Morgen zal het al vijftien jaar geleden zijn dat de Amerikaanse toneelauteur Arthur Miller is overleden (foto Wikipedia).

Arthur Asher Miller werd geboren op 17 oktober 1915 in New York in een welgestelde joodse familie. Als hij veertien is, gaat bij de Wall Street Crash van 29 oktober 1929 de kledingzaak van zijn vader echter failliet. Er is dan ook geen geld om Arthur te laten studeren. Hij gaat werken in een depot voor automobielonderdelen waar hij veel tijd heeft om te lezen. Met het verdiende geld laat hij zich toch nog inschrijven voor de journalistenopleiding van de universiteit van Michigan. In 1936 wint zijn stuk “No villains” daar trouwens de toneelprijs. Hij herschrijft het een jaar later als “They too arise”, dat eveneens een prijs wint, net als “Honors at dawn” uit datzelfde jaar, dat echter onopgevoerd blijft (in 1939 zal hij “No villains” nogmaals bewerken, deze keer onder de titel “The grass still grows”).

Miller enrolled in a playwriting seminar taught by the influential Professor Kenneth Rowe. Rowe emphasized how a play is built in order to achieve its intended effect, or what Miller called “the dynamics of play construction“. After graduation, Miller joined the Federal Theater Project, a New Deal agency established to provide jobs in the theater. He chose the theater project although he had an offer to work as a scriptwriter for 20th Century Fox. However, Congress, worried about possible Communist infiltration, closed the project in 1939. In his book “Trinity of Passion”, author Alan M. Wald conjectures that Miller was “a member of a writer’s unit of the Communist Party around 1946“, using the pseudonym Matt Wayne, and editing a drama column in the magazine The New Masses.
Miller was exempted from military service during World War II because of a high-school football injury to his left kneecap. Toch was het in militaire opleidingskampen dat Arthur Miller materiaal verzamelde over W.O.II, waaruit zijn eerste filmscenario “The story of G.I.Joe” en het boek “Situation normal” zouden resulteren in 1944. Datzelfde jaar wordt voor het eerst ook een stuk van hem opgevoerd op Broadway: “The man who had all the luck”. Het wordt echter afgekraakt.

FOCUS

Arthur Miller zal vooral bekend worden dankzij zijn toneelstukken maar hij schreef ook proza, kortverhalen en één roman. Deze verscheen in 1945 onder de titel ‘Focus’ (ook in het Nederlands bij Van Oorschot, 2017). Een roman geboren uit verontwaardiging, nee zeg maar uit woede over de discriminatie die hij om zich heen zag. Van meerdere bevolkingsgroepen, kleurlingen, zwarten, latino’s, van homo’s en lesbiennes, van iedereen die enigszins afweek van wat onder de noemer ‘normaal’ geklasseerd werd in het zo traditionele, puriteinse, schijnheilige Amerika. Om een lezenswaardige plot te hebben diende hij zich, nadat in de eerste bladzijden duidelijk was gemaakt dat het verwees naar alle vormen van discriminatie, te beperken tot één specifieke vorm: het antisemitisme. Laat hij zijn hoofdpersoon, Lawrence Newman, een ongehuwde man van middelbare leeftijd die met zijn moeder in een keurige wijk in New York woont, getuige zijn van een straatincident waarbij een latino meisje wordt lastiggevallen, en hem niet ingrijpen… Laat hij hem duidelijk zijn afkeer blijken voor een ‘nikker’ in de metro wanneer hij naar zijn werk als personeelschef rijdt. Laat hij hem gruwen bij de aanblik van een Jood, en even later – conform de eisen van zijn werkgever waar hij zeventig typistes onder zijn hoede heeft, de sollicitatie afwijzen van een kandidate die er te joods uitziet… Terwijl hij toch dagelijks zijn krant koopt op de hoek, enkele huizen bij zijn woning vandaan, bij Finkelstein, onmiskenbaar een Jood: dichtbij en makkelijk, en tenslotte heeft de man persoonlijk hem niks misdaan. 

Maar dan gaat het mis. Hij is gedwongen een bril te dragen en wat blijkt: met dat ding op zijn neus ziet hij er zelf onbetwistbaar uit als een Jood, een raszuivere, loepechte Jood! Onhoudbaar in zijn functie waar hij geconfronteerd wordt met publiek dat de antisemitische firma bezoekt, zodat hij ‘verbannen’ wordt naar een afgesloten kantoor. Wat hij niet pikt en ontslag neemt. De start van zijn ellende. Hij weet zich overal bekeken, soms onterecht, vaak terecht. Hij wordt zelfs uitgescholden, en alle sollicitaties mislukken op grond van zijn uiterlijk. En dan is er de relatie met zijn buren, vooral die ene, Fred, met wie hij graag wil optrekken. Het wordt, nadat deze hem wou betrekken in de strijd om de wijk te zuiveren, een spel van aantrekken en afstoten – de man weet dat hij geen Jood is maar er zijn incidenten: net als Finkelstein wordt hij het slachtoffer van pestgedrag, the Christian Front… In zijn hoofd is het een mallemolen, nu eens schaart hij zich aan de zijde van de jodenhaters, koopt zijn krant niet meer bij Finkelstein om hen te plezieren. Dan identificeert hij zich met de Joden, leeft zich in in hun wereld, bekijkt het probleem rationeler. Vooral op het ogenblik dat hij in dienst genomen wordt, ironie, bij een joodse firma. En daar de vrouw ontmoet die hij ooit om haar uiterlijk als sollicitante geweigerd had – nu zullen ze elkaar beter leren kennen, zich verloven, huwen. De ontwikkeling van de relatie is geloofwaardig beschreven, vanuit de psychologie verantwoord. Het is een gelukkig huwelijk, hoewel het joodse uiterlijk van Gertrude, zijn echtgenote, vraagtekens oproept in de buurt die reeds gealarmeerd is nu Finkelstein ook zijn schoonvader in een woning in de wijk gehuisvest heeft. 

Gertrude wil zich meer integreren in de wijk; Newman beseft dat ze niet echt meer getolereerd worden. Hij zelf weet zich geen raad, nu eens is er de oude afkeer, dan weer kent hij begrip. Dat hij door enkele knapen gemolesteerd wordt zet hem definitief aan het denken over de mogelijke gevolgen. Een gesprek met Finkelstein reveleert de essentie van het antisemitisme, van discriminatie. Terwijl zijn echtgenote de kant van de christelijke buren kiest en Newman zelfs dwingt naar een bijeenkomst van het Christian Front te gaan zodat hij zou bewijzen een ‘goede burger’ te zijn en zo hun bestaan veilig te stellen, is hij er nu van overtuigd dat dit alles fout is. Miller last hier een prachtige passage in: de joodse winkelier bezoekt het graf van zijn vader, herinnert zich een verhaal dat deze vertelde en verleent hieraan nu een dubbele interpretatie, de traditionele en een moderne. Een ontroerende, sterke scène. Met daar tegenover de ophitsende bijeenkomst van duizend jodenhaters, juichend en applaudisserend, die – opmerkend dat de joods uitziende Newman niet enthousiast participeerde – hem gewelddadig aan de deur zetten. De apotheose zal de daadwerkelijke aanval op de winkel van Finkelstein zijn. Samen met Newman slagen ze er in met knuppels enig weerwerk te bieden tegen de agressors. Fysisch gehavend maar mentaal gesterkt komt Newman uit de strijd – om vast te stellen dat Gertrude haar heil zocht bij de buren die geen vinger uitstaken om tussenbeide te komen. Tenslotte zal hij van ‘het incident’ aangifte gaan doen bij de politie; die vraagt: “Hoeveel van jullie wonen er in die straat?” Na enige aarzeling antwoordt hij: “Nu, alleen de Finkelsteins, en ikzelf…” Hij wil zich in deze context met zijn joodse buur identificeren, dwars tegen iedere vorm van discriminatie in.

‘Focus’ is een roman met een spannende plot, een meeslepend verhaal. Maar het is vooral een intrigerende en boeiende tocht in de geest van het personage van Newman, hoe hij evolueert, hoe zijn opvattingen zich langzaam wijzigen, met ups en downs. Hoe hij tot inzichten komt. Op die wijze slaagt Miller er in, via een verhaal, de essentie van het begrip discriminatie bloot te leggen. Zonder te theoretiseren. Indringend. Pijnlijk. Correct. En uit iedere pagina spreekt zijn onverholen afschuw. Ongetwijfeld moet dit een moedig boek geweest zijn anno 1945; niet alle fellow Americans zullen het met genoegen gelezen hebben.   
ALL MY SONS
De echte doorbraak komt er echter met “All my sons” (1947). Joe Keller heeft grof geld verdiend tijdens de oorlog door defecte vliegtuigmotoren te verkopen aan de Amerikaanse luchtmacht. Met een van deze toestellen is zijn oudste zoon omgekomen. Op die manier beseft Keller dat alle andere omgekomen vliegeniers eigenlijk ook zijn “zonen” zijn en neemt het individu zijn verantwoordelijkheid op in de maatschappij, een thema dat vaak zal terugkomen in het werk van Miller. Toch vertrekt ook dit weer van een concreet, waar gebeurd gegeven, wat o.m. wordt gestaafd dat drie maanden na de creatie van het stuk 25 kopstukken van een Amerikaanse vliegtuigfabriek achter slot en grendel werden gezet.
DEATH OF A SALESMAN
In “Death of a salesman” (1949), gecreëerd door Elia Kazan, zijn er duidelijke autobiografische elementen verwerkt. Natuurlijk wil ik daarmee niet zeggen dat Millers vader net als Willy Loman zelfmoord pleegde opdat zijn familie een premie zou kunnen opstrijken en nadat hij toch in de ogen van zijn zoon Biff zijn respect was kwijtgespeeld toen deze hem betrapte met een hoertje. Nochtans heeft de gebuisde baseball-speler zelf ook tal van avontuurtjes en heeft hij net als zijn jongere broer, de kantoorklerk Happy, weinig maatschappelijke verwachtingen. Reeds in 1951 werd het stuk verfilmd door Laslo Benedek met Fredric March in de hoofdrol.
THE CRUCIBLE
Daarna volgt “The Crucible” (eig.”De Vuurproef”, maar meestal opgevoerd als “De heksen van Salem”, 1953), een aanklacht tegen de McCarthy-heksenjachten, waarvan hij zelf ook het slachtoffer was (vandaar misschien dat het zijn lievelingsstuk is). Meer bepaald verwijst het stuk naar het “geval” van de Rosenbergs die zonder sluitend bewijs voor “verraad” werden geëlektrocuteerd.
Na zijn studies werkte Miller zelf in 1938 bij het Federal Theatre Project, een onderdeel van de door de regering Roosevelt opgezette organisatie ter bestrijding van de werkloosheid, waar met werkloze acteurs vormingstheater gemaakt wordt. Hij werkt aan het stuk “The Golden Years”, dat door het Congres verboden wordt. In 1950 had hij reeds een bewerking gemaakt van Ibsens “Vijand van het volk”, waarin McCarthy zwaar werd aangepakt, maar dit eigen stuk was zo mogelijk nog duidelijker, zodanig zelfs dat hij in 1954 geen visum krijgt om in Brussel de voorstelling van het stuk in het Théâtre National bij te wonen. In 1956 wordt hij trouwens door the Committee of Un-American Activities veroordeeld wegens communistische sympathieën en de weigering om namen te noemen, een veroordeling die in 1958 (een jaar na de dood van McCarthy) door het Hoog Gerechtshof wordt vernietigd.
Elia Kazan zwichtte wél voor de Commissie van Anti-Amerikaanse Activiteiten en ging net als Clifford Odets tot verklikking over. In 1955 zond Arthur Miller een kopie van zijn nieuwe stuk “A view from the bridge” naar Elia Kazan; het is een stuk over een Siciliaanse arbeider die in jaloerse woede zijn neef, een illegale immigrant, bij de politie aangeeft. Kazan schrijft terug: “Ik heb je stuk gelezen en zou het een eer vinden om het te regisseren.” Waarop Miller repliceerde: “Ik heb het je niet gestuurd omdat ik het door jou wilde laten regisseren, maar omdat ik je wilde laten weten hoe ik over politiespionnen denk.
A VIEW FROM THE BRIDGE
Daarna volgt dus “A view from the bridge” (1955). Na zijn troubles met het Congres in 1938 werkte Miller enige tijd aan de haven en in een fabriek. Het is hier dat hij de waar gebeurde stof voor dit toneelstuk heeft gehaald, dat eerst als een eenakter werd opgevoerd, tesamen met “A memory of two mondays”.
De titel (die in het stuk eigenlijk niet duidelijk is) komt voort van het feit dat de havenbuurt zich pal onder Brooklyn Bridge bevindt, waar het verkeer maar voorbijsnort, zonder dat de mensen zich bewust zijn van de drama’s die zich onder de brug afspelen, omdat ze met die cultuur geen contact hebben.
De huidige versie werd in Londen in 1956 gecreëerd door Peter Brook en werd in 1958 reeds door de KNS (in een regie van Ben Royaards) opgevoerd. In 1962 werd er een film van gemaakt. Alhoewel er duidelijk allusies zijn naar een klassieke Griekse tragedie (buiten O’Neill, die daardoor ook duidelijk is geïnspireerd, moet Miller niks hebben van zijn landgenoten, geef hem maar de klassiekers met daarbij Ibsen en Tsjechov en, merkwaardig genoeg, ook nog O’Casey, Ionesco en Genet), is het verhaal toch ook geloofwaardig op het pure, realistische vlak door het te situeren in een Siciliaans milieu (zij het dan in Amerika). De erecode die daar geldt, komt inderdaad het fatum uit de klassieke tijden nabij.
Toch is de moedwillige weigering om “naturalistisch” toneel te brengen niet altijd geslaagd. De advocaat Alfieri mag dan nog een duidelijke “koorfunctie” hebben door het publiek “vanop de brug” rechtstreeks aan te spreken om net zoals bij het expressionistische theater van Brecht een “vervreemdingseffect” te creëren (al zegt Miller in “Marxism today” dat hij niet hoog oploopt met Brecht, omdat diens stukken, op “Moeder Courage” na, enkel geschikt zijn “to preach to the converted”), het is de zwakste schakel binnen het stuk, althans zoals het werd opgevoerd door de KNS tijdens het seizoen 1992-93 in een regie van Jo Dua.
Dit was echter niet de schuld van Marc Janssen, die zeker niet misstond naast een superieure Frank Aendenboom en een sterke Hilde Heijnen. Denise Zimmermann ging soms wel eens “over the top” en Bernard Verheyden had moeite om te doen geloven dat hij Aendenboom de baas kon, maar van de hoofdvertolkers was het uiteindelijk enkel de jonge Mark Van Den Bos die niet echt tegen zijn taak opgewassen was.
Het gebruik van het “Algemeen Beschaafd Aantwaarps” was gezien het havenmilieu ten zeerste goed te praten. Dat er anderzijds geen verschil is tussen Amerikaans, Italiaans en Amerikaans-Italiaans is een theaterconventie die ook in het origineel is terug te vinden. Wel jammer is dat “the syndicate”, eigenlijk de maffia, in het stuk wordt vertaald als “het syndicaat”, terwijl in de programmabrochure het correctere “de organisatie” wordt gebruikt.
MARILYN MONROE
In 1940 was Miller al gehuwd met Mary Slattery, waarmee hij een dochter Jane Ellen Miller en een zoon Robert A. Miller had, maar na zijn ontmoeting met Marilyn Monroe scheidt hij van haar. Deze ontmoeting was heel toevallig, omdat Elia Kazan, die haar mee zou nemen naar een party, die avond belet was en vroeg of hij niet voor hem wou inspringen. Kazan was al langer een minnaar van Marilyn.
Miller was toen met Kazan aan het werken aan “The Hook”, maar hij liet het project vallen toen op aandringen van Roy Brewer, de voorzitter van de International Alliance of Theatrical and Stage Employees, er een anticommunistische ondertoon in dit syndicalistische drama diende te worden aangebracht.
Miller huwde met Monroe, maar dat was geen succes. Tijdens de opnames van “Let’s make love” (1960) ging het al mis. Regisseur George Cukor had er al geen goed oog in en ook Simone Signoret (pas oscarwinnares voor “Room at the top”) zei het al: de titel van de film was een “omen”. Het was nochtans via haar vriendschap met Miller (zij had “Les sorcières de Salem” gecreëerd in Parijs en de hoofdrol gespeeld in de film die Raymond Rouleau ervan gemaakt heeft) dat haar man Yves Montand de rol van “milliardaire” (zoals de film in Frankrijk zou heten) had binnengehaald.
Tegen zijn zin (maar goed betaald) wordt Miller binnengehaald om het krakkemikkige scenario wat op te vijzelen. Op de koop toe doorbreekt hij daarmee een staking van de scenaristen, wat Marilyn niet zint. Als Signoret terug naar Frankrijk moet voor een film, begint Marilyn dan ook een verhouding met Montand, die twee maanden zal duren.
Daarna volgt de film “The Misfits”, naar een origineel scenario van Arthur Miller. Na de opname van “The Misfits” gaan Miller en Monroe uit elkaar. Ze scheidden op de dag van Kennedy’s inauguratie (19 januari 1961) om op die manier minder de aandacht van de pers te trekken. Marilyn keerde terug naar haar tweede echtgenoot, baseball-speler Joe DiMaggio. Een jaar later wordt ze dood gevonden, kort na het derde huwelijk van Miller met de Oostenrijkse fotografe Inge Morath. (*)
“After the fall” (1964), opnieuw gecreëerd door Elia Kazan (de ruzie over de McCarthy-affaire was dus blijkbaar bijgelegd), werd (ten onrechte?) beschouwd als een allegorie op Marilyn Monroe en (omdat het personage dat haar zou voorstellen negatief wordt afgebeeld) daarom slecht onthaald.
LATERE STUKKEN
“Incident at Vichy” (1964) werd gecreëerd door Harold Clurman. Het is een voorbeeld van “sociaal” theater. Qua vorm verwant met het realistische toneel (een gedetailleerd decor dient om bij te dragen tot de sfeerschepping). Op het inhoudelijk vlak is het vertrekpunt niet zozeer een algemene toestand, maar een heel concrete situatie. Meestal wordt het probleem gesteld van de vrije wil tegenover het kwaad dat in de mens aanwezig is. Dat maakt dat de personages meestal hulpeloos zijn in een conflictsituatie (jeugd tegen volwassenen; werknemers tegen werkgevers; zwarten tegen blanken; het individu tegen de gemeenschap). Het is de bedoeling van de auteur medelijden op te wekken, maar dan wel “actief” in de zin van dat het tot opstandigheid leidt.
In “The Price” (1968) wil Victor, een politieman, die zichzelf heeft “opgeofferd” voor zijn familie, komaf maken met zijn schijnbaar geslaagde broer Walter, een chirurg. Victors vrouw wil dat ze zich verzoenen, maar hun relatie tot hun vader (en “dus” hun toekomstmogelijkheden) is zo verschillend dat dit onmogelijk is. Net als zo vaak maakt ook dit stuk nog eens duidelijk dat individuele problemen in een maatschappelijke contekst dienen te worden gezien, vooraleer men ze volledig kan begrijpen. “Het persoonlijke is politiek,” zoals de feministen zeggen en in een interview met “Marxism today” beaamt Miller dit volmondig. De Britse commerciële televisie maakte hiervan een bewerking in 1972 in een regie van Fielder Cook en met George C.Scott als Victor.
Na het schrijven van dit stuk maakt Miller een reis naar Rusland, waarvan hij samen met zijn vrouw een fotoboek uitbrengt. In 1979 en 1983 zou hij hetzelfde doen voor China, de tweede maal n.a.v. zijn regie van “Death of a salesman” in Peking. Hij komt er wel tot de conclusie dat het marxisme een reactie is op het feodalisme en niet op het kapitalisme. Een paar jaar later zal hij helaas gelijk krijgen.
Tussendoor schrijft hij nog “Fame” (1970) en “The Creation of the World and Other Business” (1972), dat door het Théâtre National (geleid door Jacques Huisman) wordt gespeeld in een regie van Walter Tillemans op 6/11/1974. Het is zowaar een bijbels stuk (later tot opera omgewerkt als “Up from paradise” en met muziek van Stanley Silverman) wat hem de kritiek opleverde waarom hij in een tijd als die van Watergate niet meer op de politieke actualiteit inspeelt. Miller wilde dat wel, zei hij op een persconferentie in Brussel, precies twintig jaar na het verbod hem opgelegd door de McCarthy-commissie, “maar de journalistieke reportages over Watergate zijn zo goed dat ik een beetje schrik heb om eraan te beginnen”.
Later volgen “The archbishop’s ceiling” (1977) en “Elegy for a lady” (1980), niet te verwarren met de eenakter “Elegy”, die in 1982 samen met “Some kind of love story” werd gecreëerd onder de titel “2 by A.M.”
“Playing for time” (1980) was oorspronkelijk voor televisie geschreven en gebaseerd op het boek van Fania Fenelon, terwijl “The American Clock” (1980) onder de titel “De jaren dertig” werd gespeeld in de KNS. Het is een ontluistering van “the American dream” die vergelijkbaar is met “Death of a salesman”.
“Danger: Memory!” (1987) is eigenlijk weer een samenvoeging van twee eenakters, “I can’t remember anything” en “Clara”. Datzelfde jaar publiceert hij ook zijn autobiografie “Timebends”. Hij schreef ook het scenario voor “Everybody wins”, een film uit 1990 (gebaseerd op “Some kind of love story”), gevolgd door “The ride down Mount Morgan” (1991), gecreëerd in Londen.
De laatste jaren van zijn leven sleet Miller op zijn boerderij. Hij had kanker en een hartziekte, maar hij was blijkbaar toch nog fit genoeg om met een 55 jaar jongere kunstenares op te trekken. Op 10 februari 2005 werd hem dat echter toch fataal. ’t Moest er natuurlijk ééns van komen…

VERHALEN

Theater, luisterspelen, filmscenario’s… Arthur Miller schreef ook een aantal verhalen die door het publiek gesmaakt werden. Gepubliceerd in tijdschriften verschenen ze daarna in drie bundels: ‘I don’t need you anymore’ (1967), ‘Homely girl: a life’ (1995) en ‘Presence’ (2007). Een selectie van zestien verhalen hieruit werd in het Nederlands uitgebracht in 2012 door Atlas: ‘Op zoek naar een toekomst’. In een voorwoord bij de eerste verzameling ‘I don’t need you anymore’ verduidelijkte Miller waarom hij deze werken schreef: vooral voor het eigen plezier. Het was prettiger dan het schrijven van toneelstukken omdat hij hier kort en bondig kon zijn in functie van zijn onderwerp. Hier hoeft hij niet meer dan nodig te zeggen omwille van de vorm. Binnen “de onbescheiden bombast van vandaag” kan hij de waarheid in één ruk neerschrijven. Hij kan zuiniger zijn. Gevoelens en een plot die beknopt zijn horen hier meer thuis. In een verhaal kan hij gebeurtenissen en emoties bevriezen, onder de loep nemen; terwijl dat in het theater moet versnellen, tempo hebben, voldoen aan ritme. In het toneel is het de handeling die de waarheid openbaart; in het verhaal – in proza – heeft hij daartoe veeleer de locatie, het weer, de seizoenen, een stemming van het moment ter beschikking. Hij hanteert misschien ook een ander masker: hij heeft het gevoel dat hij met zijn verhalend werk een nauwer contact heeft met de lezers. Terwijl er voor het theater zoveel tussenpersonen en technische middelen tussen hem en het publiek staan. Zo meent hij auteurs als Tsjechov en Shakespeare beter te kennen via respectievelijk hun verhalen en sonnetten dan via hun toneelwerken. Tenslotte heeft hij het nog over het verschil van de dialoog op het podium tegenover deze in een gelezen tekst. 

Uit de bundel ‘I don’t need you anymore’ werden in de Nederlandse verzameling negen verhalen geselecteerd. Het eerste is het titelverhaal met centraal het 5-jarig jongetje Martin dat graag met zijn vader en oudere broer alles van het Rosj Hasjana, hun joods nieuwjaar zou meevieren. Een opvliegend knaapje dat wel door zijn vader maar niet door zijn moeder best begrepen wordt. Zij hecht dan ook teveel belang aan de woorden die hij haar boos toeslingert, “ik heb je niet meer nodig”. Het is mooi hoe we in de geest van het kind kruipen, het gezin en de wereld om hem heen zien en beleven. De oceaan, de golven, maar ook het dorp, de gebouwen – ze worden als levende wezens, ademen… Langzaam zien we ook het gedrag van de moeder veranderen en – een spanningsboog – de reden waarom. Dan duikt daar bij de volwassen Martin de herinnering op, hoe hij tijdens een wandeling met zijn moeder een man ontmoette; haar ‘bekentenis’ dat zij ooit bijna met deze man gehuwd was maar op het verbod van haar ouders stuitte; hoe hij dit geheim moest houden voor zijn vader. Nu nog worstelt hij hiermee, net als met een schuldgevoel over wat hij als 5-jarige in de synagoge deed en trauma’s over zijn flaporen en het feit dat hij ooit bijna verdronk. Al bij al een schitterend portret van een kind en de naweeën – hoe dit alles de man tekende. Ontroerend. 

Een volgend verhaal brengt ons naar Italië waar de Amerikaan Vinny Appello op zoek gaat naar zijn Italiaanse roots en deze ook vindt in plaatsen, gebouwen, portretten en zelfs een familielid. Een onbegrijpelijke zoektocht volgens zijn  joodse vriend die hem vergezelt, Bernstein: waarom ga je op zoek naar dat verleden? Tot ze in een restaurant een man ontmoeten bij wie Bernstein een aantal handelingen herkent die gebruikelijk zijn in zijn familie. Deze man is in dit oerkatholieke dorp beslist joods. Maar hierop aangesproken ontkent de man, nee hij kent het begrip zelfs niet. En toch, onmiskenbaar… Wat hij deed heeft hij geleerd van zijn vader en grootvader. Bernstein begrijpt: binnen deze gemeenschap dienden ze hun eigenheid te verbergen en uit veiligheid werd er tegenover de man als kind ook nooit over gesproken. Het ontroert hem en nu begrijpt hij wat zijn vriend dreef, de eigen geschiedenis is inderdaad belangrijk. Daarna vertelt een tekst over de heiligheid van alle leven, maar tevens over de eindigheid zodat er dient gerelativeerd te worden. Een volgende monoloog van vier pagina’s legt suggestief, sober, prangend een persoonlijke tragiek bloot. Intens. Terwijl veel uitgebreider het volgend verhaal drie vrouwen laat filosoferen; niet wat ze zeggen maar het feit toont de leegheid van het bestaan, de triestheid van hun levens. In ‘Roem’ ontmoet een beroemd toneelauteur een vroegere studiegenoot die hem niet als het Broadwaysucces dat hij is herkent en zelf trots uitpakt met zijn bescheiden carrière in het zakenleven. Tot de achtergrond van de schrijver toch aan het licht komt en de vriend beschaamd, zich vernederd voelend, afdruipt. Terwijl we de auteur, die we eerst zagen als fier op zijn bekendheid, nu achterlaten, dat alles relativerend – kameraadschap hoger achtend dan de betrekkelijke glitter en glamour. 

Miller daagt ook wel vaker met politieke statements op. Soms expliciet, soms verdoken zoals in ‘Bankwerker bij nacht’: er worden herstellingen uitgevoerd aan marineschepen van meerdere nationaliteiten tijdens WO II. Enerzijds volgen we één der arbeiders tijdens een onverantwoord gevaarlijke opdracht; zijn leven in een keurslijf wordt gewogen – nu ervaart hij dit werk als een vrijheid! Daarnaast klinkt de kritiek op de marine, met de nodige ironie over de strijdbaarheid, maar vooral de zinloosheid van geweld. Miller is hier de overtuigde pacifist. ‘Op zoek naar een toekomst’, de tekst die de titel leverde voor de Nederlandse verzameling, laat een acteur aan het woord die filosofeert over zijn beroep terwijl zijn vader dag na dag verder uit de realiteit wegglijdt door dementie. Hij komt tot het besef dat in het leven iedereen ‘acteert’, enkel mensen als zijn vader niet; een man die hij pas nu ontdekt, pas nu echt leert kennen. Tenslotte werd uit deze eerste bundel uiteraard ‘The Misfits’ weerhouden, dat in 1961 door John Huston verfilmd werd met o.m. Clark Gable en Marilyn Monroe: drie vrijbuiters vangen wilde mustangs om hen te verkopen voor de slacht (als honden- en kattenvoer). De échte vrijbuiters evenwel zijn de paarden. Sterke psychologie en wat een natuurbeschrijvingen: de bergen, de woestijn…

‘Homely girl’ omvatte slechts drie teksten waarvan alleen het titelverhaal hier opgenomen is. Miller schetst via zijn hoofdpersonage, de joodse Janice die zichzelf lelijk vindt, zeventig jaren Amerikaanse geschiedenis. Hij toetst het communisme, kapitalisme – laat de gemeenschap evolueren, de denkbeelden en inzichten wijzigen. En zo ook de visie van Janice op zichzelf die oordeelt dat zij, oud geworden, mooi is. De geëngageerde Miller, en de psychologisch diepgravende Miller. Een zeer sterk verhaal. Net als de opener van de derde bundel (‘Presence’): ‘Bulldog’. Die sluit een beetje aan bij het eerst vermelde verhaal, ook hier verplaatsen we ons in het hoofd van een jongen, ouder weliswaar. We volgen zijn grillige gedachtengang, maar waar de plot reëel blijft klinkt het geheel zeer poëtisch en vertederend. De volgende tekst is huiveringwekkend; iets om heel stil bij te worden. Een Amerikaanse tapdanser wordt naar Berlijn uitgenodigd voor een optreden in het bijzijn van Hitler. Die is zo verrukt dat hij de man een riante betrekking aanbiedt als dansleraar en zelfs minister. Wat men niet weet: de kunstenaar is een Jood. De extase van de dictator voor de Jood – het zou ironisch kunnen zijn maar is het niet. Het levert pijnlijke bladzijden op. Miller commentarieert niet. Hij geeft een sfeer weer waarvan je gruwt. Meesterlijk pijnlijk! Via een tekst over bevers, de natuur die moet wijken voor de mens, belanden we bij een mooie trouvaille: een schrijver die aan zijn writer’s block wil ontsnappen door een roman te schrijven op de huid van een vrouw. Op deze wijze krijgt hij vat op het verleden, op de droom. Het voorlaatste verhaal van de bundel is gelokaliseerd in Haïti, meteen een mogelijkheid voor Miller om kritiek te leveren op het politiek bestel dat o.m. verantwoordelijk is voor de dramatische ontbossing en voor de armoede. De essentie van deze tekst toont dat het creëren, het scheppen van iets, belangrijkst is – het najagen van een droom, ten koste van alles. ‘Op zoek naar een toekomst’ sluit af met een korte schets waarin nauwelijks iets gebeurt. De lezer volgt de wisselende emoties en gedachten van een man tijdens zijn strandwandeling… Arthur Miller heeft geen grote dramatische verwikkelingen nodig om boeiende, intrigerende bladzijden op ons af te sturen.

Nee, geen der verhalen die hier gepresenteerd worden is ondermaats. Of hij melancholisch is of vitaliteit uitstraalt, poëtisch met de lezer ronddwaalt of hem in een intrigerende spanningsboog vangt, hier is een meester aan het woord. Die vooral sterk is in het ontleden van de psychologische achtergronden van zowel kinderen als van volwassenen die hun verleden als zware rugzak meeslepen. Met thema’s als vriendschap, relaties, roem… Soms scherpe prikken uitdelend. Tegen de oorlog, tegen schijnheiligheid, tegen discriminatie. In enkele teksten sluimert duidelijk zijn joodse identiteit, zijn joodse achtergrond. Dat is een nevenaspect van dit proza: hier openbaart Arthur Miller zich. Hij geeft zich bloot, onthult zijn identiteit. Uit deze teksten groeit langzaam een zelfportret, van het kind van vijf via het jongetje van twaalf, tot een man verknocht aan de rodeo, een danser neus aan neus met Hitler of een regisseur die inziet hoe heel relatief de roem is en wat er werkelijk toe doet in het leven. Verhalen als een verdoken biografie. Maar essentieel: leesgenot!   

Ronny De Schepper & Johan de Belie

(*) Ook met Morath zou hij een zoon en een dochter hebben (Daniel en Rebecca). Rebecca zou in zijn voetsporen treden, maar Daniel is een heel ander verhaal. Deze werd geboren met het syndroom van Down en Miller heeft veertig jaar lang zijn bestaan ontkend. Pas zes weken voor zijn dood gaf Miller toe dat hij ook nog een zoon had. Volgens sommigen is het feit dat de stukken die Miller in die periode schreef minder indringend zijn dan zijn vroegste werk te wijten aan het feit dat hij zodanig met zichzelf in de knoop lag dat hij geen stukken meer kon schrijven waarin hij zijn tijdgenoten een ontluisterende spiegel voorhield omdat zijn eigen gedrag laakbaar was. Toen Daniel Day-Lewis in 2013 zijn derde Oscar in ontvangst mocht nemen voor zijn vertolking van Abraham Lincoln hoopten velen dat hij iets zou zeggen over zijn schoonbroer. Want, inderdaad, Day-Lewis is gehuwd met Rebecca Miller en net als zijn vrouw en zijn schoonmoeder bezocht hij wél geregeld en regelmatig zijn schoonbroer. Bovendien behaalde hij zijn eerste Oscar voor de vertolking van een gehandicapte in “My left foot”. Maar voor zover ik weet heeft hij dit echter niét gedaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.