Wouter Vandenabeele is een Gentse violist en componist/arrangeur, die het afgelopen decennium in Vlaanderen baanbrekend werk leverde op het kruispunt tussen klassieke muziek, jazz en folkmuziek.

Hij kreeg een klassieke vioolopleiding aan het conservatorium, maar toonde zich al vroeg geboeid door de vele volksstijlen. Hij richtte in 1996 Ambrozijn op, een kwartet dat Vlaamse volksmuziek op een frissere, internationale manier wilde spelen. Maar Vandenabeele keek verder: met muzikanten uit het conservatorium, jazzmuzikanten en Arabische musici, stichtte hij Olla Vogala, een groots orkest dat op zoek ging naar een muzikaal kruispunt tussen jazz, Arabische muziek, folk en hedendaagse muziek.

Hij houdt zich bezig met allerlei projecten wereldwijd, zelfs tot in Griekenland (hij leidde het prestigieuze Hadzidakis-project voor de Olympische Spelen in Athene in 2004), Senegal en China. Sinds september 2005 geeft hij ook les folkviool aan de muziekacademie van Sint-Niklaas en leidt hij het jongerenorkest Transpiradansa, een wereldorkest dat bestaat uit vele talentvolle jongeren waarvan de gemiddelde leeftijd twintig jaar is. Ze spelen wereldse dansmuziek met strijkers, hout- en koperblazers, accordeons, harp, een stevige ritmesectie én twee zangeressen. Op 1 januari 2007 kwam zijn allereerste soloplaat uit, genaamd Chansons Sans Paroles, maar als er dan toch “paroles” zijn, dan komen die van Soetkin Baptist.

In De Standaard van 24/11/1999 vertelt hij over zichzelf: “Ik wilde eigenlijk orgel leren, maar oudere zus deed viool, en ik moest volgen. Het is toeval geweest. Thuis hoorde ik vooral klassiek. Niet dat ze me opgedrongen werd. Toen ik 12, 13 was, koos ik zelf voor Bach en Beethoven. Daarmee stond ik alleen. Maar ik heb dat leren relativeren. Ik gaf spreekbeurten om aan te tonen hoe pop het allemaal van klassiek pikte. Vooral van de cantates van Bach. Op een dag hoorde ik een liedje van The Pogues, een Ierse folkband. Dat was viool, maar zoiets had ik nog nooit gehoord. Een klassieke muzikant kon dat niet, dacht ik, en denk ik nog steeds. Dat is het grote gevaar van de partituur: die legt veel te veel de richting vast. Wat in jazz en folk gebeurt, kan je niet opschrijven. Ik ben naar Ierland getrokken om in de cafés te gaan luisteren. En ben met platen gaan meespelen. Zo leerde ik die klank. Op een bepaald moment vroegen ze me natuurlijk om iets van mijn land te spelen. En ik kende niets! Dus ben ik teruggekomen en gaan zoeken. In Gooik, op stages. Maar ik ben heel snel in Frankrijk beland. Daar is nog zoveel te vinden. Eigenlijk verschilt onze folk heel weinig van wat ik in Frankrijk hoor, maar daar hebben ze nog zoveel voorbeelden. Terwijl hier de Oostenrijkse invloed, met zijn Strauss-muziek, folk tot salonmuziek maakte. Folk is daardoor op een zijspoor gezet. En toen het accordeon, het instrument van de arme man, opkwam, werd de viool zelfs verdrongen.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.