De stervende radiator was een Gents triumviraat van tekstschrijver en regisseur Jan Van Durme, graficus Erik De Strooper en componist Bart Vandewege, dat reeds als eigenschap had merkwaardige locaties uit te kiezen voor hun producties. Zo was er de Baudelokapel voor Jules?

De Baudelokapel is gesticht in het begin van de 13de eeuw door de Cisterciënzermonnik Balduinus van Bocla en staat er op dit ogenblik maar triestig bij. En dat is jammer voor een gebouw met een interessant historisch verleden en – vooral – met nog een enorm potentieel naar de toekomst toe. Als deel van het Koninklijk Atheneum Ottogracht (sedert de Franse Revolutie) behoort het toe aan het ministerie van onderwijs, maar ondanks alle inspanningen van het Atheneum zelf en van de dienst Monumentenzorg van de stad Gent is dat ministerie tot nu toe doof gebleven voor alle pleidooien om de verdere verloedering tegen te gaan en de noodzakelijke renovatiewerken een aanvang te laten nemen. De druk “vanuit de basis”, zoals dat dan in het jargon heet, zal dus nog moeten toenemen, wil men voorkomen dat hier alweer een deel van ons historisch erfgoed verloren gaat.
Het triumviraat Jan Van Durme, Erik De Strooper en Bart Vandewege heeft daaraan iets willen doen. Neen, niet de zoveelste betoging of petitie-aktie, maar in het kader van het aloude adagium “het nuttige aan het aangename paren” hebben zij er hun nieuwste toneelstuk, “Jules?”, opgevoerd.
Op zich was dit idee niet zo origineel. Enkele jaren geleden speelde het Arcateater er reeds “Het café” van Rainer Werner Fassbinder en tijdens de Gentse Feesten heeft zelfs Vuile Mong er ooit zijn tenten opgeslagen. Het verschil zat ‘m echter in het feit dat deze gezelschappen het gebouw hebben gebruikt in zijn huidige, bouwvallige staat. In het geval van het Arcateater maakte dit zelfs deel uit van het koncept.
De Stervende Radiator echter wilde een soort van “tijdelijke restauratie” doorvoeren. Dit wil zeggen dat zij de ruimte van de Baudelokapel voor de duur van het projekt hebben getransformeerd en verfraaid om de mogelijkheden van de zaal beter te doen uitkomen en zo de definitieve restauratie een duwtje in de rug te geven.
“Jules?” werd door De Stervende Radiator gebracht in een regie van Jan Van Durme en een decor van Erik De Strooper. Met Petra Dendooven (Gérande), Jan Van Durme (Aubert), Gudrun Baekeland (Scholastiek), Danny Broosens (Zacharias) en Dirk De Strooper (Pittonaccio).
Jules Verne was homoseksueel, aldus de perstekst van “Jules?”. Toch had dit niets te maken met het onderwerp van het toneelstuk, zijnde een verhaal van een nog erg jonge Jules Verne dat zich afspeelt in Zwitserland (vandaar dat men voor het bloementapijt eigenlijk het liefst met edelweiss had gewerkt, maar dat was uiteraard onmogelijk). En is Zwitserland niet het land van de koekoeks- en andere klokken? Dat gegeven moet trouwens ook Jules Verne voor de geest hebben gestaan als hij dit verhaal over de oude klokkenmaker Zacharias daar situeerde. Eigenlijk is het verhaal niet meer dan een kapstok waaraan de jonge Verne zijn religieuze sentimenten ophing. Het is het aloude thema van de “hybris” (hoogmoed): de mens die zich wil meten met god. Bij Verne krijgt deze grootheidswaanzin gestalte in de figuur van Zacharias die zichzelf als klokkenmaker zo volmaakt acht dat hij van oordeel is dat zijn scheppingen die van god evenaren. Pech voor hem, want op een bepaald moment vallen al zijn klokken de een na de ander stil. Om het laatste klokje met het juiste uur te pakken te krijgen moet hij zijn dochter Gérande uithuwelijken aan een vreemde dwerg. Met dit duivelspakt verpatst Zacharias echter niet enkel het geluk en het leven van zijn dochter maar ook dat van hemzelf. En net zoals Faust wacht hem “de eeuwige verdoemenis”.
Aldus althans Jules Verne, want “De Stervende Radiator” heeft het verhaal van die religieuze dimensie ontdaan, zodat het voor iedereen toegankelijk is. De drijfveer van Zacharias is dus niet langer de wil zich te meten met god, maar de wil om de scheefgetrokken universele orde te herstellen. Hij wil dit doen door het uur Oer te installeren en dit moet gebeuren op het zesde uur van de zesde dag van de zesde maand. Het getal 666 is in de numerologie echter niet alleen het cijfer van orde en heerschappij, het is ook “the number of the Beast”, de duivel met andere woorden.
Dekorbouwer Erik De Strooper had grootse plannen: niet alleen een bloementapijt van ca.150m², maar ook niet minder dan honderd staande klokken! Uiteindelijk werden het bloempotjes en kartonnen dozen met daarop een klok getekend. Kortom net zoals in vroegere producties hadden Jan Van Durme en zijn vrienden weer een heleboel verwachtingen geschapen. Niet iedereen vond dat ze deze ook hebben ingelost (een aantal toeschouwers verliet nog tijdens de pauze de Baudelokapel) en zelf keken we in het begin ook een beetje onwennig tegen deze bombastische productie aan. Tot er voor ons eerst een beetje werd gegiecheld en nadien zelfs stormachtig gelachen. Was dit de bedoeling of niet? Eigenlijk weten we het niet zeker, want het is waar dat de acteurs gaandeweg op deze lachreacties gingen inspelen (op het eind zelfs iets te veel), maar anderzijds hebben we hier toch te maken met amateurs en is het niet wat voortvarend om te veronderstellen dat deze mensen nog tijdens een voorstelling een heel concept kunnen omgooien?
Maar uiteindelijk vielen de acteerprestaties toch nog mee. Opmerkelijk was alleszins de vertolking van Jan Van Durme zelf die om onduidelijke redenen zich als acteur Gaspard Leroy laat noemen in de rol van Aubert, de onhandige knecht van Zacharias (Danny Broosens) die naief verliefd is op Gérande (Petra Dendooven). Daarnaast was er ook nog Gudrun Baekeland als de dienstmeid Scholastiek, maar de show werd absoluut gestolen door Dirk De Strooper, die op een prachtige manier de pop die de dwerg Pittonaccio voorstelde tot leven bracht. (Gent, Baudelokapel, voorjaar 1990).
Nadien volgde een volkscafé met zelfs de daarbijhorende straat voor De Biezenstekker (1990), gebracht t.g.v. het jubileum op van het amateurgezelschap Nut en Vermaak uit Mariakerke door De Stervende Radiator in een regie van Jan Van Durme en een decor van Dirk De Strooper. Cyriel Buysse zelf had zijn novelle “De Biezenstekker” reeds bewerkt tot het bekende toneelstuk “Driekoningenavond”, maar Jan Van Durme gaf er de voorkeur aan om opnieuw van de novelle te vertrekken, omdat dit meer mogelijkheden gaf voor alweer een eigenzinnige bewerking. Een konstante blijkt daarbij wel te zijn dat Van Durme steeds de humor ziet, zelfs in situaties die als ongemeen tragisch bekend staan (in “De Biezenstekker” wordt een bastaardkindje zodanig mishandeld door zijn “officiële” vader dat het erdoor overlijdt).
Anderzijds mijdt men ook het effekt niet. Zo werd voor de première de straat voor alle verkeer afgesloten en liepen er een aantal hoevedieren rond. De zaal zelf was ook omgevormd tot één van de talrijke kroegen die Cloet (de vader) bezoekt nadat hij uit de gevangenis is vrijgelaten. Het karikaturale wordt ook steeds beklemtoond: het haar van Rosten Tjeef (de natuurlijke vader) is felrood gekleurd, Cloet “die geen twintig woorden sprak in één week” (Buysse) zegt inderdaad tijdens het stuk nauwelijks vijf zinnen, het kruis aan de muur hangt opmerkelijk scheef, enz. Enfin, dat heb ik van horen zeggen, want ikzelf heb het helaas niet gezien (december 1990).
In de Suikerij, de thuishaven van Theater Barrikade, zou men in september 1991 dan een voorstelling brengen van de oer-Don Juan, die van de hand is van de Spaanse auteur Tirso de Molina (1584-1648). Het verhaal gaat terug op een zekere Don Juan Tenorio (maar dus niet dé Don Juan) die op een nacht commandant Ullos doodde na zijn dochter te hebben geschaakt. De volksmythe dat Don Juan zijn slachtoffer ook nog in zijn graf ging beledigen, waarop het standbeeld hem meesleepte naar de hel, werd er haast onmiddellijk aan toegevoegd.
De vertaling was van Dirk De Keyzer, die ook regie-assistent was van Van Durme. Dat leidde tot een conflict, waarbij Van Durme opstapte drie weken voor de première. Het lijkt me dat het verschil is dat Van Durme steeds de parodiërende toer wil opgaan, terwijl De Keyzer in de grond oerserieus is. Van Durme moest de duimen leggen en zou pas in 1994 weer opduiken met “Het Spook van de Nopra”, weer een eigenzinnige (komische) bewerking van de griezelroman van Gaston Leroux uit 1910. Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van “Nut en Vermaak” uit Mariakerke schreef Van Durme zijn versie als een quasi-echte opera, inclusief figuranten en live-orkest!
“Don Juan” werd uiteindelijk toch opgevoerd in een regie van Dirk De Keyzer en een decor van Luc Peeters met Elise Bundervoet (Tisbea, Aminta), Jowan Van Ransbeeck (Don Juan, Don Diego), Maryse Wiegers (Catalinon, Don Pedro), Tony Blanchard (Koning van Napels, Markies de la Mota), An Vercruysse (Isabela, Ripio, Dona Ana), Kürt Rogiers (Hertog Octavio), Marijke Vandendaele (Koning van Sevilla) en Werner Van Hulle (Batricio). Muziek van Bart Vandewege, gezongen door Cécile Kempenaers. Gezien op 2/10/91.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.