In ‘De idioot’ laat Dostojevski een personage poneren: “Ongeloof in de duivel is een Frans idee, een lichtzinnig idee. Weet u wel wie de duivel is? Weet u welke zijn naam is? En hoewel u zijn naam niet eens kent lacht u toch over zijn vorm, in navolging van Voltaire, over zijn hoeven, staart en hoorns, die door uzelf verzonnen zijn; want de onzuivere geest is een grootse en dreigende geest, hij heeft geen hoeven en hoorns, die zijn er door u bij verzonnen.” Zijn naam niet kennen? Hij heeft er zovele… Satan, Beëlzebub, Lucifer, Mefistofeles, Abaddon, de Antichrist, de Demon, Iblis, Shaitan, Belial, Krampus…

Ja zelfs een cijfer, het getal van het Beest 666 leren we uit Openbaring 13:17-18 waar hij verschijnt in de gedaante van een panter met 10 horens en 7 koppen, de poten van een beer en de muil van een leeuw.

Waar komt dat idee van de duivel vandaan? Ons geweten, ons schuldbesef, goed en kwaad… Het versje uit onze heel prille jeugd, zat er niet op onze rechterschouder een engel om ons het goede in te blazen, op de linker kampeerde de duivel die ons allerlei rare streken toefluisterde.
In het eerste boek van Henoch (periode der vroeg-Makkabese-tijd, 200 voor X) lezen we dat onder leiding van de engelen Shamchazai en Azaël bij de dochters van de mensen door wachters reuzen werden verwekt, Nephilim. Bloeddorstige wezens. Uiteindelijk zullen de wachters, nadat de reuzen gedood zijn (hoewel hun boosaardige geest blijft dolen) door god bij middel van vier goede engelen verbannen worden naar de duisternis. Op aarde zal resten wat god als positief ervaart: Noah zal een ark moeten bouwen, het verhaal is gekend…

Anderzijds is er de tekst in ‘Jubileeën’ die dit verhaal ongeveer gelijkluidend situeert na de zondvloed maar dan met ene Mastema als leider. Die tweeledigheid zou Augustinus van Hippo nog bezig houden in zijn bekendste werk ‘De civitate Dei’ (426). In het boek Zacharia net als in het boek Job (beide 500 voor X) is er reeds een eerste maal sprake van een strijd tussen wat men een satan en een engel noemde. Beide werken behoren tot de Hebreeuwse bijbel, net als voornoemd boek van Henoch – het begrip Satan, evenals de naam, is geankerd in de Joodse cultuur en traditie. We ontmoeten onze vriend ook in de Dode Zee-rollen, 200 voor X, waar hij de geest der duisternis genoemd wordt, er is sprake van een soort kosmisch dualisme.

Volgens het Evangelie van Nicodemus (555) werd Satan naar de Hades (Sheol in Jiddische traditie) gestuurd, de duistere onderwereld waar alle doden terechtkwamen. God haalde daar de rechtvaardigen uit, de zondaars bleven zich in de hel over hun lot bekreunen onder de heerschappij der gevallen engelen! Pas in 1200 zou de Kerk iets milder worden en als tussenstation het Vagevuur uitvinden.

Over naar het Nieuwe Testament… waar we de duivel in een aantal namen ontmoeten en hem zien als de onverzoenlijke vijand van god. Hier duikt het fenomeen op van de bezetene. Bijvoorbeeld bij Marcus 5:1-20: “En aldaar was een kudde van vele zwijnen en zij baden Hem dat Hij hun wilde toelaten in hen te varen. En Hij liet het hun toe. En de duivels, uitvarend van de mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer en verdronk. De herders kwamen bij Jezus en vonden de man bij wie de duivels uitgedreven waren, zittend aan de voeten van de Heer.” Exorcisme dus. Ook wanneer de duivel Jezus bezoekt na zijn vasten van 40 dagen in de woestijn – hij is zeer tegenwoordig in de vier evangelieën. 

Interessant was ooit de discussie die opgeworpen werd wie Eva in het Paradijs verleidde! Was de slang een werelds dier, of was het Satan die de vorm van het beest had aangenomen. Een ernstig probleem zowaar, de godgeleerden Justinus Martyr en Tertullianus opteerden, we schrijven de 2de eeuw na X, voor optie twee. Niet onbelangrijk evenwel… we bemerken hier twee voorvechters van de demonisering van de duivel, toen reeds!

In de 13de eeuw kende de belangstelling van Lucifer een ware hausse. Die hernieuwde belangstelling dankte hij aan meerdere factoren, o.m. aan de Katharen die fel in hem geloofden en hem propageerden, aan de opkomst van de engelenleer (en waar engelen waren moesten ook duivels zijn), aan de introductie in het Westen van Arabische geleerden met hun magie en alchemie, hun mysteries…

Meteen werd de deur open gezet voor de inquisitie, de heksenvervolging en al dat fraais. Men toog ter sabbat om de bok te aanbidden. Op een bezemsteel. Men gaf zich over aan seksuele uitspattingen, vermoordde kleine kinderen. En uiteraard waren vooral vrouwen de dader, zoals te lezen stond in het beroemde ‘Malleus Malleficarum’ (1486) ofte ‘De Heksenhamer’ van Heinrich Kramer. Het kon zo gek niet… Beëlzebub kon alle dierengedaanten aannemen die hij wou; hij bezat geen rugzijde en kon slechts zijn voorkant tonen; mooie vrouwen nam hij langs voor, lelijke anaal; zijn lid was zeer groot en deels van ijzer, bijzonder beweeglijk; zijn zaad koud…

In die periode slaagde men er zelfs in hem te hanteren om het antisemitisme aan te wakkeren met verhalen als dit over ene Johann Faust(us) die naar analogie van ooit de Griekse priester Theophilus zijn ziel zou verkocht hebben aan de duivel door bemiddeling van een Joodse magiër. De priester wist door bemiddeling van Maria, moeder gods, te ontsnappen aan de klauwen van de heer van het duister. Faust, later beroemd door de literaire werken van Marlowe en Goethe, overkwam ongeveer hetzelfde. De Joden als bemiddelaar, pactsluiter en advocaat van Satan! Tussen 1550 en 1700 vierde het fenomeen bezetenheid hoogtij. Ideaal voor de kerk om zieltjes te winnen, zich populair te maken. De show must go on…

Gelukkig maakten eind 17de en vooral in de 18de eeuw de evolutie van filosofie en wetenschap komaf, grotendeels toch, met bijgeloof en goedgelovigheid. Zoals Spinoza in 1675 schreef in een brief aan Hugo Boxtel: “Satan en zijn trawanten zijn net als geesten en spoken in het algemeen, louter het product van menselijke verbeelding, het resultaat van de neiging die mensen doorgaans hebben om dingen niet te vertellen zoals ze zijn maar zoals ze wensen dat ze waren.” Ook Daniel Defoe maakte in ‘History of the Devil’ (1726) gehakt van de duivel, of in ieder geval van de idee van zijn bestaan.
Heden ten dage? In 1973 lichtten met heel wat succes de bioscoopschermen op: The Exorcist, het meisje Regan, pater Merrin, de priester Damien Karras… gruwelijke beelden. Was dit de aanzet? De mens zocht steeds een oorzaak, iets concreter om natuurrampen en persoonlijk lijden te duiden – een gepersonifieerde zondebok. Kon een zo populaire film een nieuwe aanzet zijn? Menig filosoof oordeelt ja. In ieder geval beleven de conservatieve kerken, vooral in de US, met heel wat geschreeuw over hel en verdoemenis veel bijval – en geldgewin. Ook steekt her en der het exorcisme weer de kop op met soms kwalijke gevolgen.

Satanische sekten bloeien weer, het antisemitisme steekt de kop op, moderne hekserij, wicca, neo-paganisme. De ruime belangstelling voor de fantasiewereld en daarin de tegenstelling tussen goed en kwaad: vampieren, zombies, heksen, tovenaars, weerwolven, transformers, superhelden en hun vijanden, hobbits, ja zelfs Harry Potter en zijn vrienden in Zweinstein. De belangstelling voor meditatie, alternatieve denkwijzen, profetieën, religies, het buitenaardse… Een echte wederopstanding van de duivel mogen we vooralsnog niet verwachten behalve voor enkele schreeuwerige dominees… voorlopig rust zijn zwarte ziel nog in de Hades, de hel of waar hij ook heen wil vliegen.
De Demon in de kunst, talloos zijn de afbeeldingen, hij is een vruchtbare inspiratiebron gebleken door de eeuwen heen voor vele kunstenaars. Daar hebben we het ‘Speculum humanae salvationis’ uit de 14de eeuw, een theologisch werk, waar een monnik enkele fraaie portretten penseelde in de miniaturen, Satan met zijn horens, lange staart en klauwen, o.m. in ‘De verzoeking van Christus’. In een psalterium van 1222 bezit hij dan een pluimstaart en is hij zoals vaak pikzwart. Dit in tegenstelling tot het exemplaar uit de Bible de Souvigny (12de eeuw) die Job intimideert. Er mag misschien op gewezen worden dat het beeld dat gecreëerd werd van de duivel mogelijk zijn roots vindt in veel vroegere godsdiensten en afbeeldingen zoals Bes, een Soedanese god uit de derde eeuw voor X.

Heel fraai is de Byzantijnse afbeelding van de tweekoppige duivel met de antichrist op schoot in de basiliek op Torcello nabij Venetië. Terwijl de reusachtige duivel van Giovanni di Modena die de verdoemden verslindt (1410) angstaanjagend is, een reus! Een combinatie van gruwel en schoonheid vinden we in het baptisterium van San Giovanni te Firenze: kleurenpracht en tekening, maar een meedogenloos onderwerp.   Afschuwelijk zijn natuurlijk de demonen van Hieronymus Bosch (1450 – 1516), of hij nu bij de heilige Antonius verschijnt of op ‘De hooiwagen’ waar hij getooid is met prachtige vleugels, dan wel op ‘De dood van een vrek’ waar hij de geldkist openhoudt. Bosch heeft een voorliefde hem in allerlei dierengedaanten, hoe lelijker hoe liever, af te beelden; verwrongen apensnuiten genieten de voorkeur.

William Blake, notoir dichter, penseelde heel wat doeken met bijbelse en mythologische onderwerpen samen – uiteraard ontbrak de duivel niet zoals in ‘Leviathan’ (1809), een werk met veel goudtinten. Andrea da Firenze penseelde hem in 1369 dan in vurig rood op het ogenblik dat Jezus zich vertoonde in de hel om de rechtvaardigen te laten ontsnappen. Goya schilderde hem als een grote bok op de sabbat terwijl Rubens de duivels collectief in de hel stortte, we schrijven 1620.

Net zo’n val maar dan bij het ‘Laatste Oordeel (1473) zien we bij Hans Memling: terwijl Gabriël triomfantelijk op de bazuin toetert tuimelen de inktzwarte magere duivels vergezeld van de zondaars de diepte in. Waar die sukkels alle fraais te wachten staat zoals afgebeeld door Fra Angelico in 1433 op ‘De verdoemden in de hel’ waar hij voor iedere zonde een gepaste strafmaat voorzag: de gulzigen kregen eten noch drinken, ontuchtigen werden door padden en serpenten in borsten en geslachtsdelen gebeten… Lucas van Leyden beschikte over heel wat verbeelding: in zijn Laatste Oordeel jaagt de duivel de verdoemden definitief naar de hel, hij bezit een hondenkop, vleugels van een vleermuis en uiteraard een heel lange staart. Eerder gestileerd komt hij voor op een gravure van Albrecht Dürer (Ridder, dood en duivel). Terwijl we hem vrijwel abstract zien op het doek van Chagall ‘De val van de engel’ (1947) dat de tragedie van oorlog en Jodenvervolging verzinnebeeldt. Gerard David bezorgde ons – en aartsengel Michaël – maar liefst zeven monsterlijke exemplaren: op zijn drieluik uit 1510 moet de engel het tegen hen opnemen – vermoedelijk zijn ze het zinnebeeld van de hoofdzonden. Ook Memling liet hem in zijn ‘Laatste Oordeel’ ten strijde trekken tegen een ganse horde terwijl hij bij Bartolomé Bermejo in 1468 alleen Azazel moet neersteken, hij werd daartoe wel gehuld in een schitterend blinkend kuras en hanteerde als gebruikelijk het zwaard. Zeer impressionant is het schilderij van Antonio Vivarini uit 1450 waar een duiveluitdrijving te zien is: net omdat de duivel hier klein en als een pikzwarte schaduw, ontsnappend uit de vrouw, te zien is; zeer sober, is het bedreigend en indrukwekkend.
Beperkter maar ze waren er ook: beeldhouwwerken. Zoals de Satan van Jean-Jacques Feuchère, vleermuisvleugels, horens, puntige oren, klauwen, scherpe tanden… hij bezit alles. Uiteraard mogen we niet voorbijgaan aan waarmee we allemaal geconfronteerd worden: de afschuwelijke koppen die te vinden zijn op de gevels van de kerken en kathedralen, in portalen, op lunetten, kapitelen, consoles… ter lering, stichting en waarschuwing van de mensheid: hoedt u voor den boze!

Iets actueler werd hij ook nog wel op het canvas gezet. Ik denk met liefde aan Félicien Rops (1833 – 1898). Het schilderij ‘Satan zaait onkruid’ bijvoorbeeld. Of het gruwelijke ‘Les Sataniques: Le Sacrifice’, waar een afschuwelijke duivel bovenop een liggende vrouw staat, zijn hoofd is een langgerekte schedel, hij penetreert haar met – ja met zijn meterslange kronkelende penis of is het zijn staart? – ; drinkt hij zo haar bloed? Om hem heen dansen macabere amors terwijl de vrouw het uitschreeuwt. Bovendien merken we nog allerlei symbolen, verwijzend naar hekserijen en tarot. ‘Les Sataniques’ bestaat uit vijf helio-gravures, allen even gruwelijk. Rops verwijst naar de opkomst van en hernieuwde belangstelling voor sabbat en zwarte kunst –  toen reeds! Wel even voor The Exorcist

De allicht meest verbreide afbeelding van onze lieve makker is toch te vinden op de tarotkaarten, al bestaan er onderling wel enige verschillen (andere landen, tijden, zeden, smaken…). De duivel is kaart 15 in het tarotspel dat uit 78 kaarten bestaat. Waar het vandaan komt? In de 15de eeuw werd het in Noord-Italië gebruikt als spel maar om de toekomst te voorspellen…: een Zwitserse dominee (en vrijmetselaar) Antoine Court de Gébelin (1725-1784) schreef de kaarten esoterische wijsheden toe (ontleend aan de Egyptenaren?) en zo begonnen occulte genootschappen hen te gebruiken, o.m. de bekende ‘Order of the Golden Dawn’ met dichter W.B.Yeats, auteur Bram Stoker (Dracula) en magiër Aleister Crowley.

Onze duivel wordt op de kaarten soms gevleugeld afgebeeld, soms in de gedaante van een geit vergezeld van twee andere kleine gedrochten. Vaak ook als een gehoornde god – dan verwijst hij blijkbaar naar de Keltische hertengod Cernunnos, de god van de vruchtbaarheid. Wie hem door de madam met de glazen bol onder de neus geduwd krijgt hoeft niet dadelijk te panikeren! Associeer hem niet met iets demonisch, wel met een beetje ongemak, iets licht onaangenaam inherent aan het leven. Wat frustratie, een kleine materiële tegenslag… maar nee, veel kwaad zal kaart 15 niet berokkenen.
Satan liet ook van zich horen… letterlijk, in de muziek. Bij monde (bij wijze van spreken) van Carl Maria von Weber b.v. in de opera ‘Der Freischütz’ trad hij op, of uiteraard bij duivelsviolist Paganini in zijn 13de capriccio dat zelfs wegens de moeilijkheidsgraad de bijnaam ‘De lach van de duivel’ verdiende. Ook Stravinsky liet hem opdraven in ‘Histoire du soldat’, net als Guiseppe Tartini die een droom uit zijn leven hercomponeerde in de ‘Duivelstrillersonate’.

En dan uiteraard al die werken die verwijzen naar het Faust-thema… Berlioz ‘La damnation de Faust’, Liszt met vier walsen o.m. de Mefistowals, Gounod met de opera ‘Faust’, Beethoven, Wagner, Schubert die Gretchen aan het spinnenwiel zette. Ook het 2de deel van de 8ste symfonie van Mahler verwijst er naar. En Schumann met een opera/oratorium dat dit jaar in juni, 2020 dus, geprogrammeerd was bij Opera Ballet Vlaanderen te Antwerpen in een regie van Julian Rosefeldt met Philippe Herreweghe als dirigent, als de corona-duivel daar geen (dirigeer)stokje voor steekt…

De literatuur is er ook nog, reeds in de middeleeuwen dook hij in de teksten op en dat is hij met veel verve blijven doen. Zelfs al was het maar louter en bescheiden in een titel als ‘The devil wears Prada’ waar hij zich verder niet vertoont. Maar dit Hoekje zou uit zijn voegen barsten. Verduiveld, zelfs de sport laat hij niet ongemoeid. Is er niet een of andere nationale voetbalploeg die zich met zijn rode verschijning vereenzelvigt? En huppelde er niet jarenlang langs het parcours van de Tour de France een fanaticus mee, uitgedost als satan? 

De duivel, of ik geloof dat hij bestaat? Nee absoluut niet. Wel plezier aan hem beleefd als pop in mijn poppenkast, lang geleden. Maar mocht hij toch tot de werkelijkheid behoren: handig, dan beschikten we over een zondebok om alles wat fout loopt in deze wereld en maatschappij op de schouders te laden. Helaas, we zullen het uiteindelijk toch aan onszelf, aan de mensheid mogen wijten.      

Johan de Belie       

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.