Een Smeetsiaanse huiskamervraag om mee te beginnen. Wie hoort er niet in dit rijtje thuis: Henri de Toulouse Lautrec, Buffalo Bill, Jaap Eden of Tristan Bernard?

Nu even goed opletten. Toulouse Lautrec, dat was toch die schilder, ooit nog bevriend met onze eigen Vincent van Gogh? En Buffalo Bill, de held van het wilde westen die kent toch zeker ook iedereen. Om maar te zwijgen van Jaap Eden een van onze nationale sport-iconen. Maar Tristan Bernard wie is dat in godsnaam? Nooit van gehoord. En toch, met een beetje passen en meten, passen ze alle vier heel wel in het rijtje.

LA BELLE ÉPOQUE

Maar dan moeten we wel even terug naar het fin de siècle van de 19e eeuw, naar het Parijs van die dagen. De Belle Époque toen de Lichtstad bruiste en zinderde. Waar het leven vonkte en  knetterde. Je kon geen deur opentrekken of de vlammen sloegen je in het gezicht.

De Wereldtentoonstelling van ‘89, honderd jaar na de Revolutie, had de hele wereld versteld doen staan. Met de Eiffeltoren als symbool van technisch vernuft. Samen met andere technische hoogstandjes als de Galeries des Machines en de Galerie des Arts-Libéraux met gewaagde afmetingen en nooit geziene overspanningen. Meer dan groot genoeg om er later het Vélodrome d’Hiver in te vestigen.

Emile Zola had politiek Frankrijk op scherp gezet door J’Accuse, zijn open brief aan de Franse regering waarin hij het opnam voor Dreyfus.

Colonel William Frederick Cody alias Buffalo Bill was met zijn wild-west show  neergestreken op een veld bij de Porte Maillot. Een wervelende show met echte Indianen. Annie Oakley die zomaar vanaf 90 voet de as afschoot van de sigaret in de mond van de Duitse kroonprins Wilhelm. Nog nooit vertoond.

Dan Montmartre met zijn cabarets, nachtclubs en bordelen. Henri de Toulouse Lautrec die kleine adellijke kabouter uit Albi was er inmiddels neergestreken én kind aan huis. Drie turven hoog, gehandicapt vanaf zijn jeugd waarin hij beide benen brak die daarna niet meer wilden groeien. Inteelt werd er gezegd want zijn vader en moeder waren neef en nicht. De Moulin Rouge wordt zijn vaste pleisterplaats. Het nachtleven prikkelt zijn artisticiteit. Hij duikt voor langere tijd onder in de bordelen, zoals de Rue des Moulins, en wordt geobsedeerd door het leven van haar bewoonsters, de demi-monde. Hij schildert de uitdagende vrouwen van de cabarets en café-concerts: Jane Avril, May Belfort en La Goulue.

BROEIHAARD MONTMARTRE

In die broeihaard Montmartre vinden alle beroemdheden uit de wereld van het variété en theater elkaar. Maar ook de tenoren van de literatuur en de kunst spoelen aan in die nachtelijke schijnwereld. Zo raakt Henri bevriend met de schrijver Tristan Bernard, de hoofdredacteur van het blad La Revue Blanche, het literaire podium voor de avant-garde.

Toevallig is Tristan Bernard daarbij ook nog eens directeur van de eerste Parijse wielerbanen, de Vélodrome de La Seine en de Vélodrome Buffalo. De Buffalo was opgetrokken op het terrein waar Buffalo Bill in 1889 een halfjaar lang met “zijnen Indianentroep” had gebivakkeerd. Voor elke Parijzenaar dus een volstrekt herkenbare naamgeving. De wielersport was een regelrechte hype. De safety fietsen, uitgerust met de net uitgevonden luchtbanden waren supermoderne machines. Bereden door regelrechte waaghalzen. Renners met een gestaalde corpus. Iedereen viel voor dat spektakel. Le tout Paris nestelde zich aan de boorden van de nieuwe pistes. Ook Toulouse Lautrec werd door Bernard meegetroond en was binnen de kortste keren verkocht, net als de rest van het uitgaanspubliek. Het nachtleven was zalig maar de zondagmiddag werd heilig. Want dan traden de nieuwe gladiatoren aan in de arena. Met sprinters als Jacquelin, Morin, Protin en Mourrillon. Of de fondrijders met de héros Huret, Cordang en Champion.

Bij het binnenkomen van zijn box had het zijn hart even doen overslaan. Die immense bos rode rozen. Pour Jaap Eden, La Locomotive Hollandaise. Amitié. Désirée vicomtesse d’Alméda, stond op het kaartje. Weer bloemen van haar. Met een schuin oog had hij haar al zien zitten. Op de eerste rang natuurlijk. Ze had, als aandeelhoudster, een prominente plaats op de Buffalo. Altijd present, hier of op La Seine, ze sloeg geen zondag over. De suppoosten vroegen haar bij de ingang niet eens meer naar haar portretkaart.

Nou even niet bij stilstaan Jaap, sprak hij zichzelf vermanend toe. Zaken gaan voor het meisje. En daarbij was het nog maar eens de vraag welk meisje. Nee, hij moest zich concentreren op de kamp met Jacquelin. Vanmiddag ging het om de verdediging van de Brassard, de armband. De Armband was weer een van die nieuwigheidjes van Tristan Bernard, de baandirecteur. Maar wel een leuke nouveauté. De beste sprinter mocht de Armband dragen, die per dag een dikke rente van 10 gulden opleverde. Elke nieuwe uitdager mocht zich melden binnen drie weken. 

SCHALKSE OOGOPSLAG

Jacquelin was top, en erop gebrand om de Armband terug te pakken. Het zou moeilijk worden. Une lutte extra-ordinaire, een titanengevecht, had Tristan al voorspeld aan zijn vriend Henri. Allebei waren ze heel nadrukkelijk aanwezig tussen de beau monde in een uitverkocht huis. Bernard met zijn zware baard, dikbuikig en wel, gekleed in een modieus kostuum met plusfour. Henri, meneer Hinkepoot, met een schetsblok in de aanslag. Hij was bezig met wat studies voor een reclameaffiche voor La Chaîne Simpson, in opdracht van Louis Bouglé die deze nieuwe uitvinding wilde promoten. Henri had al een proef gemaakt met de stayer Jimmy Michael, “het kleine wereldwonder”, als model. Maar de versie met Constant Huret, gegangmaakt door een quadruplet vond pas genade in de ogen van Bouglé.

Jaap begon aan het inrijden voor zijn series tegen Jacquelin. De fondrijders waren zich ook al aan het prepareren. Mathieu Cordang steekt beide duimen op om hem geluk te wensen. Jimmy Michael en zijn soigneur/trainer Choppy Warburton zijn te druk met elkaar. Choppy had zich zoals gewoonlijk weer in een wonderlijk tenue gestoken. Een lange geruite jas tot bijna op de grond met dito wijde broek. Intussen goochelde hij druk met allerlei flesjes en drankjes. Zijn brouwsel, de Cuca-cup, was inmiddels meer dan vermaard. Zijn poulains als de gebroeders Linton en Albert Champion waren onklopbaar als ze geproefd hadden van zijn godendrankjes. In de pers werd hij al betiteld als een maître-charlatan die de hele vergifkast leeghaalde en zijn renners over de kling joeg. Maar het publiek vond het prachtig, die mysterieuze hocus-pocus van de lange Engelsman.

Jaap was fysiek weer in goeden doen. Een hardnekkige influenza had hij eronder gekregen met een tiendaags cocaïne-kuurtje. Alles marcheerde weer als vanouds.

Bij de start voelde hij de ogen van veel vrouwen in zijn rug prikken en dacht hij nog eens aan de woorden van Victor Breyer die journalist van de Vélo. “Jaap Eden mag zich dan wel als een dandy presenteren en, al fladderend van liefje naar liefje, de hoofden van veel dames op hol brengen. Toch geloven wij meer in de atletische bagage van onze landgenoot Edmond Jacquelin. Op de meet dient een schalkse oogopslag nergens toe. Voor ons geldt de sportieve prestatie en daarin zal Jacquelin zijn klasse en overmacht op die Hollandse pedaleur de charme ruim gaan bewijzen”.

DE GROENE FEE

Kippenvel over heel zijn lijf. Al voor de start wordt zijn moraal grondig gebroken. Edmond maakt in de wedstrijd dan ook de kachel aan met onze Jaap.

Maar wat deert het hem eigenlijk. De centen zijn verdiend en vanavond zal de champagne toch wel weer rijkelijk vloeien. Vooraf natuurlijk l’Heure Verte, de dans rond de Groene Fee. Burggravin Désirée rekent op zijn komst straks in “Le Grand Café”  bij dat dagelijkse ritueel in de vooravond, die eredienst met de absinth, de Groene Fee.

De absinth is een lelijke sluipmoordenaar. Dégénérés als Toulouse Lautrec die zouden er zeker aan gaan bezwijken, maar een atleet als hij, wereldkampioen op de schaats én de fiets, nou die zakte niet zomaar door het ijs.

Morgen, zijn er weer de zachte armen van Ninette in “Le Petit Casino”. Overmorgen het weelderige lichaam van Leontine in “Les Décadents” en later weer die hypnotiserende ogen van Marie Durrieu. Om gek van te worden.

Och, zijn trainingsmaatje Mathieu Cordang had nog niet echt veel begrepen van het leven. Die ging nog braaf om twaalf uur naar zijn hotelletje in de Cité d’Antin en stond om zeven uur weer trouw naast zijn bedje. En híj kon toch zeker ook aan elke arm een liefje hebben, dat hem de oesters voerde en de schuimwijn naar zijn lippen bracht.

Dan nog al die tenten die ze nog niet eens van binnen hadden gezien: Les Ambassadeurs, Le Divan Japonais, Le Café du Pendu, Les Folies Bergères, Le Mirliton. De nacht had nog zoveel verlokkingen in petto.

En er was toch altijd nog die tweede kans. Kijk maar naar Louise Weber, La Goulue, de favoriete danseres van Toulouse Lautrec uit de Moulin Rouge. Niemand danste de can-can en de quadrille pikanter en uitdagender dan zij. Maar toen ze daarvoor te dik was geworden gooide ze het gewoon over een andere boeg en werd worstelares en dompteuse op de kermis.

Nee, de bel voor de laatste ronde (ook weer zo’n geniale vondst van directeur Bernard) had nog lang niet geklonken voor La Locomotive. Desnoods ging hij straks demonstratie rijden tegen Buffalo Bill als die weer op tournee kwam in Europa. Man op fiets tegen paard met ruiter. En om het nog wat spectaculairder te maken Cody met zijn paard op een loopband, een trottoir roulant, tegen de renner op de hometrainer. Kon zomaar overal.

Après nous le déluge, dacht Jaap en in de tussentijd doen we het fietsen er nog wel bij. Maar de zondvloed kwam onverbiddelijk. Een voor een gingen ze kopje onder. Ze kwamen nog een paar keer boven maar uiteindelijk verzopen ze in de Grote Zee des Levens.

De drankzucht sloopte Henri de Toulouse Lautrec finaal. La Goulue stierf eenzaam en berooid. Jaap Eden bracht het er niet veel beter af. Ook bij hem was Koning Alcohol nooit meer ver uit de buurt geweest. Buffalo Bill ging failliet en moest daarom blijven doorrijden tot het bittere eind. In 1917 sloeg hij, letterlijk in volle galop, pardoes de weg naar de eeuwige jachtvelden in. Tristan Bernard hield het nog het langst van allemaal vol. Hij vond zijn persoonlijk Waterloo toen het groene habijt van de Académie Française aan zijn neus voorbij ging. Zo heeft ieder in het leven zijn makke zullen we maar denken.

De huiskamervraag in de opening was wat moeilijk. Daarom nog een herkansing. Wie won de Grand Prix Paris 1889. Een makkie voor al die eigentijdse Hollandse Hos & Hijs supporters. Het antwoord is namelijk Heineken. Daar zijn ze bij de brouwerij nú nog zo trots op dat ze het op elk pilsetiketje zetten. Maar ach bier, voor een beetje absinth drinker is dat toch maar die frisdrank voor het plebs.

Theo Buiting (14/3/2006)

Een gedachte over “Grand Prix Paris 1889

Laat een reactie achter op lessinescyclismeonweb Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.