Het ligt voor de hand dat u mij niet kent. Een zo onbeduidend wezen, een zo nietig figuur. Indien ik nog slechts mijn uiterlijk aanschouw, om te jammeren en te weeën. Kijk, vier wanstaltige poten die dit schrale lijf moeten dragen. Een lichaam dat zich waagt te ‘tooien’ met een vuilgrijze vacht, dof en stoffig – van een troosteloosheid om depressief bij te worden na een eerste blik. Nee dan al die mij omringende kleuren en tinten! Mijn hoofd, wat een trieste snuit. Bovenop bekroond met twee veel te grote nutteloze oren die of idioot rechtop staan alsof ik hen fier aan de wereld wil tonen (was het maar waar!) of slap neerhangen en mij definitief buitenspel zetten: deze jongen staat aan de rand van de afgrond, de depressie druipt van zijn oren…

Wie heeft, en tot welk nut, zulke buiten formaat luisterapparaten? Ach ja, natuurlijk, die koning, de trotse olifant. Maar hij weet die reuzeflappen dan ook met verve, met trots te dragen! Hij waait en wuift en klappert ermee, hij zegt “hier ben ik, trotse bezitter van een stel oren die hun gelijk niet hebben in de wereld”. En hij gooit zijn buiten proportie-slurf de lucht in, trompettert: dat is zelfbewustzijn… daarvan kan ik slechts dromen. Eerlijk gezegd kan ik dat alles niet verhelen in mijn blik; mijn ogen stralen steevast dat mistroostige, die diepe ellende, het besef van mislukking uit.

Goed, er rest mij nog mijn staart te vermelden. Op hem ben ik een beetje fier. Soms weet hij mij te troosten, mij op de momenten van absolute neergang uit het dal op te tillen. Dan spreek ik tot hem, en hij… hij antwoordt, blaast me enkele bemoedigende woordjes toe. Slaat eens naar links, slaat eens naar rechts, geeft mij een tikje op mijn rug, bemoedigend, en hop daar gaan we weer. Tot ik ga drinken bijvoorbeeld. Ja in ons bos is een grote vijver, een klein meer in feite, waar ik mij laaf. Waar ik noodgedwongen steevast geconfronteerd wordt met mijn spiegelbeeld. Ramp. Aan Narcissus moet ik telkens denken, wat een ervaring – je schoonheid aanschouwen; nee dan mijn rampzalig lijf. 

Och verzuimde ik het mijn naam te noemen? Niet dat hij zo interessant is, ordinair is hij, zonder enige betekenis. Hoe ik hem kreeg? Mijn ouders? Maar wie ze waren, ik bewaar geen herinnering aan hen. Zover ik weet heb ik steeds hier geleefd, in dit bos, in mijn eentje. Maar goed, ik heet Iejoor, voor wat het waard is. Behorend tot het ras der ezels. Voorwaar niet bepaald een referentie. Al eeuwen worden mijn broeders en zusters gebruikt als lastdieren. Bepakt, beladen zwoegen ze onder gewicht, meer dan volgens welke conventie ook zou mogen zijn toegestaan, over de wereld. Vaak via smalle levensgevaarlijke bergpaden, over beijzelde weggetjes, scherpe rotsen. Of dienen tot vermaak: torsen op hun rug kinderen voor een plezierritje, hoe vernederend.

Ja het is een ellende een ezel te zijn. Denk maar aan Pinocchio en zijn vriendje Lucignolo, wat was hun grote straf: juist, ze transformeerden in ezels! En wat was 2000 jaren geleden reeds een vreselijke belediging, ja “Caius asinus est”, Caius is een ezel… Hoe ik, domme ezel, dit weet? Och, ook wij beschikken over iets als mondelinge overlevering. Je verneemt wel eens iets, je vangt wel eens iets op. Of ik luister naar wat mijn geleerde vriend Uil vertelt. 

Vriend, ja vrienden. Vreemd genoeg zijn die er. Ik, nietswaard, en eenzaat, bezit toch enkele vrienden hoe gek dat ook mag zijn. Het begrijpen doe ik niet, het is mij ongeloofwaardig, en toch… Mijn beste, mijn dikste vriend is ongetwijfeld Winnie, Winnie the Pooh! Oh, sorry, het mag helemaal niet als een belediging klinken, dat dikste bedoel ik. Want hij is inderdaad wel wat corpulent maar volgens mij hoort dat ook zo, het zou maar gek zijn, een magere beer. Nee hij is wat men een gezellige, goedige dikzak durft te noemen, steeds goed gehumeurd. Een toonbeeld van de onschuld. Maar zonder enige negatieve bijklank. Winnie is lang niet dom. Goed, je moet hem geen ingewikkelde rebussen of vraagstukken voorleggen, maar die interesseren hem dan ook niet. Praktische zaken evenwel daarin is hij een kei, zo kende hij het verschil tussen een touw voor een bel en een staart – en dit op een cruciaal ogenblik! – , of laat hem maar eens als hij hongert een bijennest zoeken… Want ja honing, dat is zijn motto en embleem, u ziet hem zelden, nooit eerlijk gezegd, zonder een pot honing onder de arm geklemd. Of hij nu wandelt (weinig), slaapt (vaak), of op een steen doezelend in de zon zit (bij voorkeur) steeds is er die pot, in alle formaten beschikbaar. Belangrijkste eigenschap van Winnie: zijn onvoorwaardelijke trouw, naar alle vrienden toe. En dat zijn er wel wat in ons Honderd Bunderbos. En gek, ik mag hen ook allen mijn vrienden noemen. Teigetje bijvoorbeeld. Dat is de tijger die u niet zomaar ziet rondlopen of springen, nee hij stuitert meestal. Een bizarre wijze van voortbewegen: sprongsgewijs op zijn staart die hij als een soort veer hanteert, lanceert hij zich in de lucht. Komisch maar efficiënt. Heel mooi is hij, oranje met zwarte strepen en een lichte buik, over zo’n vacht kan ik alleen dromen… Zijn motto is dat de wereld gemaakt is om er vooral veel pret te maken! Tja, kon ik maar zo onbezorgd leven, zo’n losbol, zo lichtzinnig, zo optimistisch… Nee voor mij lijkt het leven dag na dag een zware opgave, ik sleep mezelf door het bestaan, kop in de grond terwijl die malle Teigetje de lucht instuitert. Gek genoeg is de grote vriend van die machtige tijger nu net de kleinste van de bewoners, kleine Roe die maar al te graag wegloopt uit de buidel van mama Kanga. Teigetje en Roe, een speels duo is dat – ondanks alles moet ik soms glimlachen wanneer ik hen zie stoeien. Moeder Kanga laat het begaan al voedt zij haar kind streng op, zij is dan ook ongetwijfeld het meest intelligente wezen in ons bos.

Al zal Uil deze woorden vast niet beamen! Ziet u hem zitten tussen zijn boeken, naast zijn globe, het vergrootglas in zijn poot geklemd om alles te bestuderen. Wie met een vraag zit, een probleem heeft: één adres, de wijze Uil! Zijn motief is: wie slim is moet nooit bekennen iets niet te weten. Daar heb ik al vaak en al lang over nagedacht en me dunkt dat er in die redenering toch iets niet helemaal klopt, of in ieder geval niet zuiver op de graat is. Maar ja, ik ben maar een dwaze ezel, ik hou die bedenking stilletjes in mijn hoofd opgesloten. Wel is het spijtig dat Uil niet echt correct heeft leren schrijven zoals ik meermaals moest vaststellen. Zo noteerde hij ooit op een affiche, naar aanleiding van iets dat mij overkwam (mogelijk vertel ik dit nog wel): ‘wetstreit foor ztaart fan iejoor’. Misschien heeft hij dyslexie want eerlijk, of hij al die boeken ook gelezen heeft… ze zijn een erfenis van zijn grootvader wiens portret u aan de muur ziet hangen. En ieder genie mag zo zijn feilen hebben toch? Gek genoeg heeft hij een voorliefde voor het hanteren van, en schermen met, lange en onbegrijpelijke woorden; die bieden natuurlijk het voordeel dat niemand van de vrienden hen kent, dus niet weet of ze correct uitgesproken of gebruikt zijn – maar deze overweging spreek ik niet uit natuurlijk. 

Dan is er nog Konijn, die is ietwat eigenzinnig – zo heeft iedereen wel zijn karakter. Een druktemaker. Een harde noeste werker, voortdurend aan de slag in zijn grote moestuin: wortelen, tomaten, pompoenen… Oh wee wanneer Teigetje daar arriveert met zijn doldwaze sprongen, stuiterend. Paniek! Dan roept en tiert Konijn om zijn zo moeizaam beplante lap grond te beschermen, vaak tevergeefs. Begrijpelijk dat hij zijn voedselvoorraad zo angstvallig beschermt. Zelf zou ik minder moeite doen voor mijn armzalig ontbijt, lunch en avondmaal: distels die groeien rond mijn woonplaats aan de rand van ons Honderd Bunderbos, niet bijster origineel genaamd ‘Duistere Oort’. Hij heeft wel zeer veel konijnenvriendjes in zijn buurt, logisch waarschijnlijk gezien de reputatie van deze wezens. En ja, ik moet toegeven, ook hij beschikt over een fraai stel oren, net als ik, maar zoveel mooier én functioneel: gespitst op elk geluid. Nee, ik zou niet durven vergelijken. Ooit opperde Konijn het plan om ons allen op expeditie mee te nemen naar Waterschapsheuvel maar dat ging tenslotte mooi niet door. Gelukkig, wat een veel te gevaarlijk avontuur!

De lieveling van Winnie the Pooh is Knorretje, een heel lief klein roze biggetje dat steevast in een leuk pakje gekleed is, vertederend. Een beetje bangelijk, bescherming zoekend, zo wat het troetelkindje van Winnie. Een schat. Tenslotte is er nog een buitenbeentje, een mens, een jongetje, Christopher Robin. Het is met hem dat het in feite allemaal begon, maar dat is mogelijk iets voor later. Dat zijn dus allen die ik mijn vrienden mag noemen en met wie ik talloze avonturen beleefde, die mij zelfs reeds twee gelukkige momenten in mijn zielige bestaan bezorgden. Ach, ik fleur al een seconde op als iemand een woordje tot mij richt, dan mompel ik voor mij uit: “Kijk Iejoor, je hebt een vriend!”

Avonturen… Vertel ik u over de grote storm die ons Honderd Bunderbos teisterde? Mijn duistere oord bleef gespaard, veel kan daar in dat slijkerig, moerassig gebied ook niet misgaan, evenmin als er iets zou verloren zijn aan mijn miserabele ‘woonst’, veeleer een bouwval waar ik mijn troosteloze dagen doorbreng, nauwelijks beschut tegen de ellende van het dagelijks leven – en dan bedoel ik niet zozeer de natuur maar de gedachten, die hou je niet buiten met welke stevige constructie ook. Maar goed, op een dag was er hevige wind opgestoken, veel meer, een heuse stormwind en die kleine Knorretje waagde zich toch buiten uit zijn huisje in de beukenboom. Nu is hij wel vrij dik maar toch niet groot dus floep daar ging hij de lucht in, richting huis van Winnie die hem net ziet voorbij vliegen, zijn vriendje grijpt maar helaas – hoe zwaar hij ook is – zelf eveneens opgetild wordt door de rukwind. Daar gingen ze en landden bij het huis van Uil, of wat daarvan restte want het lag inmiddels in puin: de orkaan had alles vernield en Uil ging dan maar logeren bij Christopher. Het werd nacht, Winnie ontwaakt om vast te stellen dat zijn woning onder water staat. Oh wee, hij slaagt er in zijn voornaamste bezit, zijn talrijke honingpotten te redden en klimt ermee in een boom. Wie drijft daar voorbij: Knorretje! Hem redden… verdorie, kukelt mijn liefste beer in het water, zijn hoofd klem in één van zijn potten. Gelukkig is daar Uil om hem te redden en onder de hoede van Christopher bereiken tenslotte alle bewoners van het Bunderbos een droge schuilplaats tot de zon doorbreekt en ik mag delen in de feestvreugde. Want optimistisch als ze allen zijn vergeten ze hun leed dadelijk. Ik daarentegen, bij mij maalt en draait zoiets dagen en nachtenlang. Mijn aard zeker?

Of dat verhaal over die keer dat Winnie geen honing meer had, dat hij zijn maag en darmen hoorde tekeer gaan alsof er een vuurspuwende berg in zijn huis was. Alle potten leeg! Terwijl de bijen zoveel honing hebben… dus op zoek naar een boom met bijen. Hij klimt er in, maar ja, zijn gewicht, de tak breekt af en hij belandt op de grond. Wie weet raad, de vrienden? Op zoek: hij vindt Christopher, Kanga, Roe en mij bij Uil die ons een verhaal aan het vertellen is. Dé oplossing wordt gesuggereerd: met een ballon omhoog tot bij het nest. Maar kan een ballon Winnie dragen, hij is niet bepaald zo licht als een wolk. Oh, dan strijk ik er wat modder op, lijk ik op een wolk, dan moet het lukken, oppert Winnie heel logisch. En, voegt hij er aan toe, iemand moet beneden een paraplu opsteken dan zijn de bijen misleid en denken ze dat ik echt een regenwolk ben. Om u maar te zeggen hoeveel praktische wijsheid mijn vriend bezit. Alles lukt tot hij zijn arm in het nest steekt: de bijen worden razend, vallen hem aan, de ballon is stuk geprikt en Winnie kukelt naar beneden. Met nog steeds rammelende maag die hij tenslotte mag verzadigen bij Konijn waar hij alle, maar dan ook alle honingpotten leeg eet. Zodat hij met dikke buik het hol van Konijn niet uit kan en het tenslotte Christopher, Kanga en uw nederige dienaar zijn die hem met vereende krachten door de nauwe deur weten te trekken. Met zoveel geweld dat hij door de lucht vliegt, recht in een andere honingboom waar hij zijn smulpartij verderzet!

Avonturen… talloos, hoe we een vlot bouwden en allen in het water terechtkwamen. Of die lange dramatische en zeer opwindende zoektocht naar Christopher omdat we dachten dat hij ontvoerd was door de wilde dieren die ook in het bos huisden, tot bleek dat het gewoon zijn eerste schooldag was – wat een expeditie was dat, niet zonder gevaren! Die bewees hoe trouw iedereen was, en bezorgd.

Mij persoonlijk hebben ze twee echte geluksmomenten bezorgd. Wat ik nooit had ik kunnen vermoeden noch hopen. Een dag als alle andere, mistroostig ontwaakt, neerslachtig de omgeving een beetje verkend, en overdacht dat het toch een bijzondere dag diende te zijn vermits ik jarig was. Hoe oud, geen idee, ik weet niet in welk jaar ik geboren ben, ik zie er vrij oud uit maar niet bejaard en echt verouderen lijk ik niet te doen. Verjaardag, moet dat gevierd worden? Hoe, en dan… ik kan mezelf een hoedje opzetten en een disteltaart bakken. En in mijn eentje de polonaise dansen rond mijn bouwval. Nee dus. Dan maar wat een wandelingetje door het bos. En kijk na een uur hoor ik ergens lawaai, rumoer, drukte. Nieuwsgierig slenter ik die richting uit. Het is plots stil. Op een open plek gekomen: tafels met versnaperingen, er hangen vlaggetjes, ballons, lampions… blijkbaar wordt het hier feest! Plots springen uit de struiken en van tussen de bomen: alle vrienden van het bos en ze zingen Happy Birthday dear Iejoor, en Winnie draagt een reuzetaart met kaarsjes… ja, mijn vrienden!

Het andere gelukmoment startte zo mogelijk nog droeviger: ik kwam tot de vaststelling dat ik mijn enige trots (nu ja?), mijn staart verloren had. Toen de vrienden mij zo diepbedroefd zagen besloten ze eerst me met een surrogaat te helpen: Winnie bond me een koekoeksklok aan maar toen ik ging zitten, tja krak stuk natuurlijk onder dat lompe achterwerk van mij. Knorretje probeerde het met een ballon maar ik vloog bijna de lucht in. Een jojo sloeg tegen mijn hoofd, een paraplu ving teveel wind, een accordeon sleepte over de grond en maakte de vreselijkste geluiden. Nee, er was geen adequate oplossing en daarom stelde Christopher een zoekactie voor met een pot honing als beloning. Inmiddels had Kanga een lange staart gebreid, die voldeed enigszins maar Winnie vertelde me dat hij overal plukjes wol vond aan de takken waar Iejoor gewandeld had, dus zo efficiënt bleek die ook niet! Na heel wat verder gedoe, nog iets met een valkuil waar mijn beer zelf invalt verstrooid als hij is wanneer de honger bezit van hem neemt, wil hij aanbellen bij Uil… en kijk wat ontdekt hij aan de bel van Uil: mijn staart! Ach, Uil had dat ding gevonden in de buurt van het Distelveld en gedacht ‘dit is een mooi bellenkoord, het mijne is versleten’. Meteen had hij er ter versiering een fraaie roze strik aan bevestigd. Zo kreeg ik – heerlijk moment – mijn staart terug, mét de strik. Geef toe welke ezel heeft zo’n mooi opgetuigde staart. En dergelijke vrienden die zoveel voor hem doen.

Het is dan ook heel ondankbaar dat ik zo gedeprimeerd door het bestaan slof, maar daaraan is weinig te verhelpen vrees ik. De aard van het beestje. Antidepressiva slik ik niet. Ik tracht het hoofd rechtop te houden en wanneer ik al te zwartgallig ben zoek ik Winnie op, zijn levenslust is een waar antidotum.Waar kom ik nu in feite vandaan? Ben ik werkelijk ontsproten uit het creatieve brein van de Brit A.A.Milne? En is Winnie in feite de beer Edward van zijn zoontje Christopher Robin die zijn lievelingsknuffel tenslotte een naamsverandering toestond: Winnie, na het zien van de beer met die naam in de zoo van London… En de meeste andere dieren van het Honderd Bunderbos, waren ze inderdaad geënt op andere knuffels van Christopher Milne. Dan zou ik geboren zijn op 14 oktober 1926, toen het eerste Winnie the Pooh-boek verscheen, of in ieder geval werd ik dan boven de doopvont gehouden. En mijn gestalte, mijn droeve blik… die dank ik dan aan Ernest Shepard die al die tekeningen maakte. Tja, ook aan Disney, daar wijk ik uiterlijk wel wat af van mijn origineel vind ik. Films kwamen er, meerdere, en televisie ook, feuilletons, vertalingen en afgeleide boeken, theater, radio, zelfs games. Een hele merchandising… al die knuffels over de ganse wereld verspreid. Ja zelfs ik rust als troetel in menig kinderbed, laat dat mij een troost zijn! Alleen in China zijn we niet meer welkom sedert 2017 toen men het waagde in hun Xi Jinping een gelijkenis met Winnie te vinden. Overigens, ik stond dan voor twee andere politici: de Chinese Fernando Chui en de Japanse Shinzo Abe, nu ja… ze mogen zich inderdaad wel beledigd voelen, vergeleken worden met een ezel als ik, Iejoor…                

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.