Op dezelfde dag dat een 13-jarige jongen zich in Wetteren een kogel door het hoofd schoot bij een “spelletje” Russische roulette, begaf ik mij ook naar deze Oost-Vlaamse gemeente in gezelschap van Vuile Mong en zijn Vieze Gasten die er op het Instituut Mariagaard een voorstelling van “Een klein kasteeltje” gingen verzorgen.

Is dat iets wat nu vaak gebeurt? Ook in katholieke scholen spelen?
Mong: “Méér in katholieke scholen dan in rijksscholen, maar dan wel gewoon omdat er ook meer katholieke scholen zijn. Dat is vooral begonnen met ons programma ‘Over de schreef’, al waren er voordien reeds een paar vrije scholen die ons op ‘culturele’ basis hadden uitgenodigd, met ‘Heldendeugd’ b.v., maar zelfs ook met ‘Koning Ubu’! Maar de grote ommekeer is er gekomen met ‘Over de schreef’, wat in feite samenvalt met de verkiezingen die als ‘Zwarte Zondag’ de geschiedenis zijn ingegaan. Van de 220 voorstellingen hebben we er 120 in scholen gespeeld, waarvan 80 in het vrij onderwijs.
Let op: het blijft wel een schoolvoorstelling. Dat is dus niet altijd even leuk, want er zit zeker tien tot twintig procent bij die al op voorhand geen zin heeft om daar naartoe te komen. Maar door de scholen zelf worden we meestal goed ontvangen. We spelen meestal in de school zelf, dus niet in een cultureel centrum waar ze naartoe moeten komen en dat blijkt toch al positief te zijn. Bovendien kaderen de voorstellingen bijna altijd binnen een bepaald project. Dat zorgt wel voor een bepaalde sfeer, maar ik heb toch de indruk dat heel veel jonge mensen en dan vooral uit het technisch en beroepsonderwijs sterk bij het thema betrokken zijn. Nu is er weer vraag naar stukken als ‘Over de schreef’ of ‘Een klein kasteeltje’. Het is een nieuwe generatie, hé. Nu spreken we meestal publieksgroepen aan die van het ontstaan van de Vieze Gasten niets meer afweten. Die vragen dan ook steevast vanwaar die naam komt b.v., want als we nu zouden beginnen dan zouden we die naam niet meer kiezen natuurlijk, dat is duidelijk. Maar als ik er dan ‘Vuile Mong’ aan toevoeg, dan blijkt ‘Het Apekot’ toch wel ergens te zijn blijven plakken.
Maar ook de organisatoren zijn veranderd. We hebben nu heel veel schoolvoorstellingen om te beginnen, iets wat vroeger ondenkbaar was, maar ook de avondvoorstellingen zijn veranderd. Nu zijn dat meestal Wereldwinkels of groepen die rond de derde wereld werken en dat kan dan zowel 11.11.11 als Broederlijk Delen zijn. En natuurlijk ook groepen die echt rond vluchtelingen werken. Al is het publiek zeer wisselend. Er zijn ook mensen bij die van de hele problematiek zeer weinig afweten. Anderzijds zijn er ook pastoors die ons komen vertellen dat een aantal families in het dorp persoonlijk enkele vluchtelingen ondersteunen. Want over het algemeen is de vraag van katholieke organisaties als KAV en KWB veel groter dan die uit socialistische hoek. En de communisten zijn helemaal verdwenen natuurlijk.
Van 17 juli tot en met 21 juli 1995 traden twee levende legendes van de Gentse Feesten voor het eerst samen op. Mong Rosseel en Walter De Buck waren dan immers te zien en te horen in de Rode Pomp. Eigenlijk deden ze elk “hun ding”, maar Lisette Mertens had daar een lijn ingestoken, zodat de liedjes van Walter en de monologen van Mong als het ware naadloos in elkaar overgingen. Als De Buck zichzelf in een lied typeert als “De simplist”, dan plaatst Mong daar de monoloog “De extremist” tegenover. Of als Walter het heeft over “De vijf zintuigen”, dan voegt Mong daar “de primitieve lach” aan toe. De muzikanten van De Buck (accordeonist Oswin Catteeuw en bassist Clee Van Herzele) trokken trouwens ook een streepje muziek onder Mongs bijdragen. Iedereen blijft immers heel de tijd op het podium.
De liedjes van De Buck zijn nieuw, zoals men kan merken. Ze zijn net zoals vroeger nog wel maatschappelijk geëngageerd, maar de tijdsgeest heeft De Buck toch niet helemaal onberoerd gelaten, want hij vertrekt nu vanuit zijn persoonlijke betrokkenheid. Zo is er nog een lied over de televisie, dat ongetwijfeld op het postmodernisme zal inpikken, en nog een ander zelfportret dan “Den doener” als titel meekreeg. “Het zou leuk zijn mocht Mong hierop aansluiten met zijn monoloog over een soort Guust Flater die verslaafd is aan stommiteiten,” lacht Lisette Mertens.
Ook die monologen van Mong waren allemaal gloednieuw, enerzijds van eigen hand, anderzijds weer een paar vertalingen van zijn grote Franse idool Raymond Devos. Ook Mong vertrekt van eigen ervaringen, die dan worden opengetrokken naar de hele maatschappij. “Maar alles met la bonne humeur natuurlijk, het is tenslotte Gentse Feesten.” Een voorbeeldje? “Mong begint met een monoloog over het feit dat hij nu ook een manager heeft die hem wil lanceren met een grote publiciteitstunt, maar dan blijkt uiteindelijk dat die manager meteen ook maar De Buck wil lanceren.”
In december wilden de Vieze Gasten mee het 25-jarig bestaan van het GAT vieren. Mong had dat al lang aan Eddy D’haese beloofd. Hij stelde voor om “Who’s afraid of Virginia Woolf?” in het dialect te spelen, Mong en Magda als een West-Vlaams koppel en Eddy en Sonia Berbiers een Gents. Toen Eddy dit vertelde aan zijn vriend Jaak Vissenaken die t.g.v. “Je Anne” nog eens in het land was (i.p.v. in zijn restaurant in de Provence) stelde deze voor op basis van dit gegeven een eigen stuk te schrijven. Bovendien is het de bedoeling om als echt volksstuk een hommage te zijn aan Romain De Coninck. In het begin is het op die manier een echt boulevardstuk geworden met veel misverstanden, veel actie en veel slaande deuren zou ik zeggen, ware het niet dat het zich op een zeer rudimentaire weergave van een schip afspeelt en er dus niet veel deuren voorhanden zijn. In het tweede deel wordt het dan iets ernstiger in die zin dat de breuklijn niet meer langs de twee koppels loopt, maar dat de vrouwen toenadering zoeken tot elkaar, waardoor de mannen uiteindelijk in hun hemd komen te staan. Vervolg in de Minard, dachten we, maar uiteindelijk voegde ook Mong zich met dit “Vlot verkeer” bij de reeks “afgevoerde stukken”. De reden? “Onvoorziene omstandigheden”, aldus het antwoordapparaat. Iemand die het kan weten vertelde me later dat het aan Eddy Daese lag, die op het einde er blijkbaar toch moeite mee had dat hij niet meer de vedette van het stuk was. Bovendien was vooral bij zijn vrouw duidelijk dat het om amateurs ging. Zij moest namelijk tussendoor ook nog gaan werken en ’t arme mens stond op instorten. Eén en ander betekende wel een verlies van om en bij het miljoen toenmalige Belgische franken voor de Vieze Gasten.
KLUDDE
Ondertussen bracht de rest van het gezelschap “Kludde”. Kludde en Javotte, een koppel bos- en watergeesten, zien het op het platteland niet meer zitten. “(…) Wij zitten hier te koekeloeren (…). De arriveese boeren. Zij hebben hun groene kavels verkaveld. Hun erven en hovingen vol betonnen stront gestort. (…) Al onze schuilhoeken, al onze verdoken plekken, ze zijn allemaal onder nieuwbouw en schortegroot gazon verdwenen (…).” Kludde en Javotte trekken uit armoe naar de stad. Op een kermis, een gedroomde plek voor twee geesten, ontmoeten zij Didier en Marleen. Gewone mensen, zoals er zo veel zijn. Een gedroomd koppel om Kludde en Javotte los te laten.
Javotte (tot Didier): “Uw fantasie, mijn wakker beest, moet als een knol op hol…”.
Kludde: “… moet met telloren kwade angst worden gevoederd …”
Javotte: “… xenofobe vrees. Daver en bibberatie …”
Kludde: “We hebben ze bij hun zot lowietje. Ze zijn zo content. Ze moeten niet peinzen. Alleen hun angst en vreze laten werken. Ze zijn zo van goeie wil om zich benauwd te laten maken.”
Javotte: “Ge kunt geen paard’oog maken zonder eiers. ’t Mensdom is gewoon een hopeloze hoop gebroken eiers. En ’t paard’oog stinkt. En ondertussen, héhéhé, lachen wij ons ’t uitschot aan de sjarel, héhéhé, en vieren kermis.”
Men hoort het al, hier is Pjeroo Roobjee aan het woord. De regie was van Rik Hancké en de scenografie van Siskia Louwaard. Met Ann Denolf, Lisette Mertens, Genio de Groot, Bas Heerkens. Muziek: Fabien Audooren, Guido Schiffer.
Eind november 1996 ging dan “De klacht van armoede” in première, een stuk van Suzanne van Lohuizen in een regie van Vincent van den Elshout, of hoe een welstellende loodgieter via Parijs-Dakar de armoede in de derde wereld ontdekt. Magda en Mong werden voor de gelegenheid bijgestaan door Nathalie De Schepper (geen familie, ik héb gewoonweg geen familie), die ook meespeelde met Fabien Audooren en Geert De Waegeneer, als het op musiceren aankomt.
LOGE
Hoezeer de tijden alweer zijn veranderd, blijkt op 1 mei 1997 als de viering van 25 jaar Vieze Gasten toch weer grote proporties aanneemt. In de namiddag was er in de Baudelokapel een debat met de toepasselijke titel “Van mei 68 tot Mars voor Werk” en kon men daar terecht om deel te nemen van multiculturele stadswandelingen (voor wie niet te moe is van de 1 mei-stoet). Daarna kreeg een en ander toch al een wat feestelijker tintje met vertellers als Bob De Moor, Herwig De Weerdt, Geertrui Daem en natuurlijk Mong zelf, al was die ook al “van dienst” in het debat, zodat die wel stilaan zonder speeksel zal zitten. Nochtans zal ook hij wel de centrale figuur zijn als ’s avonds alweer een nieuwe CD wordt voorgesteld, een “greatest hits” als het ware, maar dan wel in een nieuwe versie. Ook soms met aangepaste teksten…
Mong: “Dat moet wel, want wat blijft er nog over van de oorspronkelijke tekst van ’t Apekot b.v.? Het leger is afgeschaft, zijn methodescholen ook apekoten? En last but not least, wie werkt er nog veertig jaar op ’t zelfde fabriek? Eigenlijk waren we niets speciaals van plan voor twintig jaar Vieze Gasten. Vijf jaar daarvoor hadden we hier in Zomergem nog een groot feest gegeven, maar dat zagen we niet meer zitten, daar hadden we de courage niet meer voor. Op ons vijfjarig bestaan vlogen we erin met Bots, de Veulpoepers en Werk in Uitvoering. Bij onze tiende verjaardag hield het zelfs niet op: er waren dertig groepen en dan kwamen er ongevraagd nog mensen zich aanbieden die per sé wilden optreden. Maar op ons vijftienjarig bestaan schoten er van al die groepen bijna geen enkele meer over! Maar onze pianist Fabien Audooren zit ook in het bestuur van Trefpunt en daar vond men dat we wél iets moesten doen, een CD uitbrengen b.v. Zoals de groep er nu uitziet, zat Fabien echter onmiddellijk met het probleem dat hij op zoek moest gaan naar muzikanten, speciale arrangementen maken enz. Daarom vroeg hij zich af of het niet beter was mensen aan te spreken om te zien of die niet bereid waren een nummer van ons te interpreteren. En dat is uiteindelijk prachtig geworden, want iedereen die we aanspraken was daarvoor te vinden, alleen Raymond van het Groenewoud mocht niet van zijn platenfirma. Dat is natuurlijk wel jammer, maar anderzijds hadden we toch al veel te veel. Er zullen 19 nummers op de CD staan, meer konden er echt niet op!
Dit project is enigszins te vergelijken met “Turalura” maar dan met dat verschil dat het bij Tura allemaal hits waren, zodat iedereen die reeds kende, terwijl het bij ons allemaal nummers uit de programma’s van de laatste jaren zijn. Het oudste dateert uit 1984. Geen enkel heeft dus ooit eerder op plaat gestaan. Dat geldt zowel voor Bram Vermeulen en Que Pasa die elk een lied uit “Schemerstad” zingen, als voor Johan Verminnen (“Als we maar gezond zijn”) of Walter De Buck. Deze laatste zingt “Werken is zalig”, dat is op zichzelf al geestig om De Buck zoiets te horen zingen. Wannes van de Velde van zijn kant zingt een lied waarvan we zelf de tijd nog niet hebben gehad om het aan te leren. Hij heeft wel een beetje aan de tekst gesleuteld. Dat mocht, want iedereen heeft de tekst gekregen, het akkoordenschema en de melodie, maar men mocht daar vrij mee omspringen. Zo heeft Willem Vermandere voor “Paris-Dakar” enkel de tekst bewaard, bewerkt in het West-Vlaams weliswaar, en daarop dan een andere melodie gemaakt. Prachtig! De rest is behoorlijk trouw aan de melodie gebleven, maar er staan wel de wonderlijkste arrangementen op. Gorki zingt b.v. het nummer over het voetbal uit “Vinaigrette”. Ze beginnen op een tangoritme, zoals ook wij het spelen, maar na de eerste strofe barsten ze los in één rechtlijnig rocknummer. In datzelfde genre zingt Give Buzze “Zwartwerk” en de Crèche Band “De Muur”. Maar er zitten ook vier instrumentale nummers bij. Guido Schiffer heeft de muziek uit “Heldendeugd” tot een suite bewerkt, terwijl Koen De Cauter een ander stuk uit dat programma brengt. Jeroen Van Herzele heeft de muziek uit “Midzomernachtmerrie” bewerkt en Piceni heeft hetzelfde gedaan met de tango uit “Het Volle Leven”. We financieren de CD wel zelf, samen met Trefpunt, maar eens de kosten terugbetaald zijn, is de opbrengst volledig voor de Wereldwinkel, aangezien al de artiesten gratis hebben meegewerkt. Met dat geld wordt een project in Nicaragua gesteund dat ik nogal geestig vind, omdat het een coöperatieve is die wil overschakelen naar biologische koffieteelt.”
Ter gelegenheid van deze verjaardag werd Mong in “De Morgen” door Meesteres P. ook “ge-out” als logebroeder. Ik schreef hem een kaartje met daarop “pure roddel veronderstel ik?”, maar ik kreeg nooit antwoord…
VINCENT VAN DEN ELSHOUT
Tijdens de daaropvolgende Gentse Feesten konden we kennismaken met de nieuwste productie van de Vieze Gasten, “Een schot in het duister”. Een vader (Mong Rosseel) is daarin geobsedeerd door de toenemende onveiligheid. Als zijn dochter Sofie (Nathalie De Schepper) dood wordt aangetroffen, neemt die obsessie natuurlijk nog grotere afmetingen aan. Maar is de stad wel zo onveilig als sommigen ons willen doen geloven? (Een tijdlang kon deze voorstelling – eveneens in een regie van Van den Elshout – echter niet aangevraagd worden, aangezien het busje met de decorstukken werd gestolen. Nee, dit is geen grap.)
Fabien Audooren mag dan niet langer actief deel uitmaken van de Vieze Gasten, hij is nog steeds voorzitter van de Raad van Bestuur en in die hoedanigheid stelt hij in de brochure voor het seizoen 1998-99 de nieuwe artistieke leider voor, Vincent van den Elshout.
Twaalf jaar geleden speelde hij reeds mee in de productie “Schemerstad” (over politieke vluchtelingen – tiens, toen al?), maar het is pas sinds vorig jaar dat hij werd aangezocht om de artistieke leiding over te nemen van Lisette Mertens. Aangezien hij met genoegen vaststelde “dat Mong en zijn kompanen niet afweken van het doel dat ze zich in 1972 gesteld hadden, nl.geëngageerd theater brengen voor alle groepen van de samenleving” is het dus zeker niet de bedoeling het roer radicaal om te gooien. Toch wordt hij geconfronteerd met de uitdaging “om een evenwicht te vinden tussen een nieuwe, misschien meer vormelijke aanpak, zonder de directe aanpak van de groep te verloochenen,” aldus Fabien Audooren.

Referenties
Ronny De Schepper, Het klein kasteeltje van Vuile Mong is een kapel, Het Laatste Nieuws 18 juli 1995
Ronny De Schepper, Wie zijn eigenlijk de Vieze Gasten? Switch september 1995

Een gedachte over “25 jaar geleden: Mong Rosseel in Mariagaard

  1. Indertijd Vuile Mong en zijn Vieze Gasten zien optreden op de Breugelfeesten in Petegem-aan-de-Leie. En echt waar, meneer pastoor zien opstaan en weglopen toen ze begonnen met het “Apenkot” te zingen. Algemene hilariteit natuurlijk dat André Peereboom, huidig deken van Oudenaarde, de tekst te revolutionair vond. Moet eind de jaren 70 geweest zijn.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.