Vandaag is het amper veertig jaar geleden dat Marguerite Yourcenar als eerste vrouw aanvaard werd in de Académie Française. “Amper”, jawel, want het is toch onvoorstelbaar dat het tot 1980 geduurd heeft, vooraleer een vrouw waardig werd bevonden om in de Académie te worden opgenomen…!

“L’homme écrit pour être aimé, la femme pour être libre” (Marina Bianchi)
In 1996 sleepte de actrice Pascale Roze de Prix Goncourt in de wacht. De Afrikaanse Calixthe Beyala kreeg de Grand Prix de l’Académie Française. De Prix de Médicis was voor de Belgische Jacqueline Harpman en, last but not least, de Prix Femina zelf ging naar Geneviève Brisac.
Een jaar later waren (ongetwijfeld niet toevallig) 40 procent van de romans bij de grote Franse uitgeverijen geschreven door vrouwen. Dat was dubbel zoveel als tien jaar daarvoor. De reden daarvoor is wellicht te zoeken bij – u had het al geraden – mercantilistische motieven. De gemiddelde lezer is immers een lezeres en daarom zijn uitgevers stilaan tot de overtuiging gekomen dat die misschien ook wel het best bediend worden door vrouwen.
“Vijfenzestig à zeventig procent van de leden zijn vrouwen,” zegt Renée Swaalf van de ECI-boekenclub aan Marijke Arijs in de Standaard der Letteren van 25/12/1998, “en dat heeft consequenties voor het aanbod. De algemene romans blijven een belangrijke plaats innemen, maar we groeien in hedendaagse literatuur, die meer door jongere vrouwen wordt gelezen.”
Want er zijn inderdaad “mannenboeken” en “vrouwenboeken”?
Zo zit het nu eenmaal in elkaar. Daar hoef je niet kinderachtig over te doen. Al heb je ook auteurs, zoals John Grisham, die de beide geslachten in gelijke mate aanspreken. Bij de klassieke literaire werken zien we geen significante verschillen. Wel is er een algemene trend naar meer kwaliteit. Romantische fictie spreekt vooral oudere vrouwen aan en is op haar retour. Jongere vrouwen zijn hoger opgeleid en gaan steeds meer intellectuele boeken lezen.”
Al dient dit helaas meteen ook weer gerelativeerd…
Die toename zit vooral in (…) boeken over spiritualiteit, psychologie, zelfhulp en persoonlijkheidsontwikkeling.
Haar Vlaamse collega Marie-Jeanne De Visscher ziet trouwens zelfs bij die jongere vrouwen “weer een verschuiving naar romantische fictie. Zijn die twintigers een product van de soapcultuur, heeft het iets te maken met een fin de siècle-gevoel of willen ze vluchten uit een wereld die almaar harder en veeleisender wordt? Wie zal het zeggen?
Maar waar komen die schrijfsters dan allemaal plotseling vandààn? “The continuing parlous state of women,” zegt Fay Weldon in The Sunday Times van 28/2/1999, “is because women like to have children. The only way a woman can have as good a time as a man (which today is not saying much) is by actively not having children.”
In het slechtste geval (de Amerikaanse detectiveschrijfster Karen Sturges b.v.) wenden ze zich dan in hun vrije tijd naar de lessen “creative writing”, maar er zijn er gelukkig ook andere…
VROUWVIJANDIG OF JUIST NIET?
De literatuur is in het verleden nochtans eerder gekenmerkt geweest door een vrouwvijandig klimaat. Denken we maar aan de reeds genoemde Prix Goncourt b.v. De misogynie van zijn stichters getrouw, duurde het veertig jaar voor een vrouw met de prijs werd bedacht (Elsa Triolet) en pas in 1945 veroverde Colette als eerste vrouw een zitje in de Académie Goncourt. Ongetwijfeld was Joris-Karl Huysmans (“Pas de jupons chez nous!”) toen reeds overleden. Zelfs nu zijn amper drie van de tien juryleden vrouwen. In de Académie Française zou het dus zelfs tot 1980 duren vooraleer de eerste vrouw (Marguerite Yourcenar, 1903-1987) werd toegelaten! Vandaar trouwens dat de Prix Fémina werd ingesteld. Maar al vlug gingen ook daar de mannen met de meerderheid van de prijzen lopen.
Schrijfsters als Georges Sand of George Eliot maten zich daarom zelfs een mannennaam aan om ernstig genomen te worden. Daar hadden de vrouwelijke schrijfsters echter zelf ook schuld aan. In “Silly Novels by Lady Novelists” rekent George Eliot b.v. af met sentimentele kwezels die vrouwelijke auteurs een slechte naam bezorgen.
Tegelijk is dit echter ook het bewijs dat literatuur altijd al één van de kunsten is geweest waarin de vrouwen tamelijk goed aan bod konden komen. En dat al van in de vroege oudheid. Zo is er in de zevende eeuw voor Christus reeds de liefdespoëzie van Sappho uit Lesbos. Aangezien de erotiek van deze meesteres aan het hoofd van een salon waar jonge adellijke meisjes tot het huwelijk werden opgeleid, zich vooral op haar leerlingen richt (al was ze zelf ook gehuwd met een koopman en had ze een dochtertje, Kleïs), denkt men bij Lesbos onmiddellijk aan het centrum van de lesbische literatuur, maar het dient gezegd dat het in die tijd het culturele centrum als zodanig was.
Toch ging haar grote liefde vooral uit naar haar leerlingen, zodat de bisschop van Constantinopel in 380 haar werk op de brandstapel deed gooien. In 1073 stak paus Gregorius dan nogmaals de vlam aan wat de eerste aanslag had overleefd. Dat maakt dat slechts een tiental gedichten tot ons zijn gekomen. Pierre Louÿs schreef er dan nog maar een aantal bij, maar zijn bedrog (“Bilitis”) werd vlug doorzien. Zijn gedichten werden o.m. getoonzet door Claude Debussy, die van Sappho zelf door Angélique Ionatos, die ze in 1991 ook op CD uitbracht als “Sappho de Mytilène”. Homoseksualiteit was heel gewoon in het oude Griekenland, maar dan wel mannelijke homoseksualiteit en vooral dan nog t.o.v. slaven, zodat van “wederzijdse instemming” moeilijk sprake kon zijn. Vrouwen stonden nauwelijks een trapje hoger dan slaven, ook zij moesten helemaal ten dienste staan van de heren der schepping. Vandaar dat lesbianisme toch als een “afwijking” werd beschouwd.
Dat poëzie “vrouwelijk” is, zal wel niemand betwisten (in de VS voert Emily Dickinson de bestsellerslijst aan op dit vlak vóór Sylvia Plath), maar het is zeer merkwaardig dat ook de roman op de eerste plaats in verband wordt gebracht met de vrouw. In onze mannenwereld heeft dit misschien een negatieve bijklank als zijnde de consumenten van goedkope pulp, maar dit is totaal ten onrechte aangezien de vrouwen werkelijk aan de wieg stonden van de literaire vormgeving van het genre. Op mondiaal vlak beschouwt men immers “Makura no soshi” (het “hoofdkussenboek”) als de eerste roman (een makura is een houten neksteun die Japanse vrouwen gebruikten om hun kapsel bij het slapen niet te verknoeien; in een lade hiervan verborg men dagboekaantekeningen). Dit geschrift van de Japanse courtisane Sei Shonagon dateert van 996 (het origineel is echter verloren gegaan, men beschikt enkel over kopieën van 500 jaar later) en is vooral in het nieuws gekomen door de verfilming, precies duizend jaar later, door Peter Greenaway.
Shonagon was zeker geen unicum, uit dezelfde periode dateren immers nog twee vrouwenteksten die hetzelfde beeld geven van verfijnde zeden en gebruiken, ook en vooral op erotisch vlak, onder de Heian-dynastie, om precies te zijn onder keizerin Sadako. Die werken ademen de typische decadente sfeer uit van een beschaving die haar ondergang nadert, vandaar misschien de heropleving duizend jaar later? Het is zelfs niet denkbeeldig dat ook onze beschaving zal worden weggeveegd door een macho-cultuur als de samoeraï’s met de Heian-cultuur deden. Dat wil anderzijds nu ook weer niet zeggen dat daarvóór de vrouwen heer en meester waren. Zo was het hen b.v. verboden Chinese beeldkarakters te lezen. Daarom ontwikkelden ze het Hiragana, een vereenvoudigd, fonetisch schrift.
In Europa is er in de twaalfde eeuw de figuur van Hildegard von Bingen (1098-1179), de oudste gekende vrouwelijke componist, maar ook een dichteres, wetenschapsvrouw, theologe, abdis en mystica (*). Haar visioenen leverden haar bijna een heiligverklaring op en de bijnaam “Sybille van de Rijn”. Als tiende kind van een welstellende familie werd ze op achtjarige leeftijd aan een klooster “geschonken”, wellicht omdat ze een zwakke gezondheid had. Dit, gekoppeld aan deze traumatische ervaring, zorgen al heel vroeg voor “visioenen”. Gebundeld in een boek, “Scivias” genaamd, vindt ze een verdediger in Bernardus van Clairvaux, waardoor paus Eugenius III in Trier haar aanmoedigt op de ingeslagen weg verder te gaan. Voor hetzelfde geld had hij haar natuurlijk ook tot de brandstapel kunnen veroordelen. Dat was in die tijd altijd een dubbeltje op z’n kant. Zeker als men rekent dat ze vaak van leer trok tegen de wereldse praktijken van de geestelijkheid. Ze keert zich zelfs tegen haar vroegere verdediger Bernardus van Clairvaux als deze de tweede kruistocht goedkeurt. Maar anderzijds was ze een heftige tegenstandster van de keizer en dat werd door de pausen altijd graag gezien natuurlijk. Net voor ze sterft, komt het dan toch tot een conflict als ze een geëxcommuniceerde revolutionaire edelman in gewijde grond begraaft. Volgens haar heeft hij op zijn sterfbed berouw getoond. Uiteindelijk geven de autoriteiten toe. Ze is ook de auteur van het oudste gekende “morality play”, “Ordo Virtutem”.
Vanaf de twaalfde eeuw krijgen we dus een opleving van mystieke lyriek waarin vooral vrouwen uitblonken, die in “jardins clos” leefden met uitsluitend vrouwen. Als vanzelf ontwikkelden er zich binnen die gemeenschappen “speciale vriendschappen”. Dat gebeurde uiteraard ook binnen kloosters zoals die tussen Hildegard von Bingen en haar vriendin Richardis. Nu is mystiek altijd al een beetje doorweven van erotiek, net zoals flagellantisme niet los te koppelen is van sadomasochisme (Abelardus b.v., om niet al te zeer te doen opvallen dat hij met zijn leerlinge Eloïse een verhouding had, gaf haar af en toe een flink pak slaag. “Deze vorm van liefde overtrof in genot alle andere vormen,” schrijft hij). De poëzie van deze vrouwen, waarin Christus hen ’s nachts bezoekt en hen “doorwondt met zijn speer” laat echter nog nauwelijks wat aan de fantasie over. Niet te verwonderen overigens in een tijd waarin van vrouwelijke seksualiteit omzeggens geen sprake was. Vrouwen dienden enkel maar om de mannelijke lusten te stillen en om kinderen voort te brengen. Punt aan de lijn. Deze vrouwen weken daar heel doelbewust van af, maar een leven van kuisheid en onthouding prikkelt de fantasie dan misschien zelfs nog meer. Bovendien ging dit rechtstreeks terug op een interpretatie van het expliciet erotische Hooglied in de Bijbel, namelijk door dit als een “mystiek” huwelijk tussen God en de Mensheid te zien. De zogenaamde gevoelsmystiek (die tegenover de meer “mannelijke” speculatieve mystiek staat van een Meister Eckhart en zijn leerling Heinrich Suso b.v.) is dan ook bijna een uitsluitend vrouwelijke aangelegenheid met de Duitse nonnen Mechthild von Magdeburg (ca.1207-ca.1282) en Mechtild von Hackeborn (ca.1241-1299) op kop. “Bijna uitsluitend” zeg ik, want hun inspiratiebron was toch wel degelijk een man, met name de reeds genoemde Cisterciënzer Bernardus van Clairvaux (1091-1153) die met zijn symbolisch-mystieke verklaring van het Hooglied als een bruidsallegorie van de ziel en Christus een gevoelige snaar had geraakt. De man is er overigens heilig voor verklaard…
Nog in Brabant, maar dan reeds in het midden van de 13de eeuw, vinden we binnen de “exemplarische” begijnenbeweging (begijnen legden wel een gelofte van armoede en gehoorzaamheid af, maar niet van kuisheid) vrouwen terug als Beatrijs van Nazareth (“Van seven manieren van minnen”) of Hadewijch (“Alle dinge syn mi te inge”). De begijnenbeweging gaat eigenlijk terug op de kruistochten. Er waren vele weduwen, er was een groot vrouwenoverschot en deze vrouwen mochten niet hertrouwen. Ook jonge vrouwen vonden vaak geen man. Zelfs de gegoede vrouwen of de dames van adel vonden geen partner, aangezien ze niet onder hun stand mochten huwen. Dan bleven er eigenlijk maar twee opties meer over: in het klooster gaan of bij hun familie blijven wonen. Als ook de familie wegviel en men wou niet in het klooster gaan, bleef er niets anders over dan alleen te gaan wonen, ook al deden tot dan toe enkel vrouwen van lichte zeden dat. Om zich daarvan te onderscheiden en om elkaar te steunen, gingen die vrouwen in elkaars buurt wonen, meestal aan de rand van de stad, en namen ze de regels van een soort van religieuze orde aan (zij het niet de gelofte van armoede, aangezien vele vrouwen dus van gegoede afkomst waren en hun bezittingen binnen de familie moesten blijven). Ook droegen ze een eenvormige kledij, die stilaan de vorm aannam van een soort habijt.
In het begin mocht dat niet baten: de kerk keek met misprijzen neer op deze vrouwen. Ze werden gedwongen een ommuring rond hun huisjes te plaatsen met een poort die ’s nachts op slot kon. Daar dit ook bijdroeg tot hun bescherming, hadden de begijnen hiertegen geen bezwaar. Toch was dit allemaal nog niet goed genoeg. De paus zocht een stok om een hond te slaan en vond die, zoals gebruikelijk, in de bijbel: ze werden aangewreven dat ze de bijbel op een eigen manier interpreteerden en uiteindelijk werden ze verboden. Hier in onze streken konden ze echter blijven bestaan omdat zowel de hertogen van Brabant als de graven van Vlaanderen hen in bescherming hadden genomen.
Van Hadewijch bezitten we 45 strofische gedichten in de traditie van de hoofse minnelyriek met b.v. een inleidend natuurtafereel, 16 mengel- of rijmdichten, 14 vizioenen (o.a. met de “Lijst der volmaakten”) en een dertigtal brieven, haar rijpste werk. Hierin komt ook haar drievuldigheidsmystiek of trinitarisme tot uiting, die een weerspiegeling vindt in memorie-wil-rede. Zij behoorde dan ook meer tot de affectieve richting van de heilige Bernardus i.p.v. de speculatieve richting vertegenwoordigd door Abelardus. Haar “vizioenen” zijn wellicht geschreven voor haar biechtvader of anders voor “vrome vrouwen”.
Haar werk werd door Snellaert en Mone ontdekt in 1838, maar haar naam is pas bekend sedert 1857 (nl. door de ontdekking van de lijst van Dietse boeken van het Roklooster). Oorspronkelijk dacht men haar te kunnen identificeren als een abdis van adellijke afkomst uit de streek van Nijvel, maar buiten de naam (die toen zeer verspreid was) is daar niks van aan. Nadien dacht K.Ruelens dat het Hadewijch Bloemardinne betrof, maar ook dat is verkeerd, want uit bepaalde tekstfragmenten blijkt dat haar werk vroeger te situeren is (zij spreekt b.v. nog over de communie in twee gedaanten, wat ten tijde van Bloemardinne, overgang 13de-14de eeuw, al niet meer gebruikelijk was). Het waren de romantische dichters Jacob Heremans en Karel Ledeganck die voor een eerste uitgave van haar strofische gedichten zorgden (in 1875). In deze eeuw kwam dan ook meer de verbondenheid tussen het erotische en het religieuze aan bod, zoals in “O, allerliefst lichaam…” van Peter Bot (Kok Agora/Pelckmans, 1998).
In Frankrijk was ondertussen Christine de Pisan (1364-1430) actief geweest. Al eindigde ook zij in een klooster (vanaf 1413) dan was dat toch pas na een leven waarin zij moedig haar eigen boontjes had gedoopt, nadat haar man, een raadgever van Karel VI, reeds in 1389 was gestorven en haar achterliet met drie kinderen en een hoop schulden, waarvan zij geen vermoeden had gehad. Haar verzet tegen de schuldeisers precies op basis van het feit dat zij daaraan hoegenaamd geen schuld had, inspireerde haar o.m. tot het schrijven van “La cité des dames” (1405), een ballade, waarin alle belangrijke, heldhaftige en deugdzame vrouwen die de geschiedenis tot dan tot had voortgebracht de revue passeren. Ze ging ook een polemiek aan met Jean de Meung, die een aanvulling had geschreven op “Le Roman de la Rose”, waarin hij o.a. het standpunt verkondigde dat vrouwen enkel geschapen waren om de mannelijke driften te verdedigen (**). Johan Huizinga merkt in zijn “Herfsttij der Middeleeuwen” op dat deze polemiek eigenlijk de scharnier vormt van de overgang van de voorhoofse naar de hoofse literatuur.
Daarna was er Louise Labé, o.m. met literaire salons waarop het intellectuele kruim uit haar omgeving zich verzamelde. Dat leverde haar van Calvin overigens de eretitel “vulgaire hoer” op. Misschien had dat ook wel te maken met het feit dat ze in haar sonnetten op een voor die tijd vrij ongebruikelijke open wijze uiting gaf aan haar zinnelijk verlangen (zonder dat men het evenwel “erotische” sonnetten zou kunnen noemen). Op basis van haar werk meende o.a. Willem Jonckbloet te moeten besluiten dat ook Anna Bijns nog een uitvloeisel was van de mystieke beweging (via acrosticha is veel van haar werk opgedragen aan ene Bonaventura, vermoedelijk haar biechtvader) of erger nog, dat ze gewoonweg een prostituée was, maar dat is zonder twijfel een vergissing. Anna Bijns is veeleer een zuiver product van de tijd van de Rederijkers.
ROMANTIEK
Toch waren dit allemaal nog eerder uitzonderingen de opkomst van de vrouwenliteratuur situeert zich eerder in de romantiek. De vrouw streefde naar activiteiten buiten het huishoudelijke en romans schrijven diende zich dan aan als een “natuurlijke” uitlaatklep. De roman is immers als het ware van onderaan in de literatuur doorgedrongen, die op de eerste plaats gelijk werd gesteld met poëzie. Op die manier waren de eerste romanschrijvers zelf ook vaak een soort van underdogs. Vandaar dat dit genre zichzelf “aanbood” voor vrouwen, aangezien die in de maatschappij en zeker in de kunst (denk aan het totaal ontbreken van vrouwelijke componisten of schilders in die tijd) ook in de rol van “underdogs” waren gedwongen.
Inhoudelijk waren het vaak griezelverhalen (zie aldaar), qua vorm kozen zij vaak voor de briefroman, omdat zij meer aandacht hadden voor het alledaagse, het gewone, het anecdotische. Zo verscheen bij ons in 1782 (in hetzelfde jaar als die andere briefroman “Les Liaisons Dangereuses” van Choderlos de Laclos) “Sara Burgerhart” van Betje Wolff en Aagje Deken. Toch dient te worden toegegeven dat zowel in Engeland (Samuel Richardson met “Pamela or Virtue Rewarded” uit 1740) als in Frankrijk (Jean-Jacques Rousseau met “Julie ou la nouvelle Héloïse” uit 1761) mannen aan de oorsprong lagen van het genre. Maar misschien niet toevallig zijn het toch “vrouwenromans”, wat het onderwerp aangaat.
In diezelfde optiek, blonken vrouwen vooral uit in de psychologische roman. “Sara Burgerhart” b.v. is de eerste psychologische roman in de Nederlandse literatuur (in de wereldliteratuur: “La princesse de Clèves” van Mme de Lafayette, 1634-1693). Het is ook een strekkingsroman (“emancipatie” in die zin dat het een pleidooi is voor de zelfstandige keuze van een huwelijkspartner) met een perfect samengaan van gevoel (Aagje Deken) en rede (Betje Wolff).
Een andere specialiteit voor vrouwelijke auteurs is de zedenroman met als boegbeeld Jane Austen (1775-1817). Twee jaar vóór haar geboorte verscheen in Londen “Poems on Various Subjects, Religious and Moral” van Phillis Wheatley (1753-1784), de eerste dichtbundel van iemand van “Afrikaans-Amerikaanse” origine. Als zevenjarige was ze immers met het slavenschip Phillis (vandaar) toegekomen in Boston, waar ze was gekocht door de rijke kleermaker John Wheatley. Deze voedde haar op samen met zijn twee kinderen en op die manier nam Phillis kennis van de bijbel, van de Britse literaire traditie (haar favoriete dichters waren John Milton, Alexander Pope en Thomas Gray) en zelfs een beetje Latijn en Grieks. Toch konden de meeste mensen niet aanvaarden dat het boek door een negerin zou zijn geschreven (vandaar dat de bundel in Londen diende te worden uitgegeven). Maar ook vanuit een heel andere hoek kwam er kritiek: in haar poëzie heeft Phillis het slechts heel terloops over slavernij en racisme…
Daarvoor moest men wachten tot in 1858. Toen schreef Harriet Jacobs (1813-1897) haar “Incidents in the Life of a Slave Girl: Written by Herself”. Harriet concentreerde zich daarbij vooral op de seksuele avances die haar eigenaar, Dr.James Norcom (die in 1850 was gestorven, toch refereert ze in het boek aan hem als Dr.Flint, terwijl ze zichzelf Linda Brent noemt), tegenover haar maakte (het was diens vrouw die haar had leren lezen en schrijven). Ook haar boek geraakte niet uitgegeven tot in 1861, niet toevallig samenvallend met het begin van de Civil War, dankzij een uitgave in eigen beheer door Lydia Maria Child, een Quaker abolitioniste. Bij het verschijnen wilde men ook hier niet geloven dat het boek door een zwarte was geschreven. Aangezien het boek anoniem was uitgegeven, heeft het geduurd tot in de jaren tachtig van vorige eeuw vooraleer Harriet Jacobs de erkenning kreeg waarop ze recht had.
HORROR
Misschien komt het door de combinatie van gruwel en sentimentaliteit in een tijd dat de vrouwen doorgaans nog niet over een eigen partnerkeuze mochten beslissen, zodat zij tussen deze twee polen heen en weer werden geslingerd, maar het is alleszins merkwaardig dat het horrorgenre veel succes had bij schrijfsters. Naast Mrs.Shelley (“Frankenstein”, 1818) is ook Mrs.Ann Radcliffe een bekende naam en Jane Webb schreef met “The Mummy” in 1827 eveneens een klassieker. Zelfs grote namen uit de wereldliteratuur, zoals de gezusters Brontë kunnen niet helemaal los gezien worden van deze traditie (“Woeste hoogten” bv.). In “De nachtzuster” (Amsterdam, Wereldbibliotheek, 1990, 436 blz.) werden zelfs exclusief spookverhalen door vrouwen geschreven samengebracht. Ook hier schrijft Renate Dorrestein in de inleiding dat de vrouwelijke obsessie voor griezelverhalen wellicht afkomstig is uit de maatschappelijke onmondigheid die een patriarchale samenleving hen oplegde. Op die manier konden ze gestalte geven aan hun angst of zelfs hun protest tegen de begrenzingen van hun eigen leven. Vandaar dat de verhalen doordrongen zijn van een verstikkende sfeer en een irrationele dreiging. Vervolging, opsluiting, eenzaamheid, verdriet om een onvervulde liefde of een verloren kind zijn dan ook constanten, later aangevuld door verdrongen erotiek (bv. in “Arm kind” van Elizabeth Taylor en “De dame en de eenhoorn” van Sara Maitland).
Meestal zijn de personages zelf ook vrouwen, maar niet altijd zoals “Frankenstein” en ook “De open deur” van Margaret Oliphant (beschouwd als oudste en ook wel als beste spookverhaal) bewijzen. De titel “De nachtzuster” zelf is ontleend aan het verhaal van Edith Olivier, zowat het prototype van het gotische verhaal: een door moord behekst huis met een belaagde heldin die gevangen zit tussen het “gewone” leven en dat “van de andere kant”. Die heldin is, zoals de titel laat vermoeden, een verpleegster, net zoals in “De schimmige derde” van Ellen Glasgow. Niet enkel krijgen we hiermee een realistisch trekje (het was samen met onderwijzeres of gouvernante één van de weinige jobs die voor vrouwen toegankelijk waren), bovendien zit het angstaanjagende hem ook in de dualiteit, want een verpleegster is zowel een zorgzame “moeder” als een wraakengel waartegenover men totaal machteloos staat, zoals ook uit de “nursing”-variant van SM blijkt. Ook Alison Lurie schreef op haar eentje een bundel “Women & Ghosts” (Heinemann, 1994, 182 blz.), maar alhoewel in elk verhaal een geest optreedt, horen deze eigenlijk toch niet in het griezelgenre thuis.
Een ander vaak terugkerend aspect van een gothic novel is het optreden van een medium. Mediums zijn meestal vrouwen. Dat wordt dan uitgelegd omdat het om het wegcijferen van het intellect gaan en het zich laten gaan op gevoelens en intuïtie. In werkelijkheid was medium worden voor vele vrouwen in die tijd de enige manier niet alleen om een eigen inkomen te hebben (en op die wijze niet louter afhankelijk te zijn van een man), ze konden zelfs in niet geringe mate macht uitoefenen.
EN DE ANDEREN…
Een van de bekende dichteressen uit die tijd is Christina Rossetti. Nu wordt ze soms afgedaan als een oude vrijster, maar in haar poëzie schuilt toch een verborgen sensualiteit. Jan Marsh wijt dit in haar biografie uit 1994 aan het feit dat ze als kind seksueel zou misbruikt zijn door haar vader.
In 1899 schrijft Kate Chopin de roman “De ontnuchtering” over een vrouw die seksuele bevrediging zoekt buiten haar huwelijk. Het boek maakt evenveel ophef als “Madame Bovary”. Het maakte zijn titel echter waar: Chopin, die tot dan toe populaire romannetjes schreef, kwam tot de ontnuchterende constatatie dat ze vanaf nu geboycot werd.
Iets vergelijkbaar kunnen we vertellen over “The age of innocence”, de roman van Edith Wharton, waarmee ze in 1920 als eerste vrouw de Pulitzer Prize won. Eerst was zij uiteraard terecht fier met deze bekroning, maar toen zij hoorde dat zij de prijs had gekregen omdat hij eigenlijk geweigerd werd aan “Main Street” van Sinclair Lewis, aangezien deze satire tegen te veel zere schenen had aangeschopt, was ze boos en verontwaardigd. Blijkbaar had men niet door dat de echte heldin van het boek de “outcast” Ellen Olenska is (rol van Michelle Pfeiffer in de verfilming door Martin Scorsese).
In Engeland was er Joyce Cary. Zij vertoonde duidelijke invloed van George Eliot, net als Jean Rhys (Ella Rees Williams, 1894-1979).
Lange tijd zag het ernaar uit dat Julie Burchill (°Bristol, 1959) de fakkel zou overnemen, op basis van haar giftige maar schitterend geschreven kritieken. Maar toen ze in 1989 debuteerde met “Ambition” (nadat ze in 1978 reeds “The boy looked at Johnny” had geschreven samen met Tony Parsons, haar collega bij New Musical Express en even later ook haar echtgenoot) viel deze droom aan scherven, aangezien dit een niemendalletje was: “Jackie Collins met een brutale bek,” zoals een even briljante collega van haar schreef. Daarna volgde nog “No Exit”, net als de vorige een soort thriller met brute seks. In 1992 volgde de bundel “Sex & Sensibility”. Nadat ze NME al had geruild voor achtereenvolgens The Face, The Sunday Times en zelfs The Mail on Sunday (!), deed een kwijlerig boek over prinses Diana haar in het voorjaar van 1998 finaal de das om.ELEMENTARY, MY DEAR
Daarnaast is het opvallend hoeveel auteurs in het misdaadgenre vrouwen zijn. Zou dat te maken hebben met de vrouwelijke psychologie? Het is overduidelijk dat er meer mannelijke criminelen zijn dan vrouwelijke. Wordt de misdaad door vrouwen meer geïnterioriseerd? Zelfs als er dan al “eens” een vrouwelijke misdadiger is, zoals Juliet Hulme (°1938), die in de jaren vijftig de moeder van haar vriendin Pauline Parker hielp vermoorden (zoals we in de film “Heavenly creatures” konden zien), dan eindigt ze zowaar als schrijfster van detectiveromans (onder het pseudoniem Ann Perry)! Haar verhalen spelen zich af in de Victoriaanse periode, een tijd van hypocrisie, die een vruchtbare bodem vormde voor criminaliteit achter een façade van degelijkheid. De held van het verhaal is dikwijls de Londense inspecteur Monk.
In de Verenigde Staten schreef Mary Roberts Rinehart in 1903 haar eerste thriller, die net zoals Edgar Allan Poe’s “Murders in the Rue Morgue” op de romantische traditie is terug te voeren. En in de jaren twintig was er in Engeland barones Orczy. Die barones Orczy, Emmuska genaamd, was niet alleen de schepper van de fameuze Scarlet Pimpernel, maar ook van Lady Molly, de eerste vrouwelijke detective, in dienst van Scotland Yard dan nog wel. Zij speelt daarbij soms wel andere troeven uit dan Sherlock Holmes. Zo redt ze b.v. een man die ten onrechte van moord wordt beschuldigd door met hem te trouwen. Toch kan men in haar boeken, naast dergelijke Victoriaanse sentimentaliteit, ook feministische trekjes terugvinden die hun tijd ver vooruit zijn.
Een andere Britse schrijfster, Dorothy Sayers (1893-1957), eigenlijk een pseudoniem van Atherton Fleming (één van de eerste vrouwelijke afgestudeerden van Oxford), creëerde een even legendarische detective in de figuur van Lord Peter Wimsey. Zoals de naam reeds aangeeft, spelen haar romans zich “in de betere kringen” af. En net als bij Agatha Christie hebben de schurken nogal eens linkse sympathieën of zijn het geen Ariërs…
Nog een Engelse, Margery Allingham, creëerde de gebrilde en flegmatieke Albert Campion, een mysterieus personage wiens ware naam nooit werd onthuld (hij is wellicht van koninklijken bloede). “The fashion in shrouds” (1938) wordt ook als een literair meesterwerk beschouwd.
Zelfs de (komische) stripper Gypsy Rose Lee (1914-1970) heeft zichzelf gerecycleerd tot schrijfster van detectiveromans, zoals blijkt uit “The G-string Murders” en “Lady of Burlesque”. Enfin, zo wil het de geschiedenis, want in feite leende ze enkel haar naam aan haar persagente Georgiane-Anna Rudolph, die ook al als Craig Rice detectiveromans had geschreven.
Een opmerkelijke “navolgster” (wat ze uiteraard niet graag hoort) is Elizabeth George. Alhoewel Amerikaanse (Californië) zijn haar boeken door en door Brits. Dat komt omdat ze oorspronkelijk een cursus Engelse literatuur gaf, gewijd aan het misdaadverhaal. Aan de hand van “The history of the mystery story” van Dorothy L.Sayers analyseerde ze de gekozen romans, die – op uitzondering van Poe – allemaal Engels waren en na vijf, zes jaar vond ze dat ze het eigenlijk net zo goed zelf zou kunnen proberen. Haar hoofdfiguur is de adellijke inspecteur Thomas Linley, die echter wordt bijgestaan door sergeant Barbara Havers, een typisch “working class” product met een afkeer van de adel, dit is dus wel een uitzondering op de “regel”. Een paar titels: “Tot de dood ons scheidt”, “Mij is de wrake” en “Klassemoord”.
Ook die andere Amerikaanse, Mary Higgins Clark, hoort thuis in het “puzzelgenre”. Zelf verklaart ze dat haar romans eigenlijk gebaseerd zijn op “Klein Duimpje”: “Ik laat hier en daar kruimeltjes vallen die de lezer moet oprapen.” Toch is zij een kind van haar tijd (de jaren negentig) want haar bekendste roman handelt over clonen. Hij vertrekt weliswaar voldoende van de realiteit om tot het detectivegenre te worden gerekend en niet tot de SF, maar toch… Typisch Amerikaans is anderzijds dat het gevaar “van buiten” komt: een braaf, knus, gezellig, burgerlijk gezinnetje wordt bedreigd door de Kwade Wereld (cfr. films als “Cape Fear” of “Desperate Hours”). Het bevestigende rollenpatroon uit zich ook in het vrouwelijke hoofdpersonage dat altijd een slachtoffer is i.p.v. iemand die de oplossing brengt bijvoorbeeld (passief i.p.v. actief). In het boek over de clonen, dat in het Frans “Un jour, tu verras” heet, is dit niet helemaal het geval, aangezien weliswaar de cloon van het hoofdpersonage vermoord wordt, maar zijzelf slaagt als journaliste er toch in de zaak op te lossen.
In het rijtje van vrouwelijke detectives hoort ook de Amerikaanse juriste en bedrijfseconome Gini Hartzmark thuis. Haar alterego Kate Millholland lost bedrijfsspionage en andere economische misdrijven op in “Een kwestie van principe” en “De laatste kans”. Interessanter is echter Mary Wings, die haar alterego Emma Victor moorden laat oplossen in “Zij kwam te laat” en “Zij kwam in een flits” (niet bepaald briljant vertaalde titels). De laatste roman speelt zich af in een sekte en Wings sloot zichzelf daarvoor gedurende een tijdje bij de Baghwan aan. Haar hoofdpersonage is net als zijzelf lesbisch en men kan dus wel denken dat Wings haar uitleg klaarheeft waarom zoveel vrouwen detectiveromans schrijven: “Vrouwen waren vroeger machteloos, zelfs als ze rijk en welopgevoed waren. Het enige wat ze echt kunnen controleren, is wat ze zien, relaties tussen mensen onderling. Neem nu een begrafenis. Je ziet daar mensen die echt lijden, maar ook komedianten die krokodilletranen storten. Vrouwen noteren dat allemaal. Mannen kijken op hun horloge en zeggen: kom, we gaan weer aan het werk.”
Of zoals Martin Cruz Smith zijn hoofdpersonage Arkady Renko laat filosoferen: “He’d always suspected that while men might make the best police, women would make the best investigators. Or at least a different kind of investigator, picking up different sorts of clues in a different manner, searching sideways or backwards, as compared to the straightforward, pig-in-a-rut method of men.” (***)
Een typisch voorbeeld voor dit soort detectiveromans is de Engelse Minette Walters.
MEISJES, ZE MAKEN ONS KAPOT, MENEER
In de jaren negentig was een minder prettig gevolg van de emancipatie dat ook de vrouwen gewelddadiger werden. Dat weerspiegelde zich bijgevolg ook bij de auteurs. De eerste is de Californische Sue Grafton, die met Kinsey Millhone een vrouwelijke detective heeft gecreëerd voor een reeks die het alfabet volgt. Het is begonnen met “A van Alibi” en “B van Bedrog” en in 1992 zat ze al aan “I is for Innocence”. Tegen dat tempo zit ze in 2008 aan de “Z van Zebrapad” of zoiets. Kinsey is androgyn, deelt klappen uit en is onhandiger met make-up dan Joost Zwegers, om maar die te noemen. Grafton, wiens vader zelf detectives schreef, is opgegroeid met Mickey Spillane. Ze kent echter niets van politiewerk en op die manier leek haar eerste boek wel een parodie. Ze werkte tot dan toe voor Hollywood, maar daar kreeg ze het verwijt dat ze wel karakters kon invullen, maar geen plot bedenken. Daarom schreef ze een boek dat gebaseerd was op haar eigen echtscheiding, waarbij ze haar ex wou vermoorden omdat ze de kinderen niet kreeg toegewezen. In tegenstelling tot, ik zeg maar, Ronny Beks doet Kinsey Millhone het wél voor het geld. Al was het maar om zich een scheerapparaat (voor haar benen) of een stofzuiger te kunnen aanschaffen. Ze is ooit getrouwd geweest “voor het goed fatsoen, maar nu weet ze wel zeker: ze zal het nooit meer doen.” Ze zal dus ook nooit kinderen hebben. Althans zo heeft ze (en de schrijfster voor haar) zich voorgenomen. Toch is Kinsey niet vies van een avontuurtje. Typisch voor het genre is dan dat het met “een lekkere bink” is (Robert Dietz) en geen “huisman”. In tegenstelling tot stripfiguren veroudert ze wel, maar niet in dezelfde mate als de boeken elkaar opvolgen. Ze is in 1992 33 en het is de bedoeling dat ze bij de Z 40 is.

14 kathleen turner als v.i.warschawski


Typisch is dat ook V.I.Warshawski, het hoofdpersonage van de romans van Sarah Paretsky (in de film gestalte gegeven door Kathleen Turner, zie foto) veroudert, iets wat de meeste detectives niet doen. Paretsky schreef reeds in de jaren tachtig hard-boiled detectives, maar wél helemaal in de lijn van de “the white American male’s prolonged, agonised, but really rather boring struggle with his own masculinity,” zoals Julie Burchill schrijft. Warshawski leeft immers, net als haar mannelijke collega’s, in de marge. Ze ruimt nooit haar appartement op, zit met onbetaalde rekeningen en mannen zijn gewoon seksobjecten. Toch is ook zij in de greep van de “political correctness” en haar boek “Tunnel Vision” uit 1994 handelt dan ook over de daklozen en vrouwenmishandeling. Haar sympathie voor de slachtoffers (haar = Warshawski, maar in dit geval nog meer Paretsky) laat haar dan ook enigszins afdwalen van het pad van de échte hard-boiled novel (ze luistert zelfs naar Mozart!). Na “Zwarte lijst” (uiteraard over de McCarthy-periode) werd haar website overspoeld met hate-mail, want de communistenjagers zijn uiteraard nog steeds onder ons.
Een andere vertegenwoordigster van dit genre is Katherine V. Forrest. Van deze schrijfster van lesbische detectives kennen we “Murder at the Nightwood Bar” en “Murder by the book”. Verder schreef ze ook romans, waaronder “Curious Wine”. En computerdeskundige Patricia D.Cornwell (°1956) is “het” tegenwoordig ook, gaat het gerucht… Haar bekendste werken zijn o.m. “Fataal weekend”, “Corpus delicti”, “Rigor mortis” en “Modus operandi”. Zij heeft als weerkerende hoofdpersonages de pathologe Dr.Kay Scarpetta en rechercheur Marino. Haar verhalen zijn eigenlijk klassieke whodunits overgoten met een sadistisch sausje. Zelfs de seriemoordenaar Gault blijft onvatbaar, zodat hij zowel in “Rigor mortis” als in “Modus operandi” kan opduiken. Maar eigenlijk zou het eerlijker zijn deze twee boeken als één te presenteren. Het tweede valt immers niet te lezen als je het eerst niet kent. Cornwell is zo succesrijk dat ze twaalf mensen in dienst heeft die research verrichten voor haar. Haar privé-leven is ook nogal tumultueus – FBI-agent Gene Bennett beschuldigt haar ervan zijn vrouw Margot (1955), eveneens werkzaam bij de FBI, te hebben verleid – en ze aarzelt niet om dit in haar boeken te gebruiken. Zo zijn het nichtje van Scarpetta, Lucy, en haar tante eveneens lesbisch. Bennett heeft daarna, zoals het een echte Amerikaanse flik past, zijn vrouw ontvoerd, geslagen en met de dood bedreigd. In 1996 werd hij opgepakt.
Buiten de V.S. wordt het “lesbische” genre nog vertegenwoordigd door de Noorse Anne Holt, die ooit nog adjunct-politiecommissaris van Oslo is geweest, een rol die in haar boeken wordt ingevuld door Hanne Wilhelmsen. De moeder van alle lesbische detectiveschrijfsters is echter de veel fijnzinniger Patricia Highsmith.
In 2004 debuteerde ook Marthe Maeren (pseudoniem voor Bernadette Demeulenaere, °1959) met “Dode Letter” (Manteau). Zij geeft onbeschroomd toe dat zij zichzelf heeft geportretteerd in haar hoofdfiguur Frieda Degraeve, “een gedreven advocate”. Zij heeft ook een merkwaardige verklaring voor de populariteit van vrouwelijke schrijfsters van detectiveverhalen, namelijk de dialogen: “Ik ken geen enkele man die een realistische dialoog tussen twee vrouwen kan schrijven – ze hebben geen idéé hoe bitsig vrouwen onderling kunnen zijn.” (Zone 09, 7/7/2004)

Ronny De Schepper

(*) “Een mystica is een hysterica die haar biechtvader eerder is tegengekomen dan haar arts.” (Umberto Eco, De begraafplaats van Praag, p.342)
(**) Anne Marie Musschoot, Het Judith-thema in de Nederlandse Letterkunde, Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1972, p.70.
(***) Martin Cruz Smith, Polar Star, London, Pan Books, 1996, p.205.

(Zeer) selectieve bibliografie
Elizabeth George, Crime from the mind of a woman, Hodder & Stoughton, 2002

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.