De Britse auteur Jonathan Coe (foto Walnut Whippet via Wikipedia) werd geboren te Lickey, in de buurt van Birmingham, op 19 augustus 1961. Hij studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Warwick waar hij ook zou doceren. Maar naast de letterkunde kende hij een andere passie: de muziek waarmee hij opgroeide. Dat was de ‘Canterbury progressive rock’, een genre dat zijn ontstaan vond bij de psychedelische bands als Pink Floyd en The Grateful Dead.

Hij speelde zelf in een groepje, schreef een aantal songs, en het thema muziek loopt als een rode draad doorheen zijn literair werk. Namen als Eric Clapton, Kevin Coyne, Steve Miller duiken op, er wordt naar concerten gegaan, rokerige kroegen, kelders en pubs; er wordt zelf geëxperimenteerd, geknoeid, geruzied, naar muziek geluisterd, commentaar geleverd… en toegekeken hoe de punk zich manifesteerde. Zelfs als succesvol auteur lieten de noten hem niet met rust: in 2008 schreef hij het een uur durend muziektheater voor drie personen ‘Say Hi to the Rivers and the Mountains’ dat in Dublin in première ging en daarna nog voorstellingen beleefde in de UK en Spanje.
Maar met meer dan tien romans, enkele kinderboeken, en ook non-fictie over o.m. James Stewart en Humphrey Bogart, ligt de focus uiteindelijk toch vooral op Coe als auteur. Zijn eerste pennevrucht leverde hij af als achtjarige met een thriller ‘The Castle of Mystery’. Vermeldenswaard? Enkel omdat hij een aantal bladzijden van dit jeugdig meesterwerk zou opnemen in zijn roman ‘What a Carve Up’ (1994) (‘Het moordend testament’), dat vooral het leven onder het bewind van Thatcher belicht. Dit boek werd geadapteerd voor de radio.

Hij debuteerde in 1987 met ‘The accidental woman’ over drie generaties vrouwen in het post-oorlog London. Dan waren er o.m. het opmerkelijke ‘The rain before it falls’ (2007) en ‘The House of Sleep’ (1997) dat hem in Frankrijk de Prix Médicis opleverde. In 2018 verscheen – over de aanloop naar de brexit – ‘Middle England’. ‘The dwarves of death’ werd in 1999 door Tom Connelly verfilmd onder de titel ‘Five seconds to spare’ en van ‘The terrible privacy of Maxwell Sim’ bestaat een verfilming door Michel Leclerc (2015). Wellicht het meest spraakmakend werk is ‘The Rotter’s Club’ (2001) waarvoor hem The Bollinger Everyman Wodehouse Prize toegekend werd. Zo komisch is deze roman evenwel niet, al mag bij Coe een  tragi-komische achtergrond niet ontkend worden…
The Rotter’s Club
Deze roman speelt grotendeels in de industriestad Birmingham, gedomineerd door de gigant British Leyland. De jaren 1970, een roerige tijd – stakingen, de IRA… Daar laat Jonathan Coe talrijke personen evolueren. Hij voert enkele gezinnen ten tonele die op een of andere wijze met elkaar te maken hebben: meestal via de kinderen (die de hoofdfiguren blijken), ook via de ouders die ongetwijfeld hun rol spelen in het dagelijks drama. Centraal – al moet dat met enig voorbehoud gesteld worden vermits alle personen essentieel zijn in het verhaal – is het gezin Trotter. Vader Colin, arbeider in de autofabriek; moeder Sheila, dochter Lois, zonen Paul en Benjamin. Deze laatste kan beschouwd worden als het alter ego van de auteur: hij schrijft, hij heeft een passie voor muziek (speelt in een bandje, keyboard net als Coe; en suggereert hij niet n.a.v. het beluisteren van de ‘Londense Symfonie’ van Vaughan Wlliams dat hij best een ‘Birmingham Symphony’ zou kunnen schrijven – een aankondiging van Coe’s later werkelijk ontstane muziektheater als vermeld?). Dit gezin verwijst naar de naam, extra reden om hen in het middelpunt te plaatsen. Op school was het de gewoonte Benjamin niet tot Ben te verkorten maar de naam Ben Trotter te herleiden tot BenT Rotter – een ietwat stekelig grapje… Idem voor de andere gezinsleden, de Rotter’s Club. 

Een cruciale plaats wordt eveneens ingenomen door Bill Anderton, vakbondsafgevaarde. Niet louter omwille van zijn functie, ook wegens zijn turbulente liefdesleven (o.m. met een meisje dat spoorloos zal verdwijnen), de relatie met zijn echtgenote en zoon. En vooral ook met de leden van de vakbond wat ons een vaak scherpe, soms cynische, maar ook hilarische blik gunt op het spel van macht en manipulatie – hijzelf, deze Bill, blijft als een idealist overeind. Meteen is één der cruciale thema’s van het boek reeds vermeld: de situatie van de arbeider, bewustwording; de jaren zeventig: er worden stakingen georganiseerd, betogingen… het zijn roerige tijden. De auteur belicht alle facetten, werk- en leefomstandigheden, het kapitalisme, economische aspecten. En daarbinnen dringt zich meteen het probleem van het racisme op, met de steeds manifestere aanwezigheid van het National Front – bovendien scherp gesteld door de aanwezigheid van die ene gekleurde leerling op de ‘betere’ school waar de Trotter’s studeren, de bestaande King Edward’s School in Birmingham. Ook dit komt aan bod: het verschil tussen elitaire en public schools.

In de marge, maar helaas soms al te ingrijpend, zijn er ook in Birmingham aanslagen door de IRA – dit alles creëert een gevoel van onzekerheid.In dit klimaat volgen we de ontwikkeling, de groei van zo’n tiental jongeren in de loop van het decennium. Op weg naar volwassenheid. Elk met specifieke problemen, verlangens. Ieder met eigen noden en belangstelling. De individuele tekeningen zijn sterk, de psychologische ontleding boeiend – terwijl ze toch tenslotte als portret van de jeugd iets universeel bewaren. Mogelijk omdat er die bindende elementen zijn: interesse voor muziek, sport, literatuur, het andere geslacht… Niet bij ieder in gelijke mate uiteraard, maar telkens raken ze elkaar, of botsen desnoods.

Hoewel dit boek van meer dan 400 pagina’s leest als een roman bedient de auteur zich deels van een collagetechniek. Hij verweeft in het verhaal pamfletten, dialogen, schoolopstellen, krantenartikels, interviews, recensies, citaten, dagboekfragmenten. Het lijkt een spel dat culmineert in het laatste hoofdstuk: één lange zin van bijna veertig bladzijden, a.h.w. uitgespuwd door Benjamin. Zelfs een speech, uitgesproken jaren later – in 1999 – door één van de jongeren, inmiddels gearriveerd burger, dient als een soort reflectie. Terwijl tussendoor ook een blik gegund wordt op de geschiedenis van Ierland en Wales, het nationalisme, én er zelfs een zijsprong gemaakt wordt naar de pogrom in Denemarken. Desondanks haakt alles logisch in elkaar en is het werk, met zijn talloze thema’s, niet overbeladen dankzij de duidelijke verhaallijn en het belang van de diverse hoofdpersonages die als bindmiddel en rode draad het geheel blijven beheersen.

Complex? Coe laat Benjamin Trotter het zelf verwoorden en duidt daarmee aan waarom zijn roman ook zo geconcipieerd is: “Het was de wereld, de wereld zelf, die buiten zijn bereik lag, dat hele absurd grote, ingewikkelde, toevallige, onmetelijke bouwsel, die nooit eindigende getijdenbeweging van menselijke betrekkingen, politieke betrekkingen, culturen, geschiedenis… Hoe kan iemand  zelfs maar dromen dat hij ooit greep zou weten te krijgen op dat alles? Het was iets heel anders dan muziek. Muziek klopte altijd. De wereld zou hij nooit leren begrijpen, maar van deze muziek zou hij altijd blijven houden.”

Deze muziek was dan ongetwijfeld deze van ‘Hatfield and the North’, een band uit de ‘Canterbury progressive rock’-scene die in 1975 op Virgin de LP ‘The Rotter’s Club’ uitbracht! Een LP in de roman gekoesterd door Benjamin, in het leven allicht door Jonathan Coe zelf…

De roman werd voor de radio bewerkt en in 2005 voor BBC2 verfilmd. In ‘The closed circle’ (2004) zou Coe dezelfde personen uit ‘The Rotter’s Club’ ten tonele voeren – nu volwassen, zich opmakend om het jaar 2000 te be- en overleven. Terwijl hij reeds in 1994 met ‘What a carve up’ het politieke en sociale klimaat in de UK beschreef (Thatcher, John Major) in de jaren tachtig.    

Expo 58

‘Expo 58’ (2013) speelt deels in Londen maar vooral, zoals de titel ‘min of meer’ laat vermoeden, in de schaduw van het Atomium waar het hoofdpersonage Thomas Foley gedurende de zes maanden dat de Expo duurt wordt heengezonden om een oogje in het zeil te houden in het pronkstuk van de Britse deelname, de veredelde pub Britannia. Hij is een ambtenaar van een schimmige overheidsinstelling die bedoeld is om voorlichting te geven op diverse terreinen. Gehuwd en prille vader. Al dadelijk wordt hij geconfronteerd met twee mysterieuze figuren, slappe hoeden, regenjassen – opvallende veiligheidsagenten of spionnen: de satire kan starten. En houdt niet op, we beleven groteske vergaderingen over de plannen m.b.t. het Britse paviljoen, geruzie, kleingeestig gekibbel op hoog niveau. Tot we ons in Brussel bevinden en het verhaal een wending neemt en het verhaal niet onderdoet voor een Bond van Fleming. Relativerend en met veel korrels zout zoals van Coe mag verwacht worden, letterlijk zelfs vermits geheime documenten op microfilm gesmokkeld worden via zakjes zout! Een liefdesgeschiedenis, meerdere zelfs, bijhorende chantage. Een dienster die een spionne is, een Russische journalist blijkt een KGB-agent, een Amerikaanse actrice behoort tot de veiligheidsdienst, ergens op het rustige platteland vinden we een woning met hoog-technisch materiaal van de CIA. Het kan nauwelijks gekker. En binnen dat alles is Thomas Foley niet veel meer dan een speelbal, een voor alle partijen nuttig instrument. Terwijl hij zich op het thuisfront wegens een misverstand rond een pleister voor likdoorns (!) bijna laat scheiden…

Eind goed al goed. Spionnen ontmaskerd. De eer van Engeland gered, hoewel hun paradepaardje, een ZETA-machine die in het middelpunt van de kerntechnologische belangstelling stond het net toen liet afweten en moest afgevoerd worden – hoogmoed kwam voor de val. En voor Foley evenmin zo’n denderend einde vermits hij tenslotte onder bedreiging, chantage wegens een amoureus ‘Expo 58’-slippertje, de rest van zijn leven als derderangs spion zal fungeren.

Achter dit alles commentarieert Coe met veel humor, maar ook spanning, met vaak cynisme, of sarcasme, over politiek, koude oorlog, de relaties tussen de landen inclusief de schijnheilige of in ieder geval bij voorbaat tot mislukken gedoemde bedoelingen van zo’n wereldtentoonstelling om landen dichter tot elkaar te brengen. Deze ‘malle heisa’ zoals een personage het noemt kost miljoenen. En is een zeepbel. Coe spot met de politiek, de diplomatie, de geheime dienst, maar ook met het kleinburgerlijke, met de gewoonten van het Britse volk. Niets is veilig voor zijn satire. Maar dat betekent niet dat hij niet zeer ernstig op bepaalde problemen kritiek kan leveren. Zo is hij genadeloos voor de politiek, de kernbewapening en de kerncentrales. En stelt hij het probleem van de tentoongestelde ‘negers’ in het authentieke Congolese dorp in het Belgisch paviljoen scherp; met even later een verwijzing naar de mensen die figureren als middeleeuwse boerenbevolking in het Vlaamse dorp in datzelfde paviljoen. Aapjes kijken… Een roman met humor, spanning, en heel wat doordenkertjes. 

Number 11

‘Number 11 or Tales that witness madness’ (2015) is een roman die je zou kunnen lezen als vijf aparte verhalen. Er is evenwel een bindend element: de vriendschap (met ups en downs) tussen twee meisjes die we volgen vanaf hun heel prille jeugd tot ze de middelbare leeftijd bereiken. Beide evolueren in een ander milieu, bewandelen andere paden, kennen (uiteraard) een zeer verschillende en grillige levensloop die hen soms mijlen- en jarenlang van elkaar verwijdert. Dan is er nog een detail dat in ieder hoofdstuk weerkeert, het getal 11. Het kan het huisnummer zijn van een excentrieke dame, of het lijnnummer van een autobus in Birmingham, de aanduiding van een loods. In het vierde hoofdstuk is het het nummer van de tafel bij een galadiner terwijl het in het slothoofdstuk verwijst naar de elf verdiepingen ondergronds die gebouwd moeten worden en aanleiding worden tot een hallucinerend slot. Natuurlijk ligt het voor de hand dat het refereert aan het politieke hart van het UK, Downing Street 11 – dat Jonathan Coe daarop uiteindelijk zelf zinspeelt is in feite ietwat overbodig.  

Terwijl elk ‘verhaal’ op zich zeer boeiend, zeg maar spannend is, en de evolutie van de hoofdpersonen bijzonder knap getekend wordt en daarnaast meteen ook steevast intrigerende nevenpersonages opduiken, ligt de essentie van ‘Number 11′ elders. Coe snijdt in ieder hoofdstuk een aantal maatschappelijke thema’s aan. Telkens confronteert hij zijn figuren – en dus de lezer – met wat fout loopt in de wereld. Dat hij dit vertellend, quasi terloops doet, zonder zwaarwichtige commentaar, maar ons wel vooral met concrete voorbeelden en zelfs feitenmateriaal met de neus op de feiten drukt maakt het meestal des te aangrijpender. In het eerste hoofdstuk heeft hij het over mensensmokkel, uitbuiting (tewerkstelling, huisvesting), vreemdelingenhaat, marginalen, en over de invasie in Irak met de politiek van de US en Tony Blair. Het tweede verhaal legt de focus op de kapitalistische maatschappij. Hoe werknemers behandeld worden, de geringe lonen, ontslagen, inzetten van goedkope werkkrachten, misbruik van interim. Hij gaat in op het faillissement van de banksector en duidt de impact van dit alles voor het individu: op relaties, alcoholisme, depressies. Daarnaast stipt hij de oppervlakkigheid van de media aan en klaagt aan hoe ze gegevens en beeldmateriaal manipuleren.  Hoofdstuk 3 verhaalt over het fenomeen van de klokkenluiders, over het verlies van onschuld in de politiek en in de ganse maatschappij. Daarbij legt hij een link naar de eerste bladzijden waar zo’n waarschuwende vinger m.b.t. de oorlogsinmenging van Groot-Brittannië tot een zelfmoord leidde. Daarnaast is het ook een ode aan de verwondering en de passie in de ruime betekenis. De voedselbanken worden besproken en zullen ook verder in de roman nog aan bod komen. Ook het thema van de gastarbeiders, de onveilige werkomstandigheden – met soms dodelijke ongevallen – zal nog hernomen worden, in het vijfde hoofdstuk. Eerst heeft hij het in hoofdstuk vier vooral nog over de politiek, de media, de oorlogsindustrie en drijft hij zeer komisch de spot met het fenomeen ‘prijzen’ en ‘op schavotjes zetten’. Want Coe mag dan al in deze roman zoveel onvrede over de maatschappij op een hoop gooien, uiteindelijk rest er voldoende humor ook al is die vaak grimmig en bitter. Tenslotte – hier gaat hij de sarcastische toer op – laat hij uitgebreid de theorie ontvouwen hoe alles, ook het mensenleven, in een geldwaarde kan vertaald worden. Zelfs op gevoelens kan men een bedrag vastpinnen…    

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.