Stel me de vraag of en hoe onze voorvaderen in de prehistorie hun voedsel bewaarden. Of moesten ze van dag tot dag leven, zorgen opdat er toch ongeveer dagelijks iets vers te knabbelen was? Voortdurend op jacht, achter al dat wild ongedierte, dino’s en mammoeten aan met stenen en pijlen; of vissen. En de vegetariërs (die zullen wel nog een te verwaarlozen minderheid geweest zijn) bessen plukken in bos en hei en high worden dankzij de paddo’s. Mogelijk slaagden ze er in de bilstukken tyrannosaurus enkele dagen schimmelvrij te houden in een koel hoekje van de grot. Of stond er een ingenieur op die ook hobbykok was en die ontdekte dat je een en ander kon drogen in de zon en boven het vuur – zodat hij etiketten kon kleven ‘te bewaren tot…’ ‘houdbaar tot minstens…’. Eerlijk, deze overweging dook bij me op toen ik geïntrigeerd raakte door het fenomeen spaarpot. Daarover wil ik het dus hebben.

Maar nu ben ik eerst afgeleid en beland ik via die droogtechniek al vlug bij een volgende primitieve bewaartechniek: pekelen, voedsel opleggen in zout (nat of droog, beide zijn mogelijk), soms gecombineerd met suiker; analoog voor fruit, exclusief met suiker dan liefst want anders met een vermoedelijk nogal bizar resultaat: konfijten. Al gun ik me een zijsprong, de oude Egyptenaren, deze van de farao’s, sfinxen en piramiden, bleken melk te bewaren in de maag van levende kalfjes; door het schommelend bewegen en de warmte zou de melk zich soms getransformeerd hebben in kaas en zo genieten wij heden van een lekker stukje Brie; nu ja, ik was er niet tegenwoordig!

Het werd wachten tot het midden van de 17de eeuw, eer er een meer geavanceerde techniek aan de horizon opdook, toen installeerde men de ijskelder. Met ‘men’ weze bedoeld: privilege voor de rijken, kastelen en herenboeren dus laat de arme goegemeente maar rustig verder roken en pekelen voor zover ze al iets bezat om die ingreep op toe te passen. In de winter haalde men brokken ijs uit de vijvers, hakte hen fijn, vermengde ze met stro en zout, om hen dan in een speciale kelder op het domein te stouwen – de koelkast was geboren. Niet de echte van Bosch (die kwam er pas in 1933), de eerste koelinstallatie die de basis vormt van onze ijskast annex diepvries danken we aan Charles Tellier en dan schrijven we algauw 1869. Terwijl in de 19de eeuw ook nog de techniek van het wecken, versneld verhitten in potten, ontdekt werd. En de conserven op de markt kwamen. Om aan Pasteur niet voorbij te gaan, pasteuriseren… Maar zo wetenschappelijk hoef het nu ook weer niet voor mij. 
Dit alles dus omdat ik aan het fenomeen spaarpot dacht. Terwijl ikzelf niet zo’n spaarder noch een verkwister ben; mossel noch vis dus – tussenin, zolang er voldoende is kan ik mij verheugen, overdaad hoeft niet. Het begrip spaarpot dook hier blijkbaar een eerste keer op in een toneeltekst van 1512. Het handelde over een koning met zeven huwbare dochters en voor hen diende hij de bruidsschat te verzamelen: “Inden spaerpot tghelt stekende”. In Duitsland, zo blijkt uit opgravingen, moet het beruchte spaarvarken reeds in de 13de eeuw bestaan hebben.  Pas in 1798 ontmoeten we het begrip in onze literatuur een tweede maal: “Spaerpotten, privébeursjes, steenen varkens, en alwat van die soort van geheime bewaarplaatsen”. Al werden de potten in de eeuw voordien langzaam populair en namen ze de vorm aan van allerlei dieren, apen, hanen, varkens, en kregen vaak analoge namen: katshoofd, pothond. In 1854 publiceerde H.C. Andersen zijn sprookje ‘Pengegrisen’, ‘Het geldvarken’, daar komen alle voorwerpen in de kinderkamer tot leven, tot tenslotte het spaarvarken op de grond valt, breekt… de munten rollen over de grond, en er komt een nieuwe spaarpot de plaats van het varken innemen.  

Het varken, dat bleek uiteindelijk toch meest populair. Ook ik bezat ooit zo’n lelijk roze plastic ding om mijn zondagcent in weg te bergen. Als kind was ik wel echt een spaarder wat mezelf betrof, ik kocht nooit iets voor mezelf; anderzijds bleek ik kwistig met mijn spaargeld om te springen om geschenkjes te kopen – vreemde knaap dus. Later – dat varken moet ooit ter ziele gegaan zijn – bezat ik een ijzeren exemplaar in de vorm van een kachel. Vermoedelijk was het reclame van de firma die de ouderlijke kachel geleverd had. Fraai loodzwaar ding dat voorzien was van een functionerend slot. Een kachel… tegen alle traditie in. Want tenslotte, een echte spaarpot moet dat geen varken zijn!

Waarom dan wel nu net dat dikke ietwat onsmakelijk uitziend zich in de modder, in het slijk (der aarde) wentelend zwijn? Als symbool: het is zelf zo spaarzaam gezien het zo behulpzaam is om al onze etensresten genoeglijk slurpend naar binnen te stouwen. En daarvan ook blijk te geven door zijn ongehoorde omvang. Bovendien fungeert hij/zij in levende lijve, of beter gezegd in een later stadium van zijn bestaan, als voorraadschuur voor de mens. Hij wordt gekeeld, en daarna in zulke porties versneden, gedroogd, gepekeld, gerookt, ingevroren, dat hij tot voedsel dient voor een gans gezin. Geslacht in de herfst was hij hét culinaire spaarpotje voor de wintermaanden. Geen snipper ging verloren. Daar kon geen ander beest tegenop, toch.

Maar deze visie is wel heel opportunistisch. Er zijn dieren die meer recht hebben om beschouwd te worden als trouwe spaarders, denk maar aan de hamsters die hun wangen weten vol te proppen. Of al die andere beestjes die voedsel verzamelen om hun winterslaap door te komen, de egels, de beren, eekhoorns, marmotten. Nee wij opteerden voor onze eigen leverancier! Al is ook een andere verklaring voor zijn populariteit mogelijk. Maar dan moeten we oversteken naar Engeland. In het oud-Engels betekende ‘pygg’ klei, en in aardewerken potjes werden in de middeleeuwen de munten gespaard: in ‘pyggbanks’. Die bovendien, oh ironie, leken op varkens zodat de Engelsen hen fantasierijk begonnen te voorzien van een snuit en oren. Maar zonder slag of stoot zou die viervoeter met zijn vele tepels de wereld niet veroveren: voor joden en moslims leek dit speeltje tamelijk gevoelig te liggen. Zodat firma’s, vooral bankinstellingen die deze gadget graag symbolisch aan de klanten aanboden, zich genoodzaakt zagen, naar alternatieven uit te kijken…  De markt voor de spaarpot in alle gedaanten lag open. Zodat zelfs een speelgoedfabrikant als Lego in 1932 zijn collectie startte met trekpoppen, auto’s en… jawel spaarpotten. Waarna Playmobil in zijn voetsporen trad met o.m. een brandweer-spaarpot.
Niet getreurd trouwe viervoeter, hoe ondankbaar we ook mogen lijken – tenslotte beland je op het eind toch in de pot of in de pan – als spaarpot blijf je nog steeds op post, we verwaarlozen je niet. In alle materialen pronk je in onze huizen, vooral in kinderkamers, maar ook de keuken of zelfs in de living want je schopt het vaak tot sierobject. En de motieven raakten ook uitgebreid, je herbergt nu niet zomaar een appeltje voor de dorst in je darmloze buik, nee zoals meteen op je vette pens gepenseeld staat is de klinkende inhoud van jouw maag nu bestemd voor ‘de reis’, of ‘het pensioen’, ‘nieuwe woning’, enfin voor allerlei waar de mensheid vreugdevol of wanhopig en vaak vergeefs (want indien ze het met die armzalige centen uit jouw karkas moeten rooien…) naar uitziet. Je wordt ook voorzien van de gekste kleuren, schande. En soms laat men jou zelfs knorren, met dat gekke staartje draaien, en godbetert ik zag je al op die korte pootjes over een tafel wankelen – een schommelende spaarpot, de sprookjesschrijver had het voorspeld!

Toch zou je de duimen moeten leggen voor de platte handel. Big business zag er brood in, rekende voor zichzelf op een gevuld spaarpotje. En ging dus met in het achterhoofd de klinkende munt creatief aan de slag. Zodat jij al vlug concurrentie kreeg van andere fauna. Wat bleek zoal geschikt om centen, franken, guldens, om het even welke munteenheid op te slokken? Een uil, een zwaan, een lieveheersbeestje, olifanten, konijnen, koeien, natuurlijk alle huisdieren maar zelfs luipaarden en lama’s verschenen in de huiskamers, en uit het verleden de dinosaurus. En pronkte daar niet een eenhoorn. Natuurlijk, voor het jonge grut, een dankbare en gewillige afzetmarkt, boorde men hùn thema’s aan. Prinsessen, feeën, de koets van Assepoester, zeemeerminnen, alle beschikbare Disneyfiguren, zelfs een kikker met een kroon zinnebeeld van wat de toekomst kan herbergen (niet alleen rijkdom maar ook de grote liefde opgesloten in een aardewerken gadget), alle helden van het scherm, die gekke Minions, maar ook Garfield en Darth Vader. Tot, weggelopen uit de kinderboeken, Nijntje en Dikkie Dik, en om ook de hedendaagse jeugd te lokken: emoji’s! 
Een hele handel, logisch dus dat ook firma’s zelf zo’n potjes van hun logo zouden voorzien. Dat kon dan mooi jarenlang gratis adverteren. Coca-Cola gaf de aanzet. Populair blijken ook de vervoermiddelen: treinen, autobussen, auto’s, brandweerwagens, vliegtuigen, raketten, duikboten, zelfs een kinderwagen zag ik te koop aangeboden, wellicht om te sparen voor de op komst zijnde baby. Hoewel er ook een spaarpot bestaat met het opschrift: “Wil jij mijn meter worden?” – zo nodigt men uit tot doopmeter worden maar het lijkt mij meteen een al te duidelijke hint naar wat die functie vooral zal inhouden: op tijd en stond dokken asjeblief. Platvloers? Het kan nog erger of duidelijker… Een spaarpot in de vorm van een goudstaaf, of als een geldkist, een kluis, een gokautomaat, een bankbiljet en – ik verzin het niet – een ‘vergulde zakenman’. Stel je voor, zelfs de buste van Marx ontmoette ik, met de vermelding ‘Das Kapital’.

Gelukkig zijn er ook boeken om geld in te stoppen, de intellectueel wordt niet vergeten; evenmin de snoeper want die kan een cupcake in huis halen. Gezonder voedsel: alle mogelijke groenten, zelfs een vergulde ui. Sportief? Een voetbal. Voor de freaks is er ook wel een doodshoofd te vinden. Helaas verdwenen terwijl ze jarenlang alom tegenwoordig waren: de dankbaar knikkende negertjes die je in zoveel winkels op de toonbank zag prijken – een centje voor de missie. Inmiddels onwaardig en beledigend bevonden, met harde hand verwijderd. Je kan hem nog louter als curiosum te pronk stellen, met enige schaamte – hier prijkt zo’n exemplaar op de kast, nostalgie. Als tegenhanger zou ik misschien een exemplaar van Nelson Mandela moeten kopen, ja die bestaat ook. Trouwens, ook Boeddha is te koop met een gleuf in zijn buik; onthechting, hij al evenmin! Schande, ook de heilige maagd ontsnapt niet aan de platte handel, zelfs in haar zedige verschijning kun jij je kapitaaltje kwijt, misschien in de hoop dat er een mirakel geschiedt?

Meestal is het vrij gemakkelijk om de gespaarde centjes uit het potje tevoorschijn te toveren, er is wel een van een sleutel of cijfercombinatie voorziene opening voorhanden. Zelden ben je genoodzaakt het object tegen de grond te gooien of met een hamer te lijf te gaan om het kapitaal aan het daglicht bloot te stellen. Er bestaan evenwel uitzonderingen die het best ingewikkeld maken zoals de spaarpot Pac-Man: hier ben je verplicht een labyrintachtige puzzel op te lossen eer je het zuur bij elkaar gegraaide geld zal kunnen besteden. Ook een gokautomaat kan voor problemen zorgen: pas wanneer de juiste combinatie in het scherm verschijnt rollen de centjes in het bakje, veel speelplezier en geduld… 
Niets menselijks is ons vreemd, het sparen niet, het verkwisten evenmin. Maar wie ‘sparen’ zegt… hij denke meteen aan vergaren, oppotten, jawel, inderdaad, verzamelen. De mens zou de mens niet zijn indien hij niet zou verzamelen en dus bestaan er individuen die ook van de spaarpot zelf – oh ironie – een verzamelobject gemaakt hebben. Trots stallen zij honderden, nee meer dan duizend exemplaren ten toon en sleuren de verbaasde, onthutste, verschrikte bezoeker (familielid, vriend, buur, desnoods toevallige voorbijganger – je zal maar in hun klauwen belanden) mee om hun collectie uitgebreid voor te stellen en te commentariëren. Zoals gezegd, er is heel wat variatie te tonen. Er kan veel verteld worden. Bovendien, het is niet zo maar een hobby, het is – om bij het thema te blijven – een investering, een spaarpotje dus. Want kijk es aan, zo’n spaarpot als Uncle Sam, die kost algauw 1800€. Nee die bezit mijn verzamelaar helaas niet, het is maar als voorbeeld, maar toch, deze Engelse brievenbus is ook vrij zeldzaam, heb ik al flink voor betaald. Wat? Met spaarcentjes? Ja, met mijn…, uit mijn varken…
Is het nog zinvol op mijn leeftijd te sparen? Een levensverzekering? Een appeltje voor de dorst die niet meer komt? Indien ik mij toch nog een spaarpot zou aanschaffen om mijn muntjes in te bewaren, al hebben die niet eens zoveel waarde meer en bovendien betaal ook ik meestal met de bankkaart en is mijn muntencollectie dus pover, welk model geniet dan mijn voorkeur. Het bruidspaar, dat lijkt me weinig zinvol. Liever hou ik het dan bij wat me esthetisch en nostalgisch bekoort, een zeepaardje, of een vuurtoren, die zijn verkrijgbaar. Waartoe moet in hemelsnaam dat eventueel opgepotte geld voor bestemd worden, zoveel dwaze verlangens borrelen niet meer in dat brein van mij. Wellicht moet die klinkende munt dan maar aan de begrafenisondernemer overhandigd worden. Dan opteer ik voor mijn spaarpot als model allicht nog best voor: een duivel. Nu nog beslissen of ik kies voor het vriendelijk witte duiveltje, 15€, of het woeste exemplaar dat op de rug van een varken zit, 20€… beide verkrijgbaar bij bol.com, en kijk es aan, daar heb ik nog een spaartegoed van 2,50€!      

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.