Jaren geleden gingen we nog op stap, wij zijnde mijn eega en ik. Op stap: reisjes naar het buitenland. Het niet zo heel verre buitenland, we beperkten ons voor deze trips onder ons beidjes tot Italië, Spanje, Frankrijk, en jawel ooit Djerba. Maar hoe we ons verplaatsten, hoe we telkens onze bestemming bereikten, daarover wou ik het hebben. Het ligt misschien voor de hand dat men aan het vliegtuig denkt, niets is minder waar. Voor ons stond één vervoermiddel boven alle andere verheven: de autobus.

De reden laat zich makkelijk raden: een echtgenote met vliegangst. Jawel, ooit heeft zij met klamme handjes de uren naar Spanje in de wolken doorstaan, eenmalig. En een tweede experiment bracht ons zo nog naar het Tunesische schiereiland, maar toen was het ook op. De reisbus dus. Eerlijk gezegd, mij maakte het niet veel uit. Ik vloog wel graag maar die reizen in de bus, fantastisch, wat een sfeer… Nee, er was geen sprake van een bende bejaarden die in samenzang losbarstte, noch was er een gids die entertainde met grapjes gestolen uit het afvalrepertoire van Geert Hoste. Nee. Wat het dan wel was?
Vooreerst dienden de valiezen gepakt. Ritueel voorafgaand aan iedere reis. Persoonlijk hoefde ik me niet bepaald in te spannen: onder- en bovenkleding klaarleggen, tandenborstel en andere hygiënische benodigdheden, maar toch vooral het absoluut noodzakelijke: boeken, schrijfgerei en uiteraard sigaretten. Hoewel dat laatste item slechts in een hoeveelheid die kon variëren afhankelijk van de bestemming en of die killers ginds niet goedkoper konden aangeschaft worden; zoiets maakte deel uit van de voorafgaande research, net zo belangrijk en essentieel als te weten wat we allemaal zouden bezoeken. Want ja zonnekloppers waren we geen van beide, geen zon-zee-strand noch zwembad voor ons. Wij zouden ons al die dagen genadiglijk overleveren aan de gids van de organisator en deelnemen aan de dagelijks geplande excursies; of soms – uit de band springen! – een beroep doen op lokale instellingen en met hen op stap gaan (meestal goedkoper maar natuurlijk niet in het Nederlands). Valiezen, mijn compagne slaagde er steeds in alles fraai in een zo klein mogelijke ruimte te verdelen (mocht dat ooit een Olympische discipline worden, goud!) zodat ik nog enkele pakken koekjes, een beetje chocola en wat snoep in de gaten kon stoppen. In de wetenschap dat die zoetigheid beslist op de terugweg opnieuw met ons zou meereizen, onaangebroken.
Gepakt, gezakt, verstand op nul en ‘en route’, enfin toch wat het eerste beperkte deel betreft. Dat heel kort is. We moeten eerst de plaats bereiken waar een minibusje van de touroperator ons zal oppikken, aan de rand van de stad: dus autorijder ingeschakeld om ons daarheen te brengen en daar naast enkele andere gegadigden te droppen; in afwachting van de komst… Jawel! Namen worden gelezen, dat klopt, nog echtpaar halen in nabij stadje en dan koers zetten naar Menen, centraal punt van busbedrijf Herman&Vandamme waar de lammeren allen samenkomen om verspreid te worden in diverse richtingen. Want daar staan meerdere autobussen reeds te glimmen en te fonkelen, allen met een andere bestemming voor ogen. Maar nu nog niet, geduld! Er is tijd, er is een cafetaria, er zijn toiletten. We bevinden ons weliswaar in West-Vlaanderen, maar desondanks is alles voorzien. Dus: twee koffies, met koekje. Het is tenslotte 16u. De dag is nog lang. Onderwijl staan talloze valiezen in alle maten en kleuren ongeduldig opgestapeld aan de zijlijn te wachten – versjast uit minibusjes, wachtend om ingeladen te worden in de grote broers richting vakantieoorden; het lijkt een volksverhuizing. Het verlossende sein wordt gegeven: stormloop, richting toiletten, richting bagage, het gekrioel – welke van de vier bussen is de onze? Namen worden opgelezen, plaatsen toegewezen. De hal davert plots onder het geweld van het opstartend geluid als de karavaan vertrekt, een karavaan die zich tien minuten later ontbindt, ieder kiest een andere route, elk heeft een ander doel. Op weg!
Zo’n vijftig medereizigers van middelbare leeftijd – en nee een band zal er niet groeien tussen de meesten en in ieder geval niet met ons. Hooguit een groet, een nietszeggend woord, een opportune vraag en antwoord. Voorlopig onder de hoede van twee chauffeurs die zich, eerste werk, introduceren, de reisweg verduidelijken, meedelen waar en wanneer we vanavond eten, én dat we aan boord warme en koude drank kunnen verkrijgen aan ‘democratische prijs’. De eerste uren laat ik het langzaam wisselend landschap via het panoramisch venster aan mijn oog voorbijglijden – voorlopig heb ik nog niet zo’n zin in lezen, de reisopwinding is te groot, en het buitenzicht mag dan voorlopig niet bijzonder opwindend zijn, het is toch weer iets anders dan wat zich onder mijn kerktoren afspeelt. En gelukkig heeft de chauffeur een cd met 60-er jaren hits in de lade geschoven, nostalgie (helaas ben ik niet voortdurend zo bevoorrecht, de voorraad cd’s bevat ook levensliederen, Duitse schlagers, James Last e.d., ieder zijn meug en er is een gevarieerd publiek aan boord). Zo lang duurt dit eerste ritje ook niet, we hoeven de schemer zelfs niet af te wachten: we parkeren voor het avondmaal, een stop van anderhalf uur, smakelijk! Er wordt benadrukt dat deze ravitaillering niet in de prijs inbegrepen is, de firma Herman&Vandamme is pas vanaf morgenavond verantwoordelijk voor onze inwendige mens; tot dat tijdstip moeten we zelf op jacht of visvangst, dat maakt deel uit van het avontuur dat reizen is. Enfin avontuur? Zo wild zal het er vanavond niet aan toegaan. We worden netjes gedropt voor de deur van ene Lunch Garden, steevast dé avondlijke pleisterplaats van H&V – ja wij reizen steeds met hen, ervaring dus. Vermoedelijk bezitten ze daar een soort abonnement voor hun chauffeurs; die we daar vrijwel onveranderlijk mosselen met frieten zien degusteren, was dat hun dieet, of noodzakelijk krachtvoer om de nachtrit aan te vatten? Hoe dan ook, de bus uit, we herademen, wat betekent: sigaretje opsteken want in de bus… Pas dan het menu, puree met balletjes in tomatensaus, of toch liever frieten met knakworst. En chocomousse als toetje, het is tenslotte verlof.
Anderhalf uur en drie sigaretten later duiken we opnieuw de autobus in. Het wordt donker. Geen nood er is entertainment voorzien. Op vier schermen wordt een film getoond. Twee schermpjes voor de linker- en (jawel juist) twee voor de rechterrij. Eén vooraan en één in het midden; wie te dicht zit eindigt met kramp in de hals, te ver: Chinese spleetogen van het turen. Ondergetekende geen van beide. Vermits – hoe vaak we ook zo’n reis meemaakten – de film die ik diende te ondergaan te vreselijk was om te aanschouwen. Begrijpelijk, ‘voor elck wat wils’, dus grappig met een licht-spannende toets en eventueel wat romantiek. Lezen op dat ogenblik zat er niet in, er was weliswaar een lampje boven mijn hoofd maar uiteraard stoorde dat het kijkgenot van wie zich achter mij bevond. Dus genoot ik van het inmiddels niet meer zichtbare landschap, van de lichten van de autostroom in tegenoverliggende richting, en van de droom over de toekomstige dagen. En van de soundtrack! Eventueel onder het genot van een koffie, gekocht bij de chauffeur achterin de bus (uiteraard niet deze aan het stuur) – ja die drankhandel was wellicht een toegestane lucratieve bijverdienste die floreerde. Toen, film gedaan, nog tien minuten om ons klaar te maken voor de nacht. Ook één der chauffeurs kroop in zijn holletje tot hij uren later de dienst zou overnemen. Er werd nog vlugvlug richting toilet gestommeld zodat de tien minuten uitdijden maar dan: lichten – behalve flauwe grondlichtjes – uit. Slapen.
Slapen. Of ook niet. Persoonlijk deed ik nauwelijks een oog dicht al die uren in zo’n bus die verder raasde over gods wegen richting zuiden – of omgekeerd dagen later weer naar de heimat. Maar ik genoot van die stonden, van dit in het duister onderweg zijn. Pas nu kon ik me ten volle onderdompelen in de sfeer van het wegwezen. Langzaam nam binnen de stilte het over, af en toe nog een ritselen, iemand bewoog, hier en daar een snurk die na enkele minuten abrupt werd afgebroken (een harde duw van de naastzitter?). Buiten nu steeds minder autoverkeer, soms een helverlichte wisselaar tussen volslagen duisternis die we niet kennen op onze autowegen. Verrassingen zoals de fascinerende ring van Basel, kilometers onder- en bovengronds, voortdurend afwisselend, één flitsen van nu eens muren en gewelven, dan straten, pleinen, gevels, nachtelijk leven – in een oogwenk voorbij, nachtmerrieachtig. Of die keer dat de Gotthardtunnel gesloten was, onderhoud. Slim om het ’s nachts te doen – minder (nu ja?) verkeer. Iets minder rekening gehouden met het weer: toen we er stonden was het werkelijk ‘bij nacht en ontij’, regen, hagel, onweer. Beneden! Hogerop: sneeuw. En ja wij moesten uiteraard hoger, en erover. De chauffeur die even de benen strekte doorheen de slapende bus deed dat met een zure en grimmige blik: hij had ons net zo lief zwemmend richting Italië gestuurd. Een bus vol dommelende individuen, het halfduister, de lichtflitsen van buitenaf, wat zachte herkenbare of soms ondefinieerbare geluiden binnen, geuren die langzaam bezit namen van de ruimte… ik maakte het mezelf ook zo comfortabel mogelijk. Beseffend dat ik allicht niet zou slapen. De beenruimte was beperkt, en al kon je de rugleuning een standje laten zakken richting wie achter jou zat, dat verbeterde jouw horizontale positie nauwelijks. Wat voor iedereen zo was, uiteraard – nee, het was mijn ingesteldheid, ik had geen zin in een dutje. Ik genoot van de sfeer. En toen kwam het hoogtepunt van de nachtelijke rit…
Zoals aangekondigd: het werd drie uur, ongeveer. En aflossing van de wacht, er diende wettelijk van chauffeur gewisseld te worden. Dus de ene gewekt. En een korte stop. De reizigers zouden niet gestoord worden, wie toch ontwaakte kon evenwel de bus verlaten. Heerlijk, zo’n resto langs de snelweg bij nacht. Ik hopte de bus uit, met de chauffeurs en enkele slapende gezichten die bruusk uit hun sluimer gerukt waren door de kille luchtstroom die de bus binnen vloeide. Na al die uren, een sigaret. En steevast uit de automaat, een warme chocomelk in plastic beker – hoe dan ook, overal en steeds was die trouw op post, de warme chocomelk, om drie uur ’s nachts! Er restte nog tijd: even dwalen in het winkeltje, soms leek de honger lichtjes te knagen – of waren het veeleer verveling en ‘goesting’ die op de loer lagen – en kocht ik in folie verpakte boterhammen, driehoekig, tonijnsalade! Een reep chocola… De kleine geneugten van de kleine burger. Het kwartiertje zat er op, in zeven haasten nog een sigaret aangevlamd – gelukkig, een chauffeur deed net hetzelfde, dat geeft respijt en broederlijk roken we samen onze longen stuk tot de peuk onze vingertoppen schroeit, we hebben immers nog vele nicotineloze uren voor de boeg. Iedereen aan boord? Nu linea recta naar de eindbestemming, steeds zo uitgekiend dat we, waar ook, rond acht uur arriveren.
Die nachtelijke reizen verliepen steevast volgens hetzelfde patroon. En mijn genietingen waren navenant. Slechts één keer hield ik er een bittere herinnering aan over. Buiten de schuld van H&V, noch van de chauffeurs of medereizigers. De dag voor ons vertrek slaagde ik er in mijn pols te breken. En dan domweg deze, of beter mijn ganse voorarm, te laten plaasteren door de huisdokter. Met vaste ofte definitieve plaaster… Gevolg, tijdens de nachtelijke rit manifesteerde zich een forse zwelling, annex helse pijn. En toen het licht werd stelde ik vast dat mijn hand zwart was, vingers overdekt met blazen. Daar stonden we, Spanje, zondagochtend acht uur. Een apotheker, die me sommeerde zonder uitstel naar het ziekenhuis te gaan. Inderdaad, net op tijd of mijn hand was verloren. Wat hoe dan ook verloren was: onze vakantie vermits ik dagelijks voor behandeling uren mocht slijten binnen de kliniek. Die keer geen genieten van de nachtelijke rit dus. Maar we waren inmiddels aan het laatste deel van ons traject. En terwijl de zon zoetjesaan veld won ontvouwde nu ook eindelijk het totaal andere landschap zich voor mijn ogen. Het leek alsof ik een ontdekkingsreiziger was die een nieuw continent veroverde. Natuurlijk, het was maar een georganiseerde busreis van tien dagen met de firma Herman&Vandamme, met bestemming Rimini, Peniscola, Montecatini, Benicarlo, of welke andere uitvalsbasis ook waar het hotel zich bevond dat ons de komende dagen onderdak zou verlenen. 
Mét de zon ontwaakte iedereen. Ook de tweede chauffeur die ons kond deed van de mogelijkheid om in het hotel te ontbijten. Wel diende er dan dadelijk betaald te worden en meteen meegedeeld wie tot de hongerigen behoorde en gespijzigd wenste te worden; hij zou het aantal vreters dadelijk telefonisch melden aan de bevoegde instanties. De aankomstkoorts steeg, de slaap werd uit de ogen gewreven, het kleine bustoilet verkracht. En uiteindelijk de stad binnen gereden, bagage tot nader order opgeslagen in een duistere ruimte. De chauffeurs namen zeer gewillig voorlopig afscheid met de instructies: namiddag kamerverdeling, welkomdrink met de gids van H&V die  dan meteen zou noteren wie deelnam aan welke excursies. Wat henzelf betrof: telkens één van hen zouden we aan het stuur vinden voor de uitstappen richting, ja waarheen zoal, Granada, Pisa, Firenze, Ravenna, San Remo, Nice, Venetië, Montserrat, en zoveel andere steden en ook kleine dorpjes en natuurschoon. Toen, nog licht wankel maar de dorstige en vraatzuchtige blik zonnig voorwaarts, toog het gezelschap welgemoed het ontbijt tegemoet: koffie en alles wat het buffet ons te bieden had. De bus? Die verdween richting veilige parkeerplaats, aan verdiende rust toe.  

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.