“Het hele leven is onzeker, afgezien van dat ene noodzakelijke feit dat er vroeg of laat een einde aan komt,” noteert Paul Auster in ‘Winter Journal’. Een torenhoog cliché natuurlijk, maar meteen onverbiddelijk waar. Of zoals Michel Tournier het formuleert in ‘Le Roi des Aulnes’: “De vrouw die het kind draagt moet ook haar rouw dragen”.

We belanden allemaal ooit onder de grond, of verspreid in de lucht, opgesloten in een potje, verdwarreld en opgeslokt in de golven… er is nog een beperkte keuze. En voor wie enig geloof bezit in een of ander gaat het ergens misschien nog een poos – of héél lang – verder… dat wordt afwachten, een dubbeltje op zijn kant.
De eigen dood beleef je niet, deze van anderen wel helaas. Wanneer ik teruggrabbel in mijn verste herinneringen… triviaal allicht, zou het eerste sterfgeval mijn geliefde poes geweest zijn? Ik bewaar geen herinnering aan haar verscheiden, bizar. Maar nee, voordien moet nog een familielid bezweken zijn: de moeder van mijn mama, mijn oma dus. Die gedurende mijn twee eerste levensjaren bij ons inwoonde, dement werd, agressief en blijkbaar gevaren opleverde voor mij zodat zij gedurende een tweetal jaren nog terechtkwam in een verzorgingstehuis. Ook aan dat definitieve afscheid bewaar ik geen glimp van een beeld, geen zweem van rouw.

Ach wat maakt indruk op kinderen, het verlies van huisdieren natuurlijk. Dode poes werd vervangen door een hondje dat er na twee dagen de brui aan gaf, longontsteking. De kennismaking inclusief vriendschap was te kort voor grote droefheid. Anders was het gesteld bij de pijnlijke dood van zijn opvolger die ik twaalf jaren koesterde en die we na een pijnlijke ziekte lieten inslapen, in mijn armen. Dé confrontatie met wat men ‘de overgang’ noemt!
Maar inmiddels ging mijn jeugd al langzaam aan het glijden en waren er toch – in die periode van de lagere school – enkele overlijdens geregistreerd. Die heel wat dramatischer waren dan deze van de viervoeters, hoe pijnlijk die ook kunnen zijn. Daar was vooreerst het gebeuren met een klasgenoot in het tweede of derde jaar: hij overleed plots in het zwembad toen hij zijn zwembrevet wou halen, hoe sarcastisch kan de dood zijn. Het pompeuze afscheid van de ganse scholengemeenschap staat me nog helder voor de geest – net als de sfeer der eerste dagen in het klaslokaal én zijn foto. Guy Van der Vliet, er zijn namen die zich niet laten wissen in het geheugen. Enkele jaren later werd ik geconfronteerd met het begrip kanker toen een neef, ongeveer vijfentwintig jaar jong, overleed. De echte confrontatie school voor mij evenwel niet in het sterven zelf maar in het afscheid dat er nauwelijks één was: enkele weken voor zijn dood liet men mij hem nog eens begroeten, vanuit de deuropening van zijn slaapkamer – hij tilde het hoofd een beetje op, wuifde en produceerde een grimas: de dood kon niet méér nabij zijn. Hoe een verstard beeld zich decennialang op het netvlies hecht – het wit van de dood op de strakgespannen huid over de jukbeenderen, de holle zwarte ogen waarin wanhoop en berusting wellicht vochten, die akelige grijns…

Ook een klank weet zich zo een leven lang te handhaven. Nog steeds hoor ik de doffe klap waarmee het hoofd van een meisje, zij was negen of tien jaar oud, op de straatstenen smakte. Ik ging na schooltijd naar huis en was er getuige van hoe haar lichaam, toen zij plots de rijweg overliep, door een auto gegrepen en in de lucht geslingerd werd. Fataal. Het geluid, echoloos, galmt nog steeds in mij na al was zij een onbekende.

Het hield niet op: vele jaren later op weg naar een toneelrepetitie, bij valavond, belandde een motorrijder die uitweek voor een onvoorzichtige voetganger, na een slippartij voor mijn voeten. Hij stamelde nog enkele helaas voor mij onverstaanbare woorden, raakte in coma, en…
Er waren, evident, de sterfgevallen die volgens de natuur hun logische verloop kenden: de grootouders langs vaders kant, een veel oudere broer van vader. Maar toen diende zich die dag aan, 5 oktober 1965. Daar stond de man met de zeis, verscholen in een dichte mistbank terwijl mijn broer in het vroege ochtenduur naar zijn werk reed. Het ‘verhaal’ is te lezen op deze blog onder de referentie ‘Pro-Justitia 8973-1965‘.

Iets genadiger – een compensatie? – was hij voor mijn vader. Die na jarenlang geteerd te hebben op een pacemaker daarna twee jaren aan huis gekluisterd zat met zuurstof, hij de Bourgondiër, het sociaal dier, de tooghanger. Middaguur, ik ging op weg naar het werk even bij hem langs; hij had bezoek – een vriendin des huizes, ze lachten, hij amuseerde zich, genoot… Nauwelijks een halfuur was ik aan de arbeid of de vriendin stond voor mij: vader was plots overleden, pratend, lachend. Inderdaad, op zijn gelaat geen pijn, geen angst, geen grimas, een zweem van gelukzaligheid. Het mag mij ook gegeven zijn.     

In voormeld boek schreef Michel Tournier ook: “Leven en dood dat is hetzelfde. Wie de dood haat of vreest, haat of vreest het leven. Juist omdat ze de onuitputtelijke bron van het leven is, is de natuur niet anders dan een groot kerkhof, een put die alle ogenblikken opslokt.” De dood haten, vrezen… we moeten ons mogelijk niet al te zeer en vast niet voortdurend om haar bekommeren. Makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe ouder we worden hoe meer we de nabijheid – schrikbarend dan wel verlossend – voelen. Al ligt zij iedere seconde van ons leven, van baby tot hoogbejaarde, even mogelijk om de hoek te gluren. Op alle mogelijke wijzen. Alleen, inmiddels zo’n leeftijd bereikt dat opa inderdaad ‘opa’ is, dan besef je dat hoe dan ook hét moment onontkoombaar dichterbij sluipt. Dat er zelfs geen ‘toevalligheden’ meer een rol hoeven te spelen. De natuur zal haar gang wel gaan.

Dan is de vraag, gaan we die dood vrolijk fluitend of panisch tegemoet. Of duw je de gedachte heel ver weg. Als je op wat men zo eufemistisch de gezegende leeftijd noemt gekomen bent – er rust vaak bitter weinig zegen op – en het aftakelingsproces heeft zich onverbiddelijk ingezet. Lacht de toekomst ons nog toe? Moeten we het verval lijdzaam ondergaan. Hoeveel vreugdevolle ogenblikken zullen we nog tellen. Pijn, wanhoop, depressie, uitzichtloosheid, verveling, het ligt op de loer of heeft ons al vast in de greep. Ergens wenkt hij, moet hij dan niet onze allerlaatste vriend worden, onze meest intieme kameraad… hij staat klaar. Gaan we hem blijgezind tegemoet.

Misschien zelfs met versnelde pas! Zoals daar is de zelfdoding; maar zo weinig humaan – voor alle betrokkenen, nabestaanden. Euthanasie is heel wat fraaier. Persoonlijk zou ik op een heel praktisch probleem stuiten, mijn eerste aanspreekpunt, de huisarts was immers de spilfiguur in het euthanasieproces rond Tine Nys en hem moet je voorlopig het fatale woord niet in het oor fluisteren.

Ach, beste Pietje we zullen onze tijd maar uitzitten zeker en lijdzaam jouw komst op schuifelvoeten afwachten. Ik citeer nog wat de filosoof Diderot in 1762 schreef aan zijn geliefde Sophie Volland: “La vie n’est qu’un long jour de fatigue, et la mort qu’un long sommeil, et le cercueil qu’un lit de repos, et la terre qu’un oreiller où il est doux à la fin d’aller mettre sa tête pour ne la plus relever…” Hij had toen nog 22 jaren te gaan. Zou ik de redenering van Elias Canetti volgen (in ‘Die Provinz des Menschen’): “De vloek van het ‘moeten’ sterven dient in een zegen te veranderen: dat we nog ‘kunnen’ sterven omdat het ondraaglijk is te leven.” 
Wie weet wat komt er hierna! Bijzonder gelovig ben ik niet. Het Walhalla, een hemel en rijstpap met gouden lepeltjes, zestig maagden. Reïncarnatie misschien al zou ik niet zo dadelijk een voorkeur hebben in wie of wat ik zou willen terugkeren op deze vervloekte bol. Een mens, bespaar het me. Liever een dier, een stokstaartje lijkt me wel wat, of een zeepaardje, ook sympathiek, of een wijze uil (maar muizen eten?) – liever een ezel dan.

Wie weet moet ik toch geloof hechten aan wat Dante vertelde in zijn (Divina) Commedia over zijn tocht met Vergilius naar het Inferno, Purgatorio en het Paradiso, en kom ik ooit daar terecht om op mijn beurt al die personen te ontmoeten. “Door mij gaat ge in de droeve stad der smarten. Door mij gaat ge in het lijden zonder einde. Door mij gaat ge in de wereld der verdoemden. Laat alle hoop varen, gij die hier intreedt.” Zo staat geschreven boven de poort van de hel – maar zo bont heb ik het toch niet gemaakt dat ik daarheen zonder genade zou verbannen worden… of wel? Stuurt de genade mij niet naar het vagevuur met zijn zuiverend water: “Hier stroomt het afwaarts met een kracht begiftigd, die ’t beeld der zonden wegwist uit ’t geheugen, ginds brengt het alle deugden weer voor ogen.” Zodat ik tenslotte zou mogen genieten van de opperste en eeuwige zaligheid! “Al ’t goede toch, waar ’t menslijk hart naar hunkert, is in dat licht, en wat daarbinnen schittert in hoogste glans, blijft vaal en dof daarbuiten.” Dante begon dit alles te schrijven in 1311 maar hoe prachtig ook, nee ik denk niet dat ik Beatrice, Paolo Malatesta en zijn Francesca, Orestes noch de apostelen zal te zien krijgen, Petrus zal de poort voor mij niet ontsluiten vrees ik. Het blijft een prachtige tekst maar mijn geloof is niet bijster sterk.
De literatuur heeft het uitgebreid over de liefde en het leven maar ook de dood laat zich niet onbetuigd. Zo’n pareltje sleep ik al uit mijn jonge jaren mee, hoe oud het ook mag zijn vermits de heer Joost van den Vondel reeds in 1587 het levenslicht aanschouwde. ‘Kinder-Lyck’ is de suggestieve, dubbelzinnige titel. “Constantijntje, ’t zaligh kijntje, cherubijntje, van om hoogh, d’ijdelheden, hier beneden, uitlacht, met een lodderoogh. Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy? Waarom greit ghy, op mijn lijck?”… Het zoontje overleed in 1632, een jaar later gevolgd door zijn zusje Saartje – toen acht jaar – die eveneens een gedicht meekreeg met een beroemde beginregel: “De felle dood die nu geen wit mag zien…”.

Laat ik nog eens zo’n oude knar uit de kast halen, den heer Constantijn Huygens, geboren in 1628. Hij mijmerde ter gelegenheid van zijn verjaardag op 4 september 1676 een heel lang gedicht bij elkaar waarin o.m.: “En komt het niemand voor, dat, als de Dagh ten end is, de Nacht dicht daer omtrent is.” Het is duidelijk wat hij met dag en nacht reeds bedoelt. “En wenscht men mij geluck met dat ick ’t leven derven en noch eerlang moet sterven.” “Wie werd niet moe getobt in ’t woeste wedervaren van winden en van baeren: wie haeckt niet naer de rust en onbewogen grond van een vertrouwde cust? Nieuw en Hemelen, ’t sal mij niet langer lusten als t’uwent in te rusten, als ’t Hem gevallen sal my op syn heiligh hoogh te voeren uijt dit Dal”. Huygens ziet zich dit aardse tranendal dus ruilen voor een betere plaats, of hij ons werkelijk welwillend vanuit den hoge aanschouwt momenteel?

Vrij algemeen bekend en dichter bij ons is het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van P.N.van Eyck uit 1926 waar een tuinman in Perzië, bezig de rozen te snoeien, oog in oog komt te staan met onze vriend. Hij springt op een paard en vlucht naar Ispahaan. Zijn meester ontmoet even later ook de Dood die hem zegt verwonderd te zijn dat hij de tuinman nog hier aantrof vermits hij hem die avond moest halen in Ispahaan… Ja, je ontkomt Hem niet!

Dit verhaal zelf was lang niet nieuw: in de Talmoed was reeds iets dergelijks te lezen waar een dienaar van koning Salomo voor de Engel des Doods de benen nam naar het land Luz. En hetzelfde thema voert ons ook naar Jeruzalem, daar is het een bediende van Sulayman die het hazenpad naar India kiest. Tenslotte zou het trouwens Jean Cocteau zijn die het verhaal oppikte en het in 1923 neerschreef, een gedicht waarop van Eyck zich inspireerde, zodat hij van plagiaat beschuldigd werd!
Over naar meer hedendaagse tijden met Jotie T’Hooft, niet onze meest geniale dichter maar wel deze die met veel enthousiasme de dood bezong in alle toonaarden, om hem tenslotte op 6 oktober 1977 zelf te omarmen. Begon ik dit Hoekje over de onafwendbaarheid van de dood, wat vertelt Jotie, de ‘droeve eenhoorn’: “Dat ik in deze wereld sta te sterven… wat mij door een lot werd toegekend… moeder waar ik weer in verdwijn” (‘Een kamerfilosoof’) en in ‘Voor boer en tuinder’ stelt hij “het rood der geraniums en het groen van agaves” tegenover “in herfstkou geteelde chrysant”, in één bloemperk samen, geboorte en dood. En nog: “De kiem die in mij is klaargelegd, de dood”. Welke vaak wonderlijke namen heeft hij in petto voor zijn vriend die “nacht maar ook licht is”: Doodsbloem, Prins dood, doodjelief, toorts, licht van alle licht, handige dief, stalen klem. “Mijn stilste en mijn trouwste vriend” en “Getuigenis van de verlossing” noemt hij hem. Het kan ook eenvoudig wanneer hij het failliet van namen, van woorden overdenkt: “Slechts één naam legt iets bloot, de eeuwenoude roepnaam Dood”. Een leven van drank, drugs, depressies, de zelfkant, liefde en poëzie. “Lieve dood, ik weet dat gij niet lief zijt/maar als handwerkman uw dagen slijt./Ik heb u geschreven om uw komst te vragen/maar het lijkt enkel uw komst te vertragen.” Uiteindelijk stak hij zijn vriend een handje toe, “Dat was dan dat; ik word herinnering/hooguit voor een verloren uur nog goed.” Ook de beeldende kunst liet zich niet onbetuigd en had interesse voor het eind des levens. Er waren deze die zich focusten op de impact van de dood op het leven…
Bij zowat iedereen staat ‘Guernica’ van Picasso op het netvlies geënt, dat prangende schilderij waar hij de verwoesting evoceerde van het Baskisch stadje op 26 april 1937 door de Duitse en Italiaanse bommenwerpers. Gruwel in al zijn bittere schoonheid. Maar ik wil de spot even richten op een favoriet van mij, de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer (°1945) over wie recent een tentoonstelling liep in museum Voorhuizen te Wassenaar. Zelf maakte ik kennis met zijn werk in het KMSKA te Antwerpen. Ooit reisde hij Europa rond om zichzelf te fotograferen terwijl hij op diverse locaties de Hitlergroet bracht, een soort ‘Bezetting’ evocerend… waarmee hij zijn betrokkenheid bij de oorlog, de concentratiekampen wou uitdrukken. Controversieel  en uiteraard omstreden. In zijn werk vinden we veel mythen terug en tevens het ontdoen ervan, het ontmantelen. Hij werkt voor zijn schilderijen, installaties en monumentale werken, met vaak minder gebruikelijke materialen: as, aarde, ijzer, oxide… En we merken dat hij een voorliefde heeft voor hout: geen steen, geen marmer, ook wanneer hij ons binnen leidt in (vele) schilderijen die grote dreigende ruimten, hangars tonen – beangstigend; wat gebeurde er, of wat zal er gebeuren… Veel winterlandschappen, geen klare luchten bij Kiefer, duister, sneeuw… Spoorlijnen die natuurlijk laten denken aan fatale transporten. En in de meeste werken verweeft hij de taal met het beeld. Woorden, namen, letters… Soms worden ze onleesbaar en dienen ze louter als signaal. Meestal verwijzen ze concreet. Hij werkte samen met de dichter Paul Celan, illustreerde diens werk. ‘Fugue de la mort’: “Il crie jouez plus douce la mort la mort est un maître d’Allemagne/il crie plus sombres caressez les violons et vous monterez dans les airs en fumée/vour aurez une tombe alors dans les nuages où l’on n’est pas serré.” Ingeborg Bachmann, Osip Mandelstam en zoveel andere namen defileren in zijn werken… Beklijvend vond ik ‘Couronne noir’ uit 2005, dat een eindeloos veld toont, flarden van zinnen geschreven in een grauwe lucht, uitgestrekt geplant zien we takken, kreupelhout – het lijken symbolische povere gerijde grafmonumenten, op de voorgrond een stoel met een takkenbos. Of ‘L’orage des roses’: kluwen prikkeldraad waaraan vastgehecht talloze etiketten met nummers, de concentratiekampen…? De installatie ‘La tombe dans les airs’, een stuka met de suggestie van een verticale rookpluim, de crematoria! Alles bij Kiefer ademt oorlog, vernietiging, dood…

Maar de dood zelf, Pietje, hoe werd die afgebeeld? In de volksiconografie kennen we hem als het rammelend geraamte, zwaaiend met zijn zeis. Waren de beroeps inventiever? Jawel. Al waren er die zich tot het klassieke beeld beperkten zoals Pieter I Bruegel die in ‘Triomf van de Dood’ (1562) een leger skeletten oorlog laat voeren tegen de levenden, een gruwelijk tafereel. Of een Dodendans uit de 17de eeuw, te zien in de Pinacoteca te Milaan, schilder onbekend, daar dansen de geraamten vrolijk hand in hand met pausen, keizers, burgers, priesters, landbouwers, burgers… een dolle boel. Er duiken evenwel schilders op die het zeer subtiel aanpakken en de dood symboliseren: Nicolas Poussin stelt hem voor als een gesluierde zon in zijn werk ‘De winter’ (1660), analoog hiermee vinden we in ‘De ochtend’ (1808) van Philipp Runge de zonsverduistering als beeld voor de dood. Terwijl Pier Francesco Mola in ‘De slaap van Endymion’ (1660) bij de maan zweert.

Zien we her en der de zeis als trouw attribuut opduiken dan blijkt men zich daartoe niet te beperken: de sikkel maar ook de zandloper, de uil, de papaver worden toegekend als instrumenten. Michelangelo hanteerde hen in ‘De nacht’ (1520) net als Hans Grien die zijn vel-over-been dood van een zandloper voorzag in ‘De drie leeftijden van de mens’ (1509). Net als Albrecht Dürer bij wie de dood voorgesteld werd als een demon in zijn gravure uit 1513 ‘Ridder, dood en duivel’; trouwens ook Hans Grien voorzag zijn dood op ‘Jonge vrouw en de dood’ (1517) van bokkenpoten. Giulio Romano maakte het in 1520 nog bonter in ‘Allegorie van de onsterfelijkheid’: hier is de dood een afschrikwekkend monster dat de ganse wereld in zijn klauwen heeft…

Hieronymus Bosch gaf de dood een lans als wapen in de benige hand op ‘De dood van een vrek’ (1490). Veiliger waarschijnlijk want wie zo’n gierigaard van zijn aardse bezit wil scheiden… Al spelen Jan Mandijn (‘De heilige Antonius’ 1540) en William Hogarth (‘De duivel, de zonde en de dood’ 1735) nog meer op safe: hier hanteert hij pijl en boog, de afstand tot het slachtoffer is nog groter! Men waagt ook al eens een zijsprong en schildert niet de dood zelf maar een trouwe metgezel: de schikgodin Atropos die de levensdraad doorsnijdt!

Félicien Rops houdt eraan zijn dood vleugels mee te geven zoals o.m. in ‘Les baisers morts’ (1893) en in ‘L’initiation sentimentale’ (1887). In ‘Het laatste oordeel’ (1425) van Jan Van Eyck is hij getooid met vleermuisvleugels terwijl Memling hem in 1485 in een drieluik over de aardse ijdelheid zeer pover neerzet, zijn huid strak gespannen over zijn gebeente. Niet zo bij Gustav Klimt: ‘Het leven en de dood’ (1911) is schitterend met zijn mantel in diverse blauwe, paarse tinten, zijn kruismotieven; van de dood zelf zien we slechts zijn schedel en zijn knokige handen die een rode scepter vasthouden, teken van zijn macht. Opmerkelijk plaatje bij Juan de Valdés Leal in ‘Hiëroglyfen van de dood’ (1670): hij propt hem een heuse doodkist onder de arm, voorzienigheid!

Ook de monniken lieten zich niet onbetuigd, in veel miniaturen treffen we onze kameraad aan, hoofdzakelijk als traditioneel geraamte. Er zijn ook een aantal afbeeldingen te vinden waar hij zich verplaatst te paard, het kan nooit snel genoeg gaan blijkbaar.  En zelfs trof ik een schilderij waar men hem een net liet spannen waarin hij in één klap zoveel mogelijk slachtoffers wist te strikken, een wonderbare visvangst.

Ook beeldhouwers waren geïntrigeerd, zo stuitte ik op een monumentaal werk van een afgrijselijk geraamte met opengewerkte tors die een lijkwade over de schouders gedrapeerd droeg en over een ridderhelm aan zijn voet triomfeerde. En, vreselijk, werd ik geconfronteerd met een grafmonument waar op de marmeren kist een ‘levensechte’ Pietje zit, zijn ellenboog steunend op een zandloper, in diep gepeins verzonken… ja daar moest ook ik even bij nadenken. Net als bij wat ik zag van het Bregenz Festival in Oostenrijk deze zomer, het vlottend podium daar wordt in bedwang gehouden door een reusachtige dood, ja een metershoog skelet.
Ook de muziek wordt door onze lieve kameraad ingepalmd. Tenslotte zou het fenomeen opera maar een pover beestje zijn zonder hem. Hoe daar met allure gestorven wordt! Minutenlang zingt de bas, een dolk verraderlijk in de rug geplant, zijn woede uit eer hij definitief zijn laatste adem blaast. Vertwijfeld zinkt de tenor, de kogel in het hart, ter aarde, fraai het libretto voltooiend en alle noten voleindigend in de richting van de trouweloze minnares. In een laatste kramp perst de alt, zij heeft het fatale gif gedronken, kronkelend over het podium, nog negen volzinnen over haar bloedeloze lippen. Heerlijk toch, nergens mogen wij zo van de Dood genieten, nergens wordt Hem zo recht gedaan.

Wat te zeggen over de talrijke Requiems aan hem gewijd, Fauré, Mozart, Brahms, Zeisl, Rautavaara… De Passionen natuurlijk ook, Bach, de Matthäus, “Wenn ich den Tod soll leiden, so tritt du denn herfûr!” Ook de begrafenisondernemers kunnen meespreken, ze hebben allemaal wel een playlist van liedjes die dienstig zijn bij de festiviteiten: van Will Tura tot de Zangeres zonder Naam, van ‘Con te partiro’ tot ‘Tears in heaven’, of ‘My way’ dan wel ‘Who wants to live forever’. Zelf diende ik twee familieleden uit te wuiven richting hiernamaals op de tonen van het voorspelbare ‘Il Silenzio’ en met het minder voor de hand liggende ‘Dust in the wind’ van Kansas, maar dan wel gezongen door Sarah Brightman. Al hou ik het meer bij de ‘Kindertotenlieder’ van Mahler en indien het ooit zo ver komt, geef mij dan maar uit ‘Die Winterreise’ van Schubert dat wondermooie lied ‘Der Leierman’: “Das Zeug soll der Teufel spiefel”! Al mag Pietje zijn zeis, speer of pijl nog wel enkele jaren in zijn schuur laten staan wat mij betreft. Zijn zandloper mag verstopt raken.  

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.