De oudste culturen waren matriarchaal. De man zag immers zijn rol in de voortplanting nog niet in en beschouwde de vrouw die leven kon geven als een superieur wezen. Vandaar het oerbeeld van de vrouwelijke godin uit matriarchale tijden, die de jager met de botte speer aan haar voeten doet neerknielen. Het vamp-image van Theda Bara was daarop gebaseerd maar men vindt het ook terug in boeken als “L’Atlantide” van Pierre Benoit of “She” van Rider Haggard. Deze godin was maagd, maar dan wel in de oorspronkelijke betekenis van “vir-go”, diegene die geen man nodig heeft. De eredienst werd dan ook gevierd met seksuele riten.

De matriarchale maatschappij verdween tussen 7.000 en 4.000 voor Christus. De reden was dat men naast jacht en visvangst ook ging leven van landbouw en veeteelt en vooral bij dit laatste werd het plots duidelijk dat de man toch ook een functie heeft in de voortplanting. Volgens da Vinci is het eerste schilderij zelfs de contouren van een man die in de zon staat. En die man had al meteen een erectie. Al had men daarvoor van de apen (die toen nog niet in de zoo zaten) al de vreugde van het masturberen ontdekt (van “manus”, hand, en “stuprare”, bezoedelen). Of zoals Diogenes het formuleerde: “Het is een wonder dat het zo simpel kan zijn. Kon ik mijn honger ook maar stillen door over mijn maag te wrijven…” De theorie van de Zwitserse arts Tissot hoe je er blind, doof, enfin alles tegelijkertijd van wordt, moest nog komen. En eigenlijk zijn het alleen de Amerikanen die deze theorie geloven. Ene J.H.Kellog vond zelfs de cornflake uit om de drang tegen te gaan. Het dient gezegd dat mijnheer Kellog ook één van de eersten was om aandacht te besteden aan de vrouwelijke masturbatie. Zij het niet in positieve zin. Om het tegen te gaan stelde hij voor de clitoris te bewerken met onverdund carbolzuur. Hij dacht daarbij wel aan opgroeiende meisjes, maar onderzoek heeft uitgewezen dat vandaag de dag 60 procent van àlle mannen en 40 procent van àlle vrouwen masturberen, ook als ze een partner hebben.

Het godsbeeld werd meteen ook mannelijk. Met onmiddellijk trouwens een afschrikwekkende god. Typisch mannelijk dus. Al bleven er in diverse culturen nog steeds meerdere goden (en dus ook godinnen) bestaan, met ieder een specifieke eigenschap. Het monotheïsme is afkomstig uit Egypte met de god Aton, die voor het eerst ook goed en rechtvaardig, barmhartig en almachtig is. Niemand minder dan Sigmund Freud trachtte in “De man Mozes en de monotheïstische religie” (1934-38) te bewijzen dat het jodendom hieraan schatplichtig is. Buiten het gebruik van de besnijdenis die uit deze religie werd overgenomen, trachtte hij b.v. ook te bewijzen dat het Mozes-verhaal een joodse aanpassing was van een bestaande Egyptische sage over een boerejongetje dat werd “afgevoerd” langs de Nijl en dat op die manier aan het Egyptische hof werd opgevoed.

Gebruik makend van zijn kracht, maakte de man de vrouw aan hem ondergeschikt, een beeld dat vooral door de christelijke godsdienst werd gepropageerd, met het beeld van de vrouw als de verleidster, als de bron van alle kwaad (cfr.het scheppingsverhaal). Volgens Hieronymus was het zelfs zo dat als een vrouw zou verrijzen het als man zou zijn… Onnodig te zeggen dat deze theorie niet door de heer Christus zelf (als die al als zodanig heeft bestaan) is verkondigd. Evenmin is er daarbij sprake van de Onbevlekte Ontvangenis, zij het in de meest gebruikte, maar verkeerde betekenis van het woord. De Onbevlekte Ontvangenis betekent namelijk dat Maria, op het moment dat ze zwanger werd van de Heilige Geest, niet bevlekt was door de erfzonde. Het is dus niet de maagdelijke conceptie, zoals zovelen (o.a. ook de auteurs van het Tempeliersboek p.83) denken. Het heeft dus niets met sperma- of andere vlekken te maken. Niet voor niets wordt de Heilige Geest door zijn intimi Monsieur Propre genoemd! (*)

De preutsheid, waarmee het judeo-christianisme zich aftekent tegenover andere godsdiensten en filosofieën uit die tijd (met uitzondering van het stoïcisme), is gegroeid van bij Paulus (40 à 50 na Christus) tot Augustinus (schreef deze niet in de vierde eeuw: “Inter faeces et urinam nascimur”?). Paulus wilde dat alle mannen zich gedroegen zoals hemzelf, d.w.z. dat ze geen vrouw aanraakten. Maar hij was realistisch genoeg om te beseffen dat dit geen groot succes zou worden en daarom voerde hij het monogame huwelijk in. Of Christus zelf zich onthield, dat is zeer twijfelachtig. Nergens in het Evangelie vinden we een aanduiding van het één noch van het ander, maar in tegenstelling tot wat men ons wil doen geloven was vrijgezel blijven zoiets als openlijk homofiel zijn. (Ten tijde van Christus bestond er wél een sekte die opriep tot seksuele onthouding, maar dan wel in functie van een op handen zijnde revolutie tegen de Romeinse onderdrukkers. The Judean Liberation Front als het ware.) Zeker als men “rabbi” was, moest men getrouwd zijn. Er zijn trouwens aanwijzingen dat de fameuze bruiloft in Kana, Jezus’ eigen bruiloft was (**). En zijn vrouw was dan Maria Magdalena, al is het grote probleem dat deze “persona” eigenlijk een samenvoeging is van vier Maria’s, die niets met elkaar te maken hebben.

Zo is er bij Johannes 20, 11-18, sprake van een Maria uit Magdala die in de graftuin op de ochtend van Pasen een tuinman ontmoet, die de verrezene zelf blijkt te zijn. (Als zij hem wil omhelzen, antwoordt hij: “Noli me tangere”, waaruit één van de auteurs van de samenvoeging, Ambrosius, overigens afleidde dat vrouwen nooit priester mochten worden, want zij mochten de geconsacreerde hostie niet aanraken.)

Bij Lucas 10, 36-42, vinden we dan ook een Maria, deze keer de zuster van Martha en Lazarus. Zij wordt door Christus geprezen omdat ze zijn voeten zalft en afdroogt met haar haren (zeer erotisch!) in tegenstelling tot haar zus die het huishouden blijft beredderen. Deze scène zit o.m. in “Jesus Christ Superstar”, maar de zus wordt daarin vervangen door Judas, die opmerkt dat het toch weggegooid geld is. Dat het hier echter zeker niet de Maria uit Magdala betreft, wordt wel bewezen door het feit dat dit verhaal zich in Bethanië afspeelt, een stadje vlakbij Jeruzalem, terwijl Magdala in Galilea ligt.

Eigenlijk komt de Superstar-passage dus meer overeen met een andere passage uit Lucas (7, 37-38), waar een “boetvaardige zondares” hetzelfde doet en door Christus vergiffenis wordt geschonken voor haar zonden die echter niet worden gepreciseerd. Er staat immers nergens in het Evangelie dat zij een “hoer” zou zijn geweest, zoals men ons alweer wil doen geloven. Dat zij een “zondares” was wilde wellicht zeggen dat zij tot een (heidense) sekte behoorde. Wie deze “zondares” was, wordt eigenlijk niet gezegd, maar velen gingen er automatisch van uit dat het opnieuw die Maria van Magdala was, die een beetje verder (8, 2) opduikt als een volgelinge van Christus, uit wie hij “zeven demonen” heeft verdreven…

Dat Christus getrouwd was, wil daarom nog niet zeggen dat hij kinderen had, maar het is wel zeer waarschijnlijk. Sommigen veronderstellen zelfs dat de fameuze Barabbas zijn zoon was (wegens de etymologie: Barabbas zou dan betekenen “zoon van de rabbi”). Ten eerste was ook deze géén rover, zoals de overlevering wil, en ten tweede wordt dan de “keuze” ook duidelijker (al moeten we wel vooraf stellen dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een despoot als Pontius Pilatus het volk zou laten “kiezen”, een dergelijk gebruik bestond niet bij de Romeinen), want dan moet men kiezen tussen de dood van de vader en de verderzetting van het geslacht. Sommigen gaan nóg verder en beweren dat Christus niet aan het kruis gestorven is.

Eerst en vooral, bij het begin van onze jaartelling moeten mensen gemiddeld 22 jaar hebben geleefd. De genaamde Jezus Christus was dus stokoud toen ze hem aan het kruis hebben genageld. Ook toen reeds had men geen eerbied voor grijze haren. Het was immers pas in de periode 1200-1700 dat de levensduur gemiddeld 33 jaar bedroeg. Zelfs in 1870 werd men doorgaans amper 35 jaar. Daarna ging het echter razendsnel. Rond de eeuwwisseling klom het cijfer tot 45 jaar, in 1925 zaten we al aan 56 jaar en nu worden in Vlaanderen mannen gemiddeld 74 jaar en vrouwen zelfs 80 jaar. (Bronnen: “Der Mensch in Zahlen” van Konrad Kunsch en Vrind, een uitgave van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap)

Maar goed, terug naar de kruisiging van Christus (***). Die azijn b.v. die men hem geeft, is normalerwijze slechts in zoverre sadistisch dat de gekruisigde hierdoor weer terug tot bewustzijn komt (vergelijk met vlugzout), zodat hij het in sommige gevallen zelfs een week kan uithouden. Het breken van de beenderen is daartegenover géén sadisme, maar een vorm van menslievendheid. Op die manier heeft men geen steun meer en sterft men sneller door verstikking. Maar bij Jezus heeft de “azijn” dus juist het tegenovergestelde effect! Daarom veronderstelt men dat de spons b.v. in belladonna was gedrenkt en dat daardoor de dood kon worden gesimuleerd. Op die manier voorkwam men ook het breken van de benen, zoals in de profetieën stond. Niet dat die profetieën (ook in andere gevallen) zo Nostradamus-like juist waren, maar Jezus droeg er zorg voor steeds te handelen nààr die profetieën.

Na afloop zou hij dan met Maria Magdalena, Martha, Lazarus en Jozef van Arimathea zijn uitgeweken naar Zuid-Frankrijk (overigens een rijk puikje, het verhaal van “de arme timmermanszoon” is alweer apocrief), waar hij aan de oorsprong zou liggen van een geslacht, waarvan nog steeds nakomelingen leven. Om voor dat nageslacht te zorgen hoefde hij zelf natuurlijk niet naar Frankrijk te komen. Henry Lincoln – zie verder – kan zich dan ook best verzoenen met andere theorieën, waarbij hij veel later in Alexandrië, Kasjmir of Massada zou omgekomen zijn. (****)

Anderzijds hebben alle onderzoekers reeds de overeenkomst beklemtoond tussen seksuele onthouding en misogynie. Toch kon de cultus van de godin niet helemaal onderdrukt worden. Dat blijkt o.a. uit de heksenvervolgingen in de middeleeuwen, want vaak waren heksen eigenlijk zelfstandige vrouwen, die buiten de mannenmaatschappij trachten te overleven.

Het huidige christendom gaat trouwens niet terug op Christus zoals sommige brave zielen allicht zullen denken, maar op zogenaamde “kerkvaders” zoals Origines en Augustinus die tussen de derde en de vijfde eeuw gestalte hebben gegeven aan de geloofsleer. Zij deden dat voornamelijk door de bijbel allegorisch te beginnen te verklaren. Zo was er b.v. voor 300 geen sprake van de goddelijke drievuldigheid, maar slechts van één “massieve” god. Christus was dan ook niet de zoon van God, maar een mens die omdat hij tot de dood trouw bleef zelf tot god werd verheven.

Eigenlijk is de leer van de kerkvaders een synthese van de bestaande filosofische stromingen, met uitsluiting van het epicurisme. In deze stroming poogde men zoveel mogelijk te genieten van het leven, evenwel niet met de gedachte aan overdaad (dat is een negatieve connotatie, juist door het christendom eraan toegevoegd), want dan ondergaat men nadelige gevolgen en geniet men niet meer. Het einddoel van de epicurist is de ataraxia, de onverstoordheid, een optimale gelukstoestand die zolang mogelijk duurt.

Het christendom had het echter (uiteraard) veeleer voor de rechtstreekse tegenstanders van de epicuristen: de stoïcijnen, aanhangers van het stoïcisme. Hier wil men zich onderwerpen aan de wetten van de kosmos en zo de inwendige vrede en het geluk vinden. Het einddoel is hier dan ook de apathia, het onberoerd zijn.

Maar vooral gaat het christendom terug op het neoplatonisme. Daarbij gelooft men dat de wereld een emanatie (uitstorting van zichzelf) is van de godheid en hoopt men door ascese en meditatie de stadia van deze emanatie terug te kunnen doorlopen om zo tot een vereniging met god te komen. Het einddoel is dus de extase: zie verder bij Eckhart, Ruusbroec e.a.

MITHRASCULTUS

Daarnaast schakelde het christendom zich ook in in de “rage” van “verlossingsgodsdiensten” die zich in die donkere tijden aanboden. De mensen hadden het hier slecht op aarde en dus werd hen een “verlossing” voorgeschoteld, indien ze zich lieten “inwijden” in het mysterie van een bepaalde godsdienst. De Romeinse keizer Constantinus had echter net zo goed voor de Mithrascultus kunnen opteren, die een dergelijke verlossing propageerde en die trouwens erg populair was bij soldaten. Eigenlijk is het trouwens een misvatting te denken dat Constantinus deze godsdienst van slaven en overwonnen volkeren heeft uitgeroepen tot staatsgodsdienst. Neen, hij heeft ze enkel erkend. Zelf heeft hij zich trouwens slechts bekeerd op zijn sterfbed en heeft hij de fameuze slag in 312 gewonnen door te strijden voor de zonnegod Sol Invictus (die hij bij afbeeldingen op zichzelf deed lijken) en niet voor de christelijke god.

Deze drie godsdiensten hadden wel als overeenkomst monotheïstisch te zijn, waarbij die ene oppergod alle krachten van alle andere goden werd toegedicht. Op die manier kwam deze godsdienst hem goed van pas om de eenheid in zijn rijk te bevestigen. Alle “ketterse” afwijkingen konden op die manier dan immers bestreden worden. Uiteindelijk koos hij dan toch voor het christendom, aangezien die het best gestructureerd waren. Het is ook onder zijn gezag dat de bisschop van Rome in 326 het paleis van Lateranen en een vast inkomen kreeg aangeboden, zodat deze zich als “paus” boven de andere bisschoppen kon stellen. (Al moest paus Callistus I zelfs daarvoor wel een paar toegevingen doen op het vlak van seksuele tolerantie… Vergeten we niet dat zelfs binnen het huwelijk zinnelijk verlangen een zonde was!) Alhoewel de oprichting van het pausdom volgens gangbare interpretatie reeds in de bijbel zelf staat (“Simon Petrus gij zijt de rots en op deze rots zal ik mijn kerk bouwen”), is dit lang niet zo geweest. De paus van Rome was eigenlijk gewoon de bisschop van Rome en even belangrijk als eender welke andere bisschop.

Een jaar eerder, op het concilie van Nicea, was Christus bij stemming (218 voor, 2 tegen – die lagen er allicht slecht voor!) tot godheid uitgeroepen.

Op de CD van Sequentia “Voice of the blood”, die bijna volledig gewijd is aan de Heilige Ursula en haar elfduizend maagden (op tekst en muziek van Hildegard von Bingen), komen we wat meer te weten over de strijd tussen aanhangers van Mithras en christenen. Ursula werd immers heilig verklaard omdat ze met haar 11.000 maagden door soldaten afgeslacht werd in Keulen, de stad waar deze CD overigens werd opgenomen. Dat gebeurde reeds in de vierde eeuw na Christus en het is misschien niet onmogelijk in deze legende het symbool te zien van de strijd tussen de Mithrascultus, een religie die erg populair was in militaire kringen, en het christendom dat meer bij slaven en kleine lieden ingang had gevonden. Er is zelfs een historische grond want onder keizer Diocletianus (243-316), de laatste van de zogenaamde “soldatenkeizers”, ontketende van 303 tot 306 een bloedige christenvervolging in het westen, die hij nadien tot 311 verder zette in het oosten (vanuit Split). In het westen liet hij toen de regering over aan Flavius Valerius Constantinus, de latere Constantijn de Grote.

Merkwaardig is wel dat een massale slachting eigenlijk als een overwinning wordt gezien. De naam van Ursula (“berin”) wordt in de hemel zelfs veranderd in Columba (“duivin”). De belangstelling van Hildegard werd gewekt door haar (correspondentie-)vriendin Elisabeth van Schönau, die Ursula geregeld tijdens haar visioenen op bezoek kreeg. Haar beenderen waren op dat moment dan ook een gegeerd verzamelobject. Als men ze allemaal bij elkaar legde dan had men bijna genoeg beenderen om ook nog voor de 11.000 maagden te dienen!

De legende wil immers dat Ursula een christelijke Bretoense koningsdochter was die verplicht werd met de goddeloze koningszoon van Engeland te trouwen (het zou nog zeven eeuwen duren vooraleer Bretoenen en Normandiërs Engeland zouden veroveren). Een engel bracht raad: ze kreeg drie jaar uitstel van huwelijk om via Mainz, Bazel en Keulen op bedevaart naar Rome te trekken in gezelschap van elf andere edelvrouwen. Aangezien er nog geen voetbalelftallen bestonden, sprak dit getal niet erg tot de verbeelding van het volk, zodat de overlevering er voor het gemak maar elfduizend van maakte!

In Rome hadden de vrouwen nogal wat succes bij de paus, maar op de terugweg was het minder, want zoals gezegd werden ze in Keulen in de pan gehakt door Attila de Hun. Een kniesoor zal opmerken dat dit niet kan, dat Attila pas in 451 over de Rijn trok, maar daar vegen we onze voeten aan, zeker aangezien de Middeleeuwen bol stonden van dergelijke legendes!

In de Middeleeuwen werd het heelal b.v. nog beschouwd als een bol, waarbinnen zich concentrisch andere bollen bevonden. In het centrum daarvan was de aarde en daarrond bewogen zich kristallen bollen die de maan, de zon en de planeten droegen. Op de buitenste bol bevonden zich de vaste sterren. In het centrum van de aarde bevond zich de hel. De hemel lag buiten de vaste sterren. Alles in deze wereld had m.a.w. zijn vaste plaats. De mens bevond zich wel in het centrum (nl. op aarde), maar was a.h.w. opgesloten in het ondermaanse (het gebied binnen de sfeer van de maan). Deze gesloten hiërarchie werd in die tijd als iets positiefs ervaren, het was een harmonie. Ongetwijfeld was er daardoor ook een analoog statisch mens- en maatschappijbeeld: “je moet geen stuiver trachten te wezen als je voor een dubbeltje geboren bent”, wat ook inhield dat je niet tegen de machthebbers in opstand mocht komen.

Bovendien werd dit nog in de hand gewerkt door de mensen dom te houden. Er werd niet naar wetenschappelijke verklaringen van fenomenen gezocht, men had voor alles een mythisch antwoord klaar. De wijziging in de planetenstanden was b.v. het werk van de engelen. En de wisselvalligheden hier in het ondermaanse, zowel individuele ziekten als collectieve rampen, werden aan de strijd tussen goed en kwaad, tussen god en duivel toegeschreven.

En toch kon er al eens iets onverwachts gebeuren. Zoals in 855 toen een vrouw paus werd. De Engelse Joan was de dochter van twee missionarissen, die het via een Benedictijnenklooster in Duitsland en Athene uiteindelijk in Rome zelf tot gewaardeerd leraar (want inderdaad in mannelijke vermomming) bracht. Paus Johannes VIII werd echter ontmaskerd toen hij tijdens een processie plotseling een kind ter wereld bracht. Hij/zij werd meteen gelyncht of in de Tiber gegooid, daarover bestaat betwisting, maar het resultaat is toch hetzelfde. Sindsdien is ook de gewoonte ingevoerd dat een pas gekozen paus plaatsneemt op een stoel met een gat in en dat een jonge kardinaal dan de facto onder de stoel gaat voelen of er daar wel iets hangt te bengelen…

TEMPELIERS

Men zou kunnen denken dat dit een taak voor de Tempeliers zou zijn, maar de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel werd pas in 1118 gesticht door ene Hugues de Payan, graaf van Champagne. Met acht uitverkorenen bood hij toen in Jeruzalem ongevraagd zijn diensten aan aan Boudewijn I, de jongere broer van “onze” Godfried van Bouillon, die negentien jaar eerder de stad had “heroverd”. De opdracht die de Payan zichzelf had toegemeten was “de beveiliging van de straten”, vooral met het oog op de pelgrims. Een soort politie dus. Boudewijn bood hen een vleugel van zijn paleis aan die was gebouwd op de ruïnes van de tempel van Salomon en vandaar dus de benaming voor deze “flikken”. In 1128 werden zij ter gelegenheid van het concilie van Troyes door Bernardus van Clairvaux uit Palestina teruggeroepen en officieel als religieus-militaire orde erkend. Enkele jaren later voegde paus Innocentius II er nog aan toe dat zij enkel verantwoording moesten afleggen tegenover de paus en niet tegenover wereldlijke vorsten, zodat zij in hoog aanzien kwamen te staan. Dat maakte dat de meeste westerse vorstenhoven wel een of andere telg bij de Tempeliers hadden. Aangezien zij echter de drie gebruikelijke geloften hadden afgelegd – gehoorzaamheid, kuisheid en ook armoede – werd de orde op de kortste tijd schatrijk. Ze brachten immers wel hun rijke erfenis mee, maar mochten er niets van opdoen!

Dat alles was natuurlijk theorie. In de praktijk begon de corruptie te tieren. Zo zorgde grootmeester Gérard de Ridefort er met zijn onoordeelkundig gedrag voor dat in 1187 Jeruzalem terug in handen van de Mohammedanen viel. Van dan af begonnen de Tempeliers toch naar een eigen rijk in het Westen te streven, met als basis de Languedoc, waar zij een merkwaardig bondgenootschap aangingen met de ketterse Albigenzen…

Daarbij draait veel om de “graal”. Wat is een graal überhaupt? Sinds het verschijnen in 1982 van het boek “The Holy Blood and The Holy Grail” van Henry Lincoln, die hierin zijn bevindingen voor een BBC-documentaire bundelt, heeft men daar een heel andere kijk op. In de teksten waarin de “san graal” voorkomt, wordt geen spatiëring tussen de woorden gebruikt en Lincoln (hierin gevolgd door andere exegeten) gaat ervan uit dat men gewoon een verkeerde splitsing heeft gemaakt. Het is niet “san graal” maar “sang raal”, waarbij “raal” staat voor “real”, “royal”, koninklijk bloed dus. Bijgevolg is er niet langer sprake van een beker of een schaal of wat dan ook, want hoe geeft men “koninklijk bloed” (of eender welk bloed for that matter) door? Via het nageslacht. Zelfs katholieke historici geven tegenwoordig toe dat Christus wellicht niet celibatair leefde, maar dat hij met Maria Magdalena een nageslacht heeft voortgebracht. En dan nageslacht zou dan in Zuid-Frankrijk (de Languedoc) verder hebben bestaan. Het lichaam van Christus zou daar ook (met name in Rennes-le-Château) trouwens begraven zijn, ofwel meegebracht door zijn tweelingbroer Thomas (overigens de auteur van een apocrief vijfde evangelie) voor wie de theorie aankleeft dat Jezus wel degelijk op het kruis is gestorven.

Anderen geloven dat hij nog bij leven en welzijn in Marseille is aangekomen en pas later, van ouderdom, daar gestorven. Uit zijn nageslacht zou dan de dynastie van de Merovingers zijn voortgekomen en hiermee zitten we via Clovis wel erg dicht in de buurt van Front National-toestanden! De alliantie tussen Rome en de Merovingers zou standhouden tot de periode van de vadsige koningen, waarbij met name Dagobert II op last van Rome uit de weg werd geruimd, zodat men een verbond kon aangaan met de Karolingers van Karel Martel. Deze zoon van Pepijn de Dikke (de hofmeier die Dagobert had vermoord op een wijze die aan Siegfried in de Nibelungen doet denken – Wagner was met zijn Parsifal uiteraard een Graal-fan) had zelf nog het koningschap geweigerd, maar zijn zoon Pepijn III had het opgeëist door de paus de vraag te stellen: wie heeft er het meest recht op het koningschap? Die welke zich gewoon zo noemt of diegene die echt de functie uitoefent? De paus schaarde zich aan de kant van Pepijn en daarmee werd de band met de Merovingers verbroken. Hiervoor diende (in 754) wel het ritueel van de “zalving” te worden ingesteld, waardoor iemand door de paus tot koning kon worden gezalfd, onafgezien van welk bloed er door zijn aderen stroomde. Dit was meteen ook voor de toekomst van belang: het wereldlijke gezag moest altijd de goedkeuring van Rome krijgen.

Men had evenwel over het hoofd gezien dat de zoon van Dagobert, Sigebert, aan de slachting was ontkomen, zodat het geslacht van Christus via hem werd verdergezet en tot op het huidige ogenblik nog achter de schermen politiek bedrijvig zou zijn. Het rechtse Europarlementslid Otto von Habsburg (pretendent voor de Oostenrijkse troon) wordt als jongste telg genoemd.

Het grootste probleem met deze apocriefe verhalen is echter dat ze veel jonger zijn dan de evangelies. Zo komt het Maria Magdalena-als-echtgenote verhaal uit de “Legenda Aurea” van de dominicaan Jacobus de Voragine en dat dateert zelfs uit de dertiende eeuw! Dan had zelfs onze eigen Hadewych reeds een kleine honderd jaar eerder over haar geschreven.

VROUWEN

Vanaf 1159 kon enkel de paus nog iemand heilig verklaren. Dat betekent dus niet dat er daarvoor geen heiligverklaringen waren, maar dat ze integendeel door diverse bisschoppen heilig konden worden verklaard.

De kerkelijke inzegening van het huwelijk dateert van 1215. Via de Normandiërs was immers de vrouw-vriendelijke Arabische cultuur opnieuw tot ons is gekomen (jaja, de tijden kunnen veranderen). Niet alleen veroveren de voorzaten van Jacques Anquetil immers Engeland (1066, slag bij Hastings), ze richten hun schreden ook naar Spanje dat ze heroveren op de Moren (de zogenaamde Spaanse reconquista). Deze hadden hun Arabische schonen achtergelaten en menig Zuid-Franse edelman ging toen over tot “culturele uitwisseling”. Deze schonen zongen immers over de hoofse liefde, die onder invloed van het neoplatonisme reeds van in de 9de eeuw in Bagdad “in” was, en speelden luit, vedel en hakkebord (een voorloper van het klavecimbel). Nu wordt dit genre nog beoefend door de Marokkaanse groep Ikhlasse, maar typisch is dat dit nu binnen de Islam niet meer ten volle getolereerd wordt.

Daaruit groeiden dan o.m. de “chansons de toile”, gezongen door vrouwen bij het spinnewiel. De oude vertelling “Floris ende Blancefloer” is samen met de sultan uit Mozarts “Die Entführung aus dem Serail” een van de weinige aanduidingen in de Westerse literatuur van hoe het hoofse karakter eigenlijk uit Arabië is aangewaaid, net zoals Dora van der Groen met haar versie van de abele spelen “bewijst” dat die hoofsheid vaak slechts een laagje vernis was op de nog steeds erg wildwest-achtige “cultuur” in deze kontreien. Het aframmelen van vrouwen mocht dan misschien verdwenen zijn, het weggeven (bij een huwelijk) zal toch nog lange tijd “en vogue” zijn. Voor een feministische visie op de Arthur-legendes zullen we trouwens moeten wachten tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw met “De nevelen van Avalon” van Marion Bradley.

Door de Arabische invloed kreeg ook de godsdienst een wat “vrouwelijker” karakter, in die zin dat de Mariadevotie een grotere plaats ging innemen, omdat de kerk de Madonna-verering naar voren schoof als bliksemafleider. De zangeres Madonna die ook seksualiteit en religie aan elkaar koppelt, heeft haar pseudoniem dus nog niet eens zo slecht gekozen. Zeker niet als men weet dat de zogenaamde zwarte madonna’s wellicht teruggaan op Maria Magdalena en het kind dat bij haar staat afgebeeld dus de zoon van Christus is en niet Christus zelf. Dan Brown legt in “The Da Vinci Code” ook de link tussen de oergodin en het feit dat Christus zijn kerk eerder op Maria Magdalena dan op Petrus wilde bouwen, maar de zogenaamde gnostische stromingen bij wie deze ideeën zouden leven, zien vrouwen integendeel als minderwaardig en wilden zich niet bevlekken met het seksuele of het lichamelijke.

Maar goed, deze politiek leidde toch ook tot een iets grotere tolerantie op het vlak van seksualiteit. In zijn traktaat “Over de liefde” (1185) tracht Andreas Capellanus of André le Chapelain, de hofkapelaan van Marie de Champagne de lossere zeden zelfs in overeenstemming te brengen met de aloude christelijke moraal: “God heeft de mens nu eenmaal ook instinkten gegeven en omdat de geestelijke goed doorvoed is, staat hij nog veel meer bloot aan de verleidingen van het lichaam.” Dat deed hij “op uitdrukkelijk verzoek” van zijn zeer geëmancipeerde meesteres. Toch staat ze toe dat hij schrijft dat “aangezien mannen tot het kuise geslacht behoren en vrouwen tot het onkuise, het voor een vrouw hoogst onbetamelijk is meerdere minnaars tegelijk te hebben.” Hoe dit te rijmen valt met een andere passage waarin wordt gesteld dat “een vrouw de liefde niet mag weigeren” is me een raadsel. “De liefde,” zo leren we verder in dit geschrift, “kan slechts buiten het huwelijk bestaan en dan nog bij voorkeur met een geestelijke, want die is voorzichtiger, gematigder en veel beter op de hoogte dan de simpele leek, zoals de Heilige Schrift ons leert in Malakias 2:7.” Het is zelfs zo dat de eerste regel van de 31 voorschriften van het liefdeshof van Koning Arthur, waarmee het tweede boek eindigt, is: “Het huwelijk is geen geldig excuus om niet te beminnen.”

Het standenverschil bleef evenwel gehandhaafd: het gewone volk had van liefde geen verstand, volgens mijnheer de kapelaan. “Boerenwijven, beste Walter (een jonge en onervaren vriend aan wie het boek is gericht), kun je maar beter verkrachten. Die zijn zo onbuigzaam dat je wel een beetje dwang moet uitoefenen als gepaste remedie tegen hun schuwheid.” Merkwaardig is wel dat ook nonnen als “niet geschikt voor de dienst” worden afgedaan.

Aangezien logica nooit de sterkste kant is geweest van de Middeleeuwers volgt er ook nog een derde boek, waarin zowat het omgekeerde staat van alles wat voorafgaat. Zo blijkt de seksuele liefde (de “fin amor”) nu plotseling totaal onverenigbaar met de seksuele moraal en bovendien vreselijk ongezond, omdat het lichaam erdoor uitgeput geraakt. De redenering die erachter schuilt is dat hij al die wetenswaardigheden aan Walter heeft verteld, juist om er géén gebruik van te maken, maar zich integendeel aan god te wijden, wat zijn verdienste des te groter zal maken.

Een oplossing is ook natuurlijk de “zuivere” liefde te scheiden van de “gemengde” liefde. Die zuivere liefde (waarin zowat alles toegelaten is, behalve coïtus) is immers wél toegestaan. De vrouw daarentegen mag de gemengde liefde niet afwijzen als haar minnaar daarop aandringt. Het behoud van de kuisheid werd ook door de meeste troubadours nog weggelachen, alleen in de laatste ontwikkelingsfase van de troubadourslyriek vinden we daar een zekere waardering voor, om uiteindelijk uit te monden in “De Hoveling” van Baldassare Castiglione waarin een dame zowaar zes maanden met haar geliefde “de zuivere liefde” bedrijft, vooraleer tot “het laatste werk van Venus” over te gaan.

De hypocriete rol van de geestelijkheid (in theorie is zowat alles onkuis, in de praktijk waren ze zelf haantje-de-voorsten) komt ook tot uiting in geschriften als “Phillis en Flora” of “Het Concilie van Remiremont”, waarin b.v. discussies voorkomen tussen ridders en klerken (geestelijken dus) over wie de beste minnaars zijn. En aangezien het door geestelijken is geschreven, is het niet moeilijk te raden wie als winnaar uit de strijd komt. Een vergadering van nonnetjes spreekt zelfs een banvloek uit over kloosterlingen die hun gunsten aanbieden aan ridders i.p.v. de “rechthebbende” geestelijken. En dat dit niet louter “literatuur” is, moge blijken uit de “abbatium pellicum” in Niort, een abdij speciaal voor “vrouwen van lichte zeden”, gesticht door Guillaume IX, hertog van Aquitanië, en geleid door een strenge meesteres, of de gemengde abdij van Fontevrault, gesticht door de dubieuze boeteprediker Robert d’Arbrissel (ere wie ere toekomt: hij had wel een vrouw, van 22 jaar dan nog wel, aan het hoofd geplaatst), waar de beide vrouwen van diezelfde Guillaume overigens hun laatste levensjaren sleten.

Deze invloeden zorgden ervoor dat de volkse Vaganten de plaats moesten ruimen voor de meer “hoofse” troubadours. Meestal waren dit edelen (b.v. Guillaume IX) die schreven, componeerden en uitvoerden voor andere edelen. Minnestrelen daarentegen waren enkel uitvoerders, niet van adellijke afkomst, rondtrekkend en zich verhurend voor een bepaalde tijd aan een of ander hof. Eigenlijk waren het trouwens “ministeriales” (dienstknechten), maar aangezien ze veel over de “minne” zongen, maakte de volksetymologie daar “minnestrelen” van.

Deze pastorales gaan o.m. terug op verhalen als dat van Daphnis en Chloë uit de derde eeuw na Christus. Dit “stationsromannetje avant la lettre” werd geschreven door de Grieks schrijvende Romein Longos (“De Lange”) toen hij op het eiland Lesbos verbleef. Of all places! Want dit eiland dat ooit de grote dichteres Sappho inspireerde tot zwoele gezangen opgedragen aan haar jonge dienaresjes, is nu de plaats voor een onwaarschijnlijk kuise story. Zo gaat de jonge held Daphnis weliswaar als een mooie Griekse god ongeremd uit de kleren, maar dan ligt hij vrij hulpeloos naast de al even beeldschone Chloë, die ongerept is gebleven ondanks het feit dat ze tot tweemaal toe door woeste zeerovers is ontvoerd. Dit kan enkel wishful thinking zijn van een stadsmens die hoegenaamd niet wist hoe het er op het platteland aan toe ging en die zich een veel te idyllisch beeld vormt van het leven aldaar.

MYSTIEK

Reeds van in de twaalfde eeuw, maar vooral in de dertiende eeuw, krijgen we een opleving van mystieke lyriek waarin vooral vrouwen uitblonken. Nu is mystiek altijd al een beetje doorweven van erotiek, net zoals flagellantisme niet los te koppelen is van sadomasochisme (Abelardus b.v., om niet al te zeer te doen opvallen dat hij met zijn leerlinge Eloïse een verhouding had, gaf haar af en toe een flink pak slaag. “Deze vorm van liefde overtrof in genot alle andere vormen,” schrijft hij). De poëzie van deze vrouwen, waarin Christus hen ’s nachts bezoekt en hen “doorwondt met zijn speer” laat echter nog nauwelijks wat aan de fantasie over. Niet te verwonderen overigens in een tijd waarin van vrouwelijke seksualiteit omzeggens geen sprake was. Vrouwen dienden enkel maar om de mannelijke lusten te stillen en om kinderen voort te brengen. Punt aan de lijn.

Deze vrouwen weken daar heel doelbewust van af, maar een leven van kuisheid en onthouding prikkelt de fantasie dan misschien zelfs nog meer. De zogenaamde gevoelsmystiek (die tegenover de meer “mannelijke” speculatieve mystiek staat van een Meister Eckhart en zijn leerling Heinrich Suso b.v.) is dan ook bijna een uitsluitend vrouwelijke aangelegenheid met de Duitse nonnen Mechthild von Magdeburg (ca.1207-ca.1282) en Mechtild von Hackeborn (ca.1241-1299) op kop. Bovendien waren er de zogenaamde “jardin clos”, de voorlopers van de begijnhoven, waarbij de kerkelijke overheid de beweging reeds in de hand had. De vrouwen uit de “jardin clos”, geleid door de Henegouwse Margareta Porete, hielden het initiatief echter in eigen hand. De bloedbanden die ze aangingen of het gebruik van een egelvacht om tot extase te komen wezen zo expliciet in een erotische richting dat Margareta uiteindelijk op de brandstapel terechtkwam.

Reinhilde

(*) Soms denk ik dat het een verloren strijd is, want het misverstand is over heel de wereld verspreid en zelfs bij anders toch wel erudiete mensen zoals Julian Barnes (“Arthur & George”, p. 19).

(**) “Jezus was een Italiaan: hij heeft tot zijn dertigste thuis gewoond, hij geloofde dat zijn moeder maagd was en zijn moeder dacht dat hij god was.” (Antonio Carluccio in Humo 3/7/2001)

(***) De dood en verrijzenis van Christus wordt in iedere misviering overgedaan door de “transsubstantiatie”: het veranderen van wijn en brood in het bloed en het lichaam van Christus. Daarbij spreekt de priester de woorden uit: “Hic est corpus meum”. Ongelooflijk maar waar, deze woorden zijn later verbasterd tot “hocus pocus”…

(****) Volgens weer andere bronnen zou Jozef van Arimathea met twaalf volgelingen en in het bezit van de Graal, dan weer in de meest bekende betekenis, als tinhandelaar in het Britse Cornwall zijn terechtgekomen, waar inderdaad tin werd ontgonnen. Daar zou hij zijn staf hebben geplant in Glastonbury, waar sindsdien een struik het hele jaar door in bloei staat. Nog altijd trouwens. En er is een bron die rood kleurt omdat het bloed van de Graal erin vergoten werd. Al zou het natuurlijk ook kunnen dat het gewoon roest is. Niet toevallig wordt in Glastonbury ook het graf van de al dan niet mythische koning Arthur gesitueerd. En al is het graf zeker een vervalsing, het jaarlijkse popconcert dat er plaatsvindt, wou zeker in de jaren zestig meer zijn dan gewoon een popconcert. Het was een wonderlijke mix van christelijk geloof met heidense riten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.