Wie de film Sacco en Vanzetti heeft gezien, zal zich herinneren dat het openingshot een man is die uit een flatgebouw valt. Dit was een referentie aan Andrea Salsedo, een anarchist die op 3 mei 1920 tijdens een ondervraging door de politie uit het raam van de veertiende verdieping was gesprongen, gevallen of gegooid.

Dit « incident » heeft echter maar van verre iets te maken met de vervolging van Sacco en Vanzetti. Regisseur Montaldo verwerkte dit echter doelbewust in zijn film omdat kort voor de realisatie ervan in Milaan zich een gelijkaardig voorval had voorgedaan. De anarchist Giuseppe Pinelli (beschuldigd in « de zaak Valpreda », d.i. de bomaanslag op de Milanese Boerenbank met zestien doden en tachtig zwaar gekwetsten) was tijdens een verhoor door zeven politiemensen “door het raam gesprongen”. Drie jaar later zou blijken dat de aanslag het werk was van neofascisten, met bindingen in het staatsapparaat. Valpreda, Pinelli en de andere aangehouden anarchisten waren dus onschuldig.

De sereniteit waarmee Montaldo dit naar het grote publiek bracht was één manier, de bekende toneelacteur Dario Fo had er een andere. Hij schreef een klucht, “De toevallige dood van een anarchist”.
Een riskante onderneming, zult u zeggen, en inderdaad, dat is het ook. Maar Dario Fo houdt nu eenmaal van een simplifiërende, ja simplistische aanpak. Soms kan dat zeer ontwapenend werken en een heel nieuwe impuls geven aan vanouds bekende materie (Mistero Buffo), maar na al die jaren is het wel duidelijk dat Dario Fo datzelfde peil onmogelijk kan aanhouden.
De overvloed aan Fo-stukken (naast de Nieuwe Scène neemt ook het Brialmonttheater er twee voor z’n rekening en was “de anarchist” ook het tweede voor het NTG na “De geschiedenis van een soldaat”) is dan ook eerder aan de man zijn enorme productiviteit (en aan een rage) te wijten dan aan zijn werkelijk artistiek belang.
Maar goed, als via Fo het politieke theater een poot aan de grond krijgt in “burgerlijke” schouwburgen als het NTG dan is dat toch mooi meegenomen – ook al werd er op maandag niet gestaakt (*). Al heb ik de indruk dat het voor dergelijke schouwburgen op de eerste plaats toch een « klucht » blijft (al moet worden toegegeven dat het programmaboekje goed politiek gestoffeerd is).

51 walter moeremans als anarchist


Dit was alleszins duidelijk in de aanpak van regisseur Arturo Corso. Alle registers van een farce werden wijd opengetrokken. Dat hoort zo en dan moet je maar aanvaarden dat acteurs b.v. roepen i.p.v. spreken (al doet dat voor de enige vrouw, Els Magerman, wel vreemd aan). De commissarissen Roger Bolders, Guido Van den Berghe en Herman Coessens vonden in deze spelopvatting gemakkelijk hun draai. De agenten Hans De Munter en Bob Van der Veken voldeden echter minder. Hans is nog een student en werd wat al té vlug op de scène geduwd, terwijl Bob de lieveling van het publiek was (wegens Thienpondt uit « De Collega’s »?) en dit te nadrukkelijk wenste te affirmeren.
Om iemand een schrijfmachine te zien kapot prutsen moeten wij overigens niet naar het theater gaan. Een collega doet dat hier dagelijks.
Maar de glansrol is natuurlijk weggelegd voor Walter Moeremans als de zot. Tempo, spirit, timing, alles zat Moeremans als gegoten, terwijl zijn grootste verdienste nog is dat hij zich niet heeft gekopieerd (wat ik oorspronkelijk vreesde) op de zot uit « Mistero Buffo » (Charles Cornette).
En de politieke boodschap bij dit alles ? De feiten zelf hebben er voor gezorgd dat de grond van het stuk niet kan worden weerlegd. Maar Fo gaat nog verder, 75 % van de aanslagen in Italië zijn het werk van de fascisten, zegt hij, en over de andere 25 % bestaan heel sterke vermoedens dat ook daar de fascisten een vinger in de pap hebben, ofwel door infiltratie ofwel door de schuld in de schoenen van de anarchisten te schuiven. Want de anarchisten, de Rode Brigade en zo, zijn onschuldige lammetjes en wie dat niet wil inzien (zoals b.v. « L’Unita », het blad van de PCI), is niet goed wijs. Voilà, zo simpel is dat. We hebben toch gezegd dat Fo van simplifiëring houdt… ?

Toemaatje
NTG-directeur Jef Demedts heeft altijd een moeilijke verhouding gehad met de pers en daarom meende hij in het aprilnummer van het NTG-nieuws een aantal fragmenten uit recensies te moeten samenbrengen, onder de titel “Hoe vond je het ? Ik weet niet, ik heb de kritieken nog niet gelezen.” En uw dienaar mocht de hoofdrol vertolken…

“De agenten Hans De Munter en Bob van der Veken voldeden echter minder. Om iemand een schrijfmachine te zien kapot prutsen moeten we niet naar het theater gaan.”
“Iets wil ik toch speciaal vermelden: wat Bob van der Veken maakt van de gemimeerde schrijfmachine-sequentie. Ik heb hem jaren geleden nog zo’n Chaplin-streken zien uithalen. In het geheel van de productie valt dit tussen de plooien, maar op zichzelf is het als prestatie voldoende om van deze productie een must te maken.”
“Maar Dario Fo houdt nu eenmaal van een simplifiërende, ja simplistische aanpak. Soms kan dat zeer ontwapenend werken en een heel nieuwe impuls geven aan vanouds bekende materie („Mistero Buffo”), maar na al die jaren is het wel duidelijk dat Dario Fo datzelfde peil onmogelijk kan aanhouden.”
“Zoals Fo het hier doet, is het van een zeldzame overtuigingskracht.”
“Maar goed, als via Fo het politieke theater een poot aan de grond krijgt in ‘burgerlijke’ schouwburgen als het NTG dan is dat toch mooi meegenomen (ook al werd er op maandag niet gestaakt). Al heb ik de indruk dat het voor dergelijke schouwburgen op de eerste plaats toch een ‘klucht’ blijft.”
“De verklaring daarvan ligt in de volledige inzet als vanzelfsprekende houding, een enorm zelfvertrouwen en Gentse koppigheid, gecombineerd met de duidelijk geaffirmeerde keuze voor maatschappelijk relevant theater (wat niet een ‘politieke’ keuze is, maar een theatrale).”
“Een pertinent verwijt dat je tot het stuk van Dario Fo, „Toevallige dood van een anarchist”, dat voor het ogenblik op de affiche van het NTG staat, kan richten is het gebrek aan intrige.”
“Dario Fo weet hoe hij farces moet schrijven, want Corso laat niets, maar dan niets onverlet om de farce van zijn leermeester tot een grote schaterlach te maken.”
“De bijdrage van regisseur Arturo Corso was dit keer niet ophefmakend.”
“Een dolle, overrompelend – groteske rush. Deze rush doet het, zal het doen, hebben wij gemerkt aan de reacties in de Gentse KNS.”
“Onze vaak bemoedigende lach was voor de uitstekende vertolking van dit matig toneelwerk, zijn bedankje waard.”
“Dat een Italiaan het moet halen uit praten en gesticuleren is bekend, ook dat hij in overbodigheden en herhalingen vervalt als hij niets te zeggen of te doen heeft. Vandaar de eentonigheid van het middenstuk, waar ook het tempo zakt en de verbeelding zoek raakt. Van tien minuten is Fo drie minuten boertig tot bijna geestig door zijn vondsten en visuele humor.”
“Hun arsenaal gaat van rudimentaire maar ondanks hun hoge leeftijd nog steeds verbazend effectieve grollen (elkaar trappen onder de kont verkopen, water in elkaars gezicht spugen of op elkaars schoot gaan zitten), over vindingrijke visuele grappen, tot vinnig en geestig woordenspel. Met dit laatste en door de inhoud stijgt deze ‘Toevallige dood’ boven het eigenlijke kluchtengenre uit en worden de intelligente bedoelingen van Fo duidelijk.”

Referentie
Ronny De Schepper, Anarchist gezelfmoord? Wat een grap!, De Rode Vaan, april 1982

(*) Blijkbaar was er in die tijd een algemene staking, waaraan het NTG dus niét heeft meegedaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.