde dit aan het script en wilde opnieuw werken met het originele script van Sidney Howard dat door Selznick bijna onherkenbaar was verminkt. Ondanks het feit dat ze in het gewone leven bevriend bleven, stuurde Selznick Cukor toch de laan uit. “Nu is het enige wat ik aan deze film leuk vond ook nog verdwenen,” zuchtte Vivien Leigh, die zo maar eventjes in 95% van de film is te zien!
Gable bracht als vervanger Victor Fleming aan, met wie hij nog maar pas “Red dust” en “Test pilot” had gedraaid. Deze titels geven ook al aan dat Fleming veeleer als “macho” bekend stond. Op dat moment was Fleming nog bezig met “The Wizard of Oz”, maar hij werd daar weggehaald nog voor de film eigenlijk was voltooid. Het eerste wat Fleming echter doet… is zeuren over het script! Gedurende veertien dagen lag de productie dan ook stil tegen 10.000 dollar per dag. Als compromis werd Ben Hecht aangezocht om het scenario te herschrijven. Deze gaf eveneens de voorkeur aan de Howard-versie. Samen met Fleming is hij wel verantwoordelijk voor het opdrijven van het ritme van de film, al werd het scenario uiteindelijk bijna op de set zelf geschreven. Dan begint Selznick zich ook met de regie te bemoeien, zodanig dat Fleming een ziekenbriefje binnenbrengt: nervous breakdown
Uiteindelijk is het een mirakel dat de opnamen op 125 dagen tijd klaar waren. Selznick had toch nog het laatste woord, want in de montagekamer waren geen regisseurs of scenaristen gewenst. Howard stierf trouwens tijdens de montage door een ongeluk op de boerderij, waar hij het scenario had geschreven. Op dat ogenblik brak ook de Tweede Wereldoorlog uit, maar daar hadden de makers totaal geen aandacht voor. Voor de verrassings-preview was de muziek van Max Steiner nog niet klaar en men gebruikte dan maar de muziek van “The Prisoner of Zenda”.
De officiële première had plaats in Atlanta en bij die gelegenheid kwam Selznick voor het eerst naar het Zuiden van de VS, want voor de rest was hij er fier op dat niets op lokatie werd gedraaid.
Nog in 1939 haalde Selznick de Engelse regisseur Alfred Hitchcock naar Hollywood om de ondergang van de Titanic te draaien. Aangezien dit niet doorging, kreeg Hitch de verfilming van “Rebecca”, de roman van Daphne Du Maurier, voorgeschoteld. Hij kreeg hiervoor een oscar, maar was toch niet tevreden. Dat kwam omdat hij teveel toegevingen moest doen aan producer David O.Selznick. Deze vond dat hij te zeer van het originele boek afweek en was “verwonderd dat deze Hollywoodziekte ook al tot in Engeland was doorgedrongen”. Hitchcock had daar uiteraard een heel andere mening over: hij vond dat een boek en een film twee verschillende media waren en dat ze beide met de geëigende middelen dienden te worden aangepakt. Although Du Maurier herself did not like the film, which shifted the locale from Cornwall to America, Rebecca (1940) was a big success, die de carrière van Hitchcock en hoofdrolspeelster Joan Fontaine lanceerde en Selznicks tweede Academy Award op rij opleverde. Het was ook de enige film van Hitchcock die een Academy Award voor Beste Film won.
Na het succes van Rebecca sloot Selznick International. Selznick zelf verdiende voornamelijk geld aan het uitlenen van mensen die hij onder contract had staan, zoals Hitchcock, Fontaine, Ingrid Bergman en Vivien Leigh.
In 1929 was hij getrouwd met Irene Mayer (de dochter van Louis B.). Ze hadden twee zoons, Daniel en Jeffrey, maar in 1948 liet ze zich van hem scheiden omdat hij verliefd was op zijn nieuwste ontdekking, Jennifer Jones. In 1944 produceerde hij inderdaad na een afwezigheid van drie jaar weer een film, Since You Went Away, met Jennifer Jones in de hoofdrol. De film was in die tijd zeer populair. Na Since You Went Away vatte hij zijn werk weer op; hij produceerde naast Hitchcocks Spellbound (1945) onder andere Duel in the Sun (1946) en Portrait of Jennie (1948), de laatste twee eveneens met Jones in de hoofdrol. Zijn gloriedagen waren echter voorbij. De meeste van zijn films wisten nauwelijks winst te maken, zeker nadat Hitchcocks contract afliep in 1947. Het meeste succes wist hij te behalen met Carol Reeds The Third Man (1949), die hij in gewijzigde vorm uitbracht in de Verenigde Staten.
In 1956 lanceert David O.Selznick “A farewell to arms” als opvolger van “Gone with the wind”. De regie was in handen van Charles “King” Vidor naar een scenario van Ben Hecht. In de “acknowledgements” krijgt Andrew Marton een nogal grote vermelding. Waarschijnlijk was hij misschien de oorspronkelijke regisseur en werd hij nadien aan kant geschoven. Maar hoe dan ook, de film flopte, o.m. omdat Selznick zijn tweede vrouw Jennifer Jones als 38-jarige een jong meisje liet vertolken. I.p.v. een nieuwe “Gone with the wind” te worden, veroorzaakte het bijna zijn failliet.
Hij had één dochter met Jennifer Jones, Mary Jennifer, die echter in 1976 zelfmoord pleegde. Toen was David O.Selznick al tien jaar geleden gestorven aan een hartaanval.
David O.Selznick wordt vaak gezien als de prototype onafhankelijke filmproducent. Selznick maakte zijn films met veel zorg en was bereid veel geld, tijd en mankracht aan een project te besteden. Terwijl de meeste producenten zich enkel bezighouden met de financiën en administratie van een film, eiste Selznick ook betrokkenheid in de andere fasen van de filmproductie, waaronder het script, de rolverdeling, kleurgebruik en de montage. Voor Gone With the Wind, zijn meest prestigieuze project, gebruikte hij vijftien scenarioschrijvers en drie regisseurs, waaronder George Cukor en Victor Fleming, maar schreef een groot gedeelte van het uiteindelijke script zelf en regisseerde zelf enkele scènes. Ook stond hij bekend om de vele honderden memo’s die hij rondstuurde tijdens de productie van een film aan vrijwel iedereen die aan de film meewerkte.
Vanwege zijn inmenging in het creatieve proces hadden verscheidene regisseurs die voor hem hadden gewerkt een hekel aan hem. Het bekendste voorbeeld is Alfred Hitchcock. Hitchcock kon bijvoorbeeld niet met Selznick overweg en verlangde naar veel meer vrijheid. Nadat zijn contract bij Selznick was beëindigd werd hij producent van zijn eigen films. Hitchcock maakte in minstens twee films een verwijzing naar zijn voormalige werkgever. Zo heet in North by Northwest Cary Grants personage Roger O.Thornhill, waarbij de “O” voor niets staat, en lijkt de slechterik in Rear Window, gespeeld door Raymond Burr, sprekend op Selznick. (Wikipedia)

Een gedachte over “David O. Selznick (1902-1965)

  1. Bij het schrijven van deze tekst is vanalles verkeerd gegaan wat in blok zetten en verplaatsen of kopiëren of schrappen betreft. Ik heb bij het nalezen geprobeerd alles terug recht te trekken, maar ik verontschuldig mij bij voorbaat als ik een of ander over het hoofd mocht hebben gezien en word hier dan ook graag op attent gemaakt.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.