Het zal morgen al 45 jaar geleden zijn dat de Zweedse schrijver Per Wahlöö is overleden. Samen met zijn vrouw Maj Sjöwall schreef hij een tiental detectiveromans. Sjöwall is pas onlangs, op 29 april, overleden maar heeft na zijn dood geen romans meer geschreven, hij was wel degelijk het brein achter het duo.

“Iets geheel nieuws op het gebied van de misdaadroman”. Zo werd in 1965 de eerste Sjöwall & Wahlöö gelanceerd: “De vrouw in het Gothakanaal”. De oorspronkelijke Zweedse titel is “Roseanna”, tevens de hoofdfiguur die om een seksuele psychopaat te pakken te krijgen zelf als lokaas wil dienen. Het is dus een boek dat de auteur van “The silence of the lambs” wel zal gelezen hebben…

In dit boek wordt Martin Beck geïntroduceerd, zowat de eerste detective die niet op z’n eentje werkt (de gebruikelijke “Watson” niet meegerekend), maar essentieel binnen een team werkt. Vandaar ook dat de boeken populair werden bij de gewone politieambtenaren, in tegenstelling tot de politieleiding die het echtpaar wel kon opvreten (al zou later een officier fier verklaren dat hij model heeft gestaan voor Martin Beck, wat hoegenaamd niet zo was). Dat belette Sjölöö (zoals ze wel eens genoemd werden) niet om ook de gewone politieagenten eens in hun hemd te zetten. Zo is het duo Kristianssen en Kvant een soort Laurel & Hardy, die allerlei domme stoten uithalen.
Een jaar later volgde reeds “De man die in rook opging”, waarin de maatschappijkritiek een steeds belangrijker rol ging spelen (in dat opzicht, en ook wat de psychologische evolutie van Martin Beck betreft, is het best om de boeken in de volgorde van publicatie te lezen). Want inder­daad, ook al had Wahlöö op zijn eentje reeds enkele romans gepubliceerd die de detective uit “het bourgeoissfeertje à la Agatha Christie” hadden gehaald (zoals Sjöwall zelf zegt in De Standaard Magazine van 19/2/1993), samen introduceerde dit Zweedse echtpaar een nieuw element in de detectiveroman: de link tussen misdaad en politiek.
Het is duidelijk dat Sjöwall en Wahlöö geen detectiveverhaal­tjes schreven om de goegemeente te verstrooien. Neen, zij wilden op de eerste plaats blijk geven van hun politieke engagement en zij hebben voor het detectivegenre geopteerd, precies omdat men er zoveel lezers mee kan berei­ken en ook omdat men met misdaadverhalen heel gemakkelijk kan blootleggen wat er verkeerd gaat in de maatschappij. Aangezien ze beiden lid waren van de communistische partij en hun hoofdpersonen Martin Beck (in de latere verhalen) en vooral zijn assistent Lennart Kollberg duidelijk links waren, is het misschien wel merkwaardig dat juist zij in 1971 als eerste buitenlanders zo’n fameuze Edgar kregen.
Maar men kan anderzijds natuurlijk niet ontkennen dat reeds vroeger in de beste verha­len er een verband bestond tussen de sociale omgeving en delinquentie. Maar tot dan toe werd dit meestal psychologisch behandeld en niet sociologisch. Zelfs in de hard-boiled novels komt trouwens maatschappijkritiek voor, maar dan meestal in de zin van corrupte politiemensen. Het verschil is echter dat het motief in deze gevallen toch persoonlijk blijft (nijd, haat, afgunst…), terwijl bij de sociologische detectives de maatschappijkritiek ook de oorzaak is van de “misdaad” – als men het al als een misdaad beschouwt! Maj Sjöwall in De Morgen van 5/11/2003: “We hadden allebei veel misdaad gelezen. Per kende zowat alles van Simenon. Ik had hem natuurlijk ook gelezen en we hielden allebei van die boeken om hun realisme.”
In 1967 is er dan “De man op het balkon”, de voorloper van de serial killers waarmee we twintig jaar later in de bioscoop rond de oren zouden worden geslagen.
In 1968 volgt “De lachende politieman”. Per Wahlöö nam het leeuwenaandeel van het werk op zich, zoals Sjöwall zelf zonder enige moeite toegeeft, misschien op uitzondering van “De brandweerauto die verdween”, het volgende boek uit 1969.
In 1970 verscheen dan “De man die even wilde afrekenen”. De moordenaar wordt steeds sympathieker voorgesteld en het slachtoffer steeds antipathieker. Het hoogtepunt is daarbij “De verschrikkelijke man uit Säffle” (1971). Maj Sjöwall vertelt hierover: “We waren ook fans van Raymond Chandler. Hij is niet sterk in plots, maar zijn taal is schitterend. Als je hem leest – en ik herlees zijn boeken vaak – lijkt het net muziek. In een van onze boeken De verschrikkelijke man uit Säffle hebben we trouwens een stukje uit Chandlers The Little Sister overgeschreven. Het is een passage waarin een collega van Martin Beck, een extreem-rechtse politieman, vertelt hoe smerig zijn werk wel is. Heel dat stuk is bijna woord voor woord Chandler. Dat was een grapje maar ook een soort van eerbetoon.”
Daarnaast is er ook veel “invloed” van Ed McBain (Evan Hunter, 1927-2005). Sjölöö vertaalde zijn boeken over het 87ste politiedistrict en McBain vertelt dat ze – op z’n zachtst gezegd – heel wat van hem hebben geleerd. Maj Sjöwall ontkent dit niet (in De Morgen van 26/11/1985), maar wijst er wel op dat hun eerste boek nog is verschenen vooraleer ze het werk van McBain zelfs maar hadden gelezen. Tenslotte wijst ze erop dat ze ook veel van Robert Parker en Ruth Rendell houdt. Het staat wel buiten kijf dat McBain de innovator is op het vlak van een volledig politiebureau als hoofdpersonage te nemen.
Een jaar later is “De gesloten kamer” een typisch voorbeeld hoe wordt afgeweken van het traditionele happy end (“misdaad loont niet“). In dit verhaal ontdekt Martin Beck weliswaar de moordenaar, maar niemand wil hem geloven. De ironie van het lot wil echter dat hij wel in de nor wordt gedraaid voor een bankoverval die hij niet heeft gepleegd. (Anderzijds is het personage Monita dat in dit werk voorkomt een vrij accurate beschrijving van Maj Sjöwall, zoals ze zich uit de slag trok vóór het succes van hun beider boeken.)
In 1974 verscheen dan “De politiemoordenaar”. Het over­lijden van Per Wahlöö in 1975 vormt het tragische einde van een langdurige samenwerking met zijn vrouw Maj Sjöwall, al is het eigenlijk ook wel een beetje toeval, want ze hadden besloten de literaire samenwerking te stoppen. Het tiende en laatste boek dat ze samen schreven, “De terroristen”, zag in datzelfde jaar het daglicht (Wahlöö heeft het bijna helemaal alleen geschreven omdat hij de dood voelde naderen). Op 21 november 1974 wordt premier Olof Palme hierin vermoord in Gamla Stan, het oude hart van Stockholm. In werkelijkheid zou het pas op 28 februari 1986 zijn, maar de bioscoop die hij verliet, stond inderdaad niet ver van zijn woonhuis in Gamla Stan.
Alhoewel Sjöwall & Wahlöö niet van Palme hielden, wilden ze zeker niet dat hij echt uit de weg werd geruimd. En dat niet alleen omdat de Zweedse communistische partij de sociaal-democratische partij van Palme ondersteunde: “Dat is een partijpolitieke kwestie. Ik ben trouwens geen partijlid meer. Het politieke spel interesseert mij niet, niets is zo vervelend. Economie en politiek, daar begrijp ik niets van. De mensen van mijn leeftijd hebben het enthousiasme van de jaren zestig de rug toegekeerd. Dat is natuurlijk jammer, want als iedereen die toen actief was het nu ook nog zou zijn, zou de politiek er heel anders uitzien.” Aldus Maj Sjöwall in De Morgen van 17/12/1990 en een dikke twee jaar later in De Standaard Magazine van 19/2/1993 verduidelijkt ze dat de maatschappijkritiek eigenlijk meer afkomstig was van Per Wahlöö, ondanks dat het feit dat die dus pas goed in diens boeken aan bod kwam, toen hij met haar ging samenwerken. Maar van dan af werd hij steeds scherper. Zij veronderstelt dat het iets met zijn ziekte (maagkanker) had te maken: “In het laatste boek, De terroristen, dat ik na zijn dood afwerkte, was de maatschappijkritiek zo allesoverheersend en het pessimisme zo diep, dat het soms meer op een pamflet leek dan op een misdaadroman. Ik heb het manuscript moeten inkorten.”
Anderzijds geeft Sjöwall in 1985 reeds toe dat “de maatschappij is veranderd, in de allerslechtste zin. (…) De kloof tussen rijk en arm is groter, de bureaucratie is toegenomen, het kapitalisme gespierder, de vervreemding van de mensen is harder. Tekort aan werk, zwaardere criminaliteit, dat geldt niet voor Zweden alleen. Jonge mensen gaan naar de knoppen omdat ze niet het gevoel hebben dat ze deel uitmaken van de maatschappij of wat dan ook.” (Knack, 27/11/1985)
Later werd het personage van Martin Beck jammer genoeg ook uitgeleend aan andere schrijvers, die er soms wel nogal clichématig tegenaan gaan. Zoals in “De marathon van Stockholm”, wat eigenlijk draait rond een vroegere porno-affaire van een succesvolle zakenman en popvedette. Als deze laatste als publiciteitsstunt deelneemt aan de marathon van Stockholm veronderstelt men dat hij hetzelfde lot zal ondergaan als de zakenman, die tien jaar na de feiten is terechtgesteld door de man van een meisje dat in een SM-film zwaar is misbruikt en wiens stilzwijgen daarna werd uitgekocht. Dit wordt verijdeld, maar vlak voor de man zelfmoord pleegt, geeft de minnares van de zakenman aan Martin Beck toe dat zij het was die haar minnaar heeft vermoord. In de televisieversie zien we b.v. hoe ze zich na een obligate neukpartij (inclusief plafond staren en vuistjes ballen) fanatiek reinigt met citroensap en letterlijk haar mond wast. Net zoals het feit dat de man pas na tien jaar het recht in eigen hand wil nemen, is het ook onlogisch dat ze dit al tien jaar zou uitstaan. En op de koop toe op hetzelfde moment als die man – en zonder causaal verband – aan wraak toe is. Kortom, dit is wel erg moraliserend geleuter, waarbij het stilzwijgen van Beck, waarmee de TV-film eindigt (en waardoor hij dus de naam van de echte moordenares verzwijgt), toch niet overtuigend als “maatschappijkritisch” overkomt. (In een andere spinoff, “Patatismos”, spelen Kristianssen en Kvant nog een belangrijke rol: door een kind dat dit scheldwoord naar hen roept te verbaliseren, laten ze na een belangrijke overval te verhinderen.)
Inmid­dels zijn er ook nog uitgaven verschenen van een aantal boeken die Per Wahlöö alleen heeft geschreven. Maj Sjöwall van haar kant beperkt zich nu bijna uitsluitend tot vertalen. Enkel in de Nederlander Tomas Ross (°1945, pseudoniem van Willem Hoogendoorn, niet te verwarren met de Amerikaanse detectiveschrijver Ross Thomas) heeft zij even een zeer tijdelijke nieuwe co-auteur gevonden. “De vrouw die op Greta Garbo leek”, wat ze met deze laatste schreef in 1990, werd echter zeer slecht ontvangen. De “plot” (bedacht door Ross) over een Amsterdamse autodealer die op zijn buitenlandse hotelkamer een pornovideo met zijn eigen dochter te zien krijgt, werd over het algemeen wel goed onthaald (“dit boek kan zo een filmscenario worden,” schreef Mark Vlaeminck in Het Nieuwsblad), maar de sfeerschepping en psychologisering, waarvoor Sjöwall zou instaan, omdat ze daar vroeger juist zo goed in was, werd als “simplistisch” afgedaan. Het feit dat ze de hoofdstukken elk apart in hun eigen taal schreven, waarna op een redigeersectie de beide werden vertaald en aan elkaar geschreven op een minimum van tijd, zal daar ook wel schuld aan hebben.

Ronny De Schepper

Een gedachte over “Per Wahlöö (1926-1975)

  1. Het schrijversduo zette een haarfijne analyse neer van de Zweedse samenleving: het beleid door de heersende sociaal-democratische partij dat goed was voor de modale middenklasse die zich gelukkig waande met de glimmende consumptiemaatschappij maar stekeblind was voor druggebruikers, daklozen, bedelaars en andere mensen in de rand van de maatschappij.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.