De 28ste april was in de Romeinse tijd de feestdag van de godin Flora. Ter gelegenheid daarvan vonden dan de Floralia plaats. Nu denken de Gentenaars daarbij natuurlijk vooral aan bloemententoonstellingen en dat zal ook wel zo geweest zijn, tenslotte was Flora toch de bloemengodin, maar de populariteit van die feesten school hem toch vooral in de ludi florae, die naakte prostituées ten tonele voerden. Giambattista Tiepolo heeft in bovenstaand schilderij uit 1743 een beetje van die sfeer proberen weergeven. Voor ons is het een aanleiding om even te blijven stilstaan bij het Romeinse theater…

Het Griekse theater heeft de Romeinse wereld bereikt via Sicilië. Dit eiland dat toen “Magna Kretia” heette stond immers onder Griekse invloed en toen de Romeinen er tijdens de oorlog om Carthago (3de eeuw voor Christus) hun kamp opsloegen, kwamen ze ermee in contact. Tijdens de ludi romani werden dan stukken opgevoerd, die waren vertaald door Livius Andronicus, een geromaniseerde Griek.

Die vertalingen zijn echter niet tot ons gekomen. We hebben enkel nog de titels van acht tragedies en drie komedies (ook van de Griekse originelen, waarvan er nochtans massa’s moeten hebben bestaan, alleen al tussen 480 en 330 zijn er 141 titels bekend, zijn er maar weinig bewaard gebleven).
Zijn belang ligt vooral in het feit dat door zijn toedoen de klassieke vorm werd behouden (hij schreef b.v. in jamben) tot het einde van de republiek. Alleen de koren schafte hij af en verving hij door cantica. Zoals de naam het zegt, betekent dit dat de teksten werden “gezongen” (wij zouden eerder zeggen: gereciteerd met fluitbegeleiding), terwijl een speler ze mimisch uitbeeldde. Ze werden enkel nog gebruikt om twee scènes die in de tijd niet onmiddellijk op elkaar volgden te verbinden.
Alhoewel Livius zich onpopulair maakte door de nadruk te leggen op het ernstige werk, bleven in de marge de jocularia bestaan en ze kregen zelfs een nieuwe impuls toen ze zich gingen vermengen met de fabulae atelanae, volkse, boertige kluchten van Oskische oorsprong. Ze zijn genoemd naar de stad Attella in Campanië.
De kenmerken waren inderdaad ongeveer dezelfde als die van de saterspelen: ze werden opgevoerd als naspel, ze waren “realistischer” (met een neiging tot het obscene), het waren landelijke personages (zoals in de Griekse fluakes) en er was mogelijkheid tot improvisatie. Daarbij vertrok men wel van een aantal stereotiepe figuren (oscae personae): de maccus (een harlekijn), de stupidus (het woord zegt het zelf al), de bucco (een man met een grote onderkaak) en de papus (een oude sufferd). Het is duidelijk: hier werd reeds de basis gelegd voor de commedia del’arte.
Na Livius Andronicus werd er een dominus gregis aangesteld, wiens taak min of meer kon worden vergeleken met die van een choreeg. De beste tragici in die periode waren Ennius (°239), Pacuvius (°229), Acchius (°279) en later Titinius (2de eeuw). Zij schreven zogenaamde fabulae togatae, eigentijdse satires (in tegenstelling tot de fabulae paleatae, zo genoemd naar een Grieks manteltje, wat aangaf dat ze op Griekse stof waren gebaseerd, maar het meest opvallende verschil was volgens de grammaticus Eilius Donatus nog dat bij de togatae de slaven niet slimmer waren dan hun meesters) die toch minder interessant waren dan komedies, aangezien ze te retorisch, te barok waren, te weinig adaptatiemogelijkheden hadden en neiging tot horror.

Kortom, ze gingen wel heel dicht aanleunen bij wat later bekend zal raken als opera en inderdaad, de muziek werd belangrijker. Er werd voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen recitatieven en aria’s en duetten. Bij Cicero lezen we dan ook dat veel mensen nog louter voor de muziek gingen. Ook de ellenlange duur (vier uur!) maakte het genre minder populair. Het bleef enkel nog wat voortleven dankzij de mondaine recitationes. Zo mag men b.v. aannemen dat de tragedies van Seneca eerder werden voorgedragen dan gespeeld. Dat kan trouwens ook de reden zijn waarom ze zo bloederig waren. Dat er iemand in stukken werd gehakt, tot daaraan toe (men gebruikte daarvoor dan wel een slaaf of een misdadiger), maar als die nadien weer aan elkaar werd geplakt en door een god tot leven gewekt, zat men toch met bepaalde problemen…

Seneca wordt steeds aangehaald als inspiratiebron voor Hugo Claus, maar als hij in zijn “Blindeman” de medeplichtigheid van Iokaste aanhaalt, dan baseert hij zich toch meer op Sofokles dan op Seneca, want deze heeft de passage waarin ze bekent Laïus te haten en van het incest op de hoogte te zijn, weggelaten.
Er was ook een tendens tot politiek-sociale satire gaande van Naevius tot Plautus, maar puristen als Caecilius en Terentius maakten komaf met de allusies. Zodat dit bij Afranius en Ata (+77 voor Chr.) al niet meer het geval was. Dan zitten we al in de periode van Varius Rufus met zijn “Thyestes” en van Ovidius met zijn versie van “Medea” die echter allemaal verloren zijn gegaan. Na 29 voor Christus zou het genre helemaal uitsterven (in dat jaar vinden we de laatste geattesteerde opvoering van een tragedie terug).
Ondertussen (zo rond 100 v.Chr.) zijn de fabulae atelanae o.i.v. Lucius Pomponius en Novius niet langer de dolle boerenkluchten van vroeger, maar een volwaardig literair genre. De paar fragmenten die overblijven laten overigens weinig onderscheid met de fabulae togatae toe. Het plebejische karakter en de stereotiepe figuren bleven wel. De acteurs mochten hier ook de hiertoe noodzakelijke maskers blijven dragen, alhoewel dat voor andere genres ondertussen verboden was, omdat zij vrijgelatenen en slaven waren.

Toch waren de ludi apollinares van onze vriend Pomponius voorbehouden voor ‘professionals’. Onder het keizerrijk groeiden deze uit tot een grootse show rond mythologische gegevens. De meest succesrijke beoefenaar hiervan was Decimus Laberius. In de periode van het keizerrijk, toen de Romeinse theaters niet langer van hout waren (het eerste stenen theater werd in 55 voor Christus gebouwd door Pompeius), waren maskers dan weer plotseling “in”, meestal groteske, overdreven maskers trouwens, behalve in de pantomime (kleine maskers) en in de mime (hier enkel schmink).
De pantomimus leunde aan bij de “mimische” of “mimetische dans”, die in Griekenland ontstaan is in 400 v.Chr. en waarschijnlijk van Dorische oorsprong is, want in Rome is hij ingevoerd via het door hen gekoloniseerde Sicilië, en teruggaat op de purichè, een wapendans. Men kan echter pas van een literair genre spreken sedert 22 v.Chr., toen Pullades uit Kilikië de tragische pantomime “uitvond” en Bathulos uit Alexandrië (een vrijgelaten slaaf van een zekere mijnheer Maecenas, toch niet helemaal onbekend) hetzelfde deed voor de komische pantomime. Van toen af voelden ook gerenommeerde literatoren zich niet meer “te goed” om “libretti” voor een pantomime af te leveren (het werd trouwens goed betaald). De “panto” slaat op het feit dat één (meestal atletische) man àlle personages uitbeeldde, met behulp van verschillende maskers. Daarnaast waren er wel de scabilarii die de maat aangaven door op de scabillum te drukken (houten “kleppertjes” onder de sandalen; een soort voorloper van tapdansen dus).
De mimus (de naam staat zowel voor de speler als voor het gebarenspel zelf) was een obsceen, kluchtig, erotisch gebarenspel dat gepaard ging met declamatie en zang met fluitbegeleiding. Er was geen theateruitrusting voor nodig en de spelers waren dikwijls ook jongleurs en goochelaars. De onderwerpen waren stereotiep (gevechtsscènes, stomme schoolmeesters, koppelaarsters…) en het taalgebruik vulgair. Ook hier waren er een aantal vaste rollen: de archimimos gaf een samenvatting en bleef steeds op het toneel, terwijl de actor secundarum partium gekleed was in een bontgekleurd harlekijnspak met een enorme fallus en voor hilariteit zorgde door de woorden van de archimimos altijd heel letterlijk op te nemen. Ook dit ging terug op een Grieks voorbeeld (Sofroon van Syracuse uit de tweede helft van de vijfde eeuw; een halve eeuw later reeds in Rome) en vormde een basis voor de commedia del’arte. In de ludi florales, opgedragen aan Flora, de godin der bloemen, waren de speelsters soms naakt, niet te verwonderen dat het genre zo lang populair bleef dat zelfs de kerkvaders er nog tegen hebben geprotesteerd. Misschien vonden zij trouwens daar hun inspiratie om vrouwen te weren van de scène. Zo vinden we bij Casanova een merkwaardig verhaal terug van een verliefdheid op een “man”. Een acteur die gespecialiseerd was in vrouwenrollen, maakte zo’n indruk op hem dat hij er even aan twijfelde of hij uiteindelijk toch niet homoseksueel was. Hij was er echter van overtuigd dat het toch een vrouw was. Toen hij op een bepaald moment op “onderzoek” uittrok, voelde hij echter inderdaad een penis. De acteur stelde hem echter gerust: ze was wel degelijk een vrouw. Maar om deze rollen te kunnen vertolken moest ze zich als man laten doorgaan en de pastoor die dit controleerde, deed dit op dezelfde manier van Casanova. Alleen vertelde ze hém er niet bij dat het maar een namaakpenis was…
Nog voor de val van het Romeinse rijk geraakte het toneelspelen in verval. Enkel de mimen bleven nog over, die optraden samen met andere dansers, goochelaars en jongleurs, maar die evenmin als hun collega’s de taal gebruikten. Door deze universele verstaanbaarheid waren ze wel ontzettend populair en alhoewel zowel de burgerlijke als de kerkelijke overheden argwanend tegen hun populariteit aankeken, moet een geestelijke toch op een bepaald moment op het idee zijn gekomen dat hun acteertalent ook kon worden aangewend om de geloofsleer te verspreiden.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.