Het eerste wat ik leerde toen ik voor het eerst in mijn leven een leraarskamer betrad (van een katholieke school dan nog wel) was… stripschaak. Zoals gebruikelijk in dergelijke oorden van cultuur werd er tijdens de middag immers druk gekaart met veel “miljaardes” en “nondedjus” en een collega wilde het peil van opkrikken door er de schaaksport te introduceren. Hij was daarvan een fanatieke aanhanger geworden, sedert zijn vrouw hem het fameuze stripschaken had geleerd. Ik ga hier geen schaakcursus geven, maar als ik aanneem dat u de basiszetten kent, dan is het eigenlijk heel eenvoudig: telkens de tegenstander een stuk buitmaakt op het bord, moet de verliezer ook een kledingstuk achterlaten.

De kaarters luisterden ademloos naar het verhaal, stonden een ogenblik schaakmat, maar gingen dan tenslotte toch verder met hun heidense vertier. Tenslotte speelde dit voorval zich af in de oertijden toen katholieke scholen, ook wat het personeel betrof, nog niet gemengd waren en ze zagen er dan ook het nut niet van in om tijdens de middag in hun “caleçonneke” te gaan zitten.
Onmiddellijk moest ik echter aan deze collega terugdenken, toen ik naar aanleiding van het Belgische kampioenschap schaken iemand van de organiserende club Jean Jaurés moest gaan interviewen. Ik wist dat dit mijn eerste vraag zou worden. Ik wist niet dat mijn tegenstander Hubert Thijs zou zijn, een man die deskundig en public relations van de club én het kampioenschap verzorgt en rad van de tongriem is gesneden. Twee lampjes lichten meteen op in zijn ogen, zoiets als die welke men in stripverhalen boven de figuurtjes tekent, als ik hem de vraag voorleg of stripschaak een courant spel is.
Hubert Thijs: Ik had daar alleszins tot nu toe nog niet van gehoord. Maar het lijkt me wel een interessant idee, het is misschien wel de moeite waard om er eens over na te denken hoe we dit in een competitie zouden kunnen vatten…
AMATEURS OF PROFS?
– Laten we het voorlopig nog bij de “normale” competitie houden. Hoe een Belgisch kampioenschap wielrennen of voetbal wordt betwist dat weet iedereen, maar schaken…
H.T.:
Omdat we veertig jaar bestaan, hebben we iets speciaals willen doen en we zijn erin geslaags het Belgisch kampioenschap te organiseren dat hier in Gent zal plaats hebben in de Stedelijke Middenschool op de Bargiekaai. Er zijn vier tornooien. Het eerste is dat van de experts, dat zijn de veertien besten van het land, die elke dag één partij zullen spelen, zodanig dat ze allemaal eens tegen elkaar zullen hebben gespeeld. Daarnaast krijgen we een kwalificatietornooi waarvan de twee besten volgend jaar zullen overstappen naar de hoogste reeks.
– Dat is dus te vergelijken met het voetbal: promotie, degradatie…
H.T.:
Ja, in zoverre dat het wat “degradatie” betreft niet zo simpel ligt. Op de veertien zijn er immers acht die volgend jaar zeker opnieuw mogen meedoen. Samen met die twee die overkomen van die kwalificatiereeks (de A-reeks) maakt dat dus tien, wat maakt dat er nog vier zijn die afhangen van een bepaald puntensysteem, wat dan weer te vergelijken is met het biljart of het tennis. Het is dus mogelijk dat de veertiende toch nog voldoende punten zou halen om volgend jaar weer te mogen deelnemen.
– Die experten, zijn dat amateurs of professionelen?
H.T.:
In België kunnen we wel stellen dat dit nog steeds amateurs zijn. In heel het land is er één speler die zich beroepsschaker noemt en dat is de Gentenaar De Bruycker, een vroeger lid van onze club trouwens, maar toen hij beroeps werd, was dat te lastig voor ons. Ten tijde van De Bruycker waren wij ook clubkampioen (in 1971 en in 1973) maar met hem zijn we nog een paar andere spelers verloren zodat we zijn teruggezakt tot in de tweede afdeling, waarin we nu nog steeds spelen.
– En hoe situeert die mijnheer De Bruycker zich op internationaal niveau? Waarmee ik dan meteen bedoel: waar situeert België zich op wereldvlak?
H.T. (kijkt sceptisch):
Niet erg hoog natuurlijk. Als onze spelers al ergens in een tornooi mogen meespelen, dan komen die in aanmerking voor een plaats achteraan. Dat houdt natuurlijk ook verband met de mogelijkheid om in een land mensen van die sport te doen leven. In België is dat blijkbaar onmogelijk, in Nederland gaat dat al een beetje omdat ze daar wel een tiental keren meer leden hebben. Dat is onder andere het gevolg geweest van het feit dat ze op een bepaald ogenblik een wereldkampioen hebben gehad, namelijk Euwe. Dan is het ook makkelijker om er enkele firma’s bij te betrekken en zo komt het geld los. Hier haalt men daarvoor nog de schouders op.
…VOOR DAMES APART
– Het derde tornooi is voorbehouden aan de dames, zie ik. Daar heb ik toch zo een beetje mijn bedenkingen bij. Ik kan best aannemen dat men bij het kogelstoten bijvoorbeeld een aparte competitie voor vrouwen organiseert omdat zij qua musculatuur benadeeld zijn, maar op welk gebied zijn vrouwen “benadeeld” bij het schaken?
H.T.:
Ze zouden natuurlijk in de gewone tornooien kunnen worden opgenomen. Maar als we dan in België blijven, dan moeten we toch vaststellen dat er geen enkele dame bij de experts zou geraken. Ze zijn met andere woorden niet zo sterk. Waaraan dat ligt, weet ik niet. Sommigen zeggen dat ze het wel nooit zullen leren, maar volgens mij heeft het veel meer te maken met hun mogelijkheden om zich ’s avonds bijvoorbeeld aan het schaken te kunnen wijden.
– Cultureel bepaald dus. Maar is er daar een evolutie in? Komen er meer dames? Komen er overigens meer liefhebbers in het algemeen? En hoe is de belangstelling van de jeugd?
H.T.:
Dat gaat, zij het niet overweldigend. Enkele decennia geleden is er wel een grote bloeiperiode geweest. Dat was ten tijde van de tweekamp tussen de Amerikaan Fisher en de Rus Spasski en dat had natuurlijk een grotere draagkracht dan enkel maar dat schaken. Zo kon de Amerikaan hier in het westen op een grote populariteit rekenen en zijn er meer mensen beginnen schaken. Maar dat is nadien weer afgenomen.
– De dames hebben ’s avonds andere dingen te doen, zegt u, kruipt er dan zoveel tijd in schaken?
H.T.:
Wel om te beginnen moet men in een competitie spelen, anders is het niet te doen. De meeste clubs hebben dan ook één speelavond in de week, maar wie op een bepaald niveau goed begint te spelen zal uitkijken naar een tweede club waar ook sterke spelers zijn, zodat dit twee avonden in de week wordt. En dan is er ook nog het huiswerk, de huisvlijt die de goeie spelers enkele uren zoet houdt. Ik ken persoonlijk mensen die na hun werk nog één à twee uur nieuwigheden bestuderen, alle tijdschriften en vele publicaties volgen, …
HOOLIGANS NIET TOEGELATEN
– Ik heb u onderbroken, zegt u nu dus maar eindelijk hoe het vierde tornooi in elkaar zit.
H.T.:
Dat is een open tornooi waarbij elke speler die lid is van de schaakbond kan inschrijven, ongeacht tot welke categorie hij behoort. Dat loopt slechts over negen dagen omdat dit uiteraard geen volledig tornooi kan zijn. Daaraan kunnen misschien wel 120 mensen deelnemen, het is bijgevolg onmogelijk om 119 partijen te spelen. Vandaar dat het hier een bepaald systeem van negen ronden betreft, waarbij wie won in de tweede ronde onderling speelt, enzovoort. Men noemt dat het Zwitserse systeem.
– Stel, ik ben kampioen van de experten, wat rijf ik dan binnen?
H.T.:
Er is een geldprijs van vijftienduizend frank. Maar je moet dat zo zien: het zijn niet allemaal Gentenaars hé, dus er zijn mensen die gedurende dertien dagen hier moeten logeren, want de partijen hebben ’s namiddags plaats van twee tot zeven en wie niet gedaan heeft, dan wordt de partij verder gezet van acht tot tien ’s avonds en eventueel ook nog ’s anderendaags ’s morgens van tien tot twaalf. Dan zou het zo stilletjesaan toch moeten afgelopen zijn, anders moet er nog ergens tijd gevonden worden om die partij toch nog te laten voortgaan. Maar om nu op uw vraag terug te komen: de prijs die de eerste zal krijgen, zal op die manier nagenoeg volstaan om zijn kosten te dekken. Bovendien moeten de meesten daarvoor vakantie nemen, dat kost hen wel niets, maar ze zijn die dagen dan toch kwijt.
– Zijn er toeschouwers toegelaten? Wat kunnen die verwachten? Waaraan moeten ze zich houden?
H.T.:
De toegang is vrij, maar men moet zich natuurlijk aan de regels houden, dat betekent heel stilletjes de partijen volgen. In de zaal zal er mogelijkheid zijn om dat van vrij dichtbij te doen, maar het spreekt vanzelf dat bij de experten die mogelijkheid kleiner zal zijn dan in het open tornooi. In het eerste geval zijn er echter wel demonstratieborden voorzien, zodanig dat men toch van ver de toestand kan volgen.
– Is er een relatie tussen schaken en socialisme of is dat toeval? In de tijd van Anseele zullen de arbeiders toch wel wat anders om handen gehad hebben dan een potje te gaan schaken?
H.T.:
Dat zal wel! Maar om te beginnen, ik zou ons geen socialistische club durven noemen. We spelen in een socialistische lokaal, o.k., maar er zijn hier zeker heel wat mensen die zich daar hoegenaamd niet van bewust zijn. Maar het is wel zo dat bij het ontstaan in 1945 de oprichters duidelijk de bedoeling hadden van het schaken iets anders te maken dan wat het tot dan toe was. Schaken is net als tennis bijvoorbeeld lange tijd een elitezaak geweest. Er was hier in Gent een andere club, waarbij men twee peters moest hebben om daarvan lid te worden en dat waren dan bij voorkeur een dokter en een notaris, begrijp je? En daar werd natuurlijk liefst Frans gesproken. Die club, de Koninklijke Gentse Schaakkring, bestaat nu nog steeds, maar de mentaliteit is natuurlijk compleet veranderd. Wij zijn daar echter wel voorlopers in geweest. Wij hebben die barrière doorbroken. Wij hebben Jan met de pet leren schaken. Hier is nooit drempelvrees geweest, trouwens de schaakclub is gewoon gegroeid uit de kaartclub. Vlak na de bevrijding kwam men hier elk weekend samen om te kaarten. Nu is dat allemaal erg veranderd, de mensen hebben nu veel meer mogelijkheden. Maar wij hebben het schaken gepopulariseerd en als je het op die manier bekijkt, dan zitten we wel in een bepaalde denktrant, ja. We zijn ook erg fier op onze naam, al is dat gewoon omdat het lokaal toevallig zo heet, want voor zover we weten was Jean Jaurés zelf geen schaker, hij zal er misschien geen tijd voor gehad hebben. Maar we kennen de man natuurlijk wel en we zijn er erg fier op dat we zijn naam mogen dragen. Hij was een man van vrede, van begrip tussen de mensen en daar hebben we met onze schaakclub ook steeds willen toe bijdragen.
SPORT?
– Zijn schakers sportmannen?
H.T.:
Dat is een moeilijk vraag, die steeds weerkeert. Ik zou daar als volgt willen op antwoorden: het is op z’n minst sport. Er is het competitieve element, waarbij ook de fysiek een grote rol speelt, denken we in dat geval maar aan het duel tussen Kasparov en Karpov. Kasparov was de man die tennist en zwemt in zijn vrije tijd, terwijl Karpov meer introvert is, naar muziek luistert en zo. Maar na een paar maanden dreigde hij dan ook fysiek door de knieën te gaan. Ik denk ook aan Fisher. Dat was een reus die evengoed basket had kunnen spelen. En wat zeker is: hoe sterker men speelt, hoe belangrijker dat fysieke element wordt. Als je ziet dat een schaakpartij vaak zes, zeven uur kan duren…
– “Op z’n minst” zeg je, maar mogen we dan in het andere uiterste vervallen? Daarmee bedoel ik het volgende: ik geloof dat het de Nederlander Euwe is die een wiskundeprof is, iets waarmee het schaken vaak geassocieerd wordt…
H.T.:
Het logische denken, het wiskundige denken, jaja, maar tegelijk moet ik ook “nee” zeggen. We hebben in onze club bijvoorbeeld mensen gehad die heel sterk waren in wiskunde, maar na een paar jaar toch het schaken vaarwel hebben gezegd, omdat bleek dat men daarnaast ook over veel fantasie moet beschikken. Bij wereldkampioenen vind je vaak die twee componenten terug. Hét voorbeeld van de wiskundige schaker is natuurlijk Karpov. Dat is een computer die schaakt. Maar Kasparov is dan weer eerder de man die bepaalde dingen gaat vinden.
– U bent zelf schaker?
H.T.:
Uiteraard, maar als men zich met het organiseren van tornooien en dergelijke bezig houdt, dan moet men natuurlijk een stuk van het eigenlijke schaken laten. Tot mijn grote spijt.
– Stel u voor dat het kampioenschap ergens anders werd georganiseerd, in welke categorie zou u dan spelen?
H.T. (aarzelt):
Waarschijnlijk in het open tornooi. Had ik echter mij al die jaren niet met die organisatorische kant van de zaak ingelaten, dan zou ik mezelf misschien toch wel in de A-klasse situeren. Ik had wel die mogelijkheden, dacht ik. Maar ja, je moet een keuze maken …
Inderdaad, en als u erin zou slagen een tornooi stripschaken uit de grond te stampen, dan krijgt u allicht toch nog een plaatsje in de geschiedenisboeken, die zich nu vaak beperken tot de vermelding dat het schaken in India is ontstaan in de 7de eeuw voor onze jaartelling en dat de pionnen op het bord uiteraard het zeer stricte klassenonderscheid weergeven.

Referentie
Ronny De Schepper, “Wij hebben Jan met de pet leren schaken”, De Rode Vaan nr.24 van 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.